Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI2250

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
07/11861
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI2250
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtsgeldigheid inleidende dagvaarding. Ingevolge art. 588.1.b.sub 3 Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de GBA noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is onderzocht of de verdachte in NL is gedetineerd (vgl. HR LJN AD5163 r.o. 3.24 sub a). Nu het Hof niet blijk heeft gegeven onderzoek te hebben verricht of, en zo ja, waar de verdachte t.t.v. de betekening van de inleidende dagvaarding als afgestrafte was gedetineerd omdat in dat geval de penitentiaire inrichting waarin de verdachte verbleef, als diens bekende verblijfplaats moest worden aangemerkt, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend, onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 820
NJB 2009, 1362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 juni 2009

Strafkamer

nr. 07/11861

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, van 3 augustus 2007, nummer 23/003910-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Kantonrechter van 22 februari 2006 is vernietigd, en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend.

2.2. Een akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in de Rechtbank te Amsterdam van 22 februari 2006 - houdt in dat deze dagvaarding op 16 januari 2006 op de wijze als voorzien in art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv is uitgereikt aan de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".

Zowel het vonnis van de Kantonrechter van 22 februari 2006 als de bestreden uitspraak is bij verstek gewezen.

2.3. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is onderzocht of de verdachte in Nederland is gedetineerd (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, rov. 3.24 sub a).

2.4. Gelet hierop had het Hof ervan behoren blijk te geven te hebben onderzocht of, en zo ja, waar de verdachte ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding als afgestrafte was gedetineerd omdat in dat geval de penitentiaire inrichting waarin de verdachte verbleef, als diens bekende verblijfplaats moest worden aangemerkt. Nu het Hof niet heeft blijk gegeven dat onderzoek te hebben verricht, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend, onbegrijpelijk.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal de inleidende dagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Amsterdam is vernietigd;

verklaart de inleidende dagvaarding nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 23 juni 2009.