Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI1980

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
41412bis
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; afronden van verschuldigde bedragen aan omzetbelasting tot op de eurocent volgens de rekenkundige methode?; vervolg op HvJ EG 10 juli 2008, fiscale eenheid Koninklijke Ahold NV, C-484/06, BNB 2008/282.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/214 met annotatie van B.G. van Zadelhoff
V-N 2009/24.13 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1022 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.412bis

15 mei 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid Koninklijke Ahold N.V. c.s. te Zaandam (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 augustus 2004, nr. P 04/00224, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vragen.

1. Ontstaan en loop van het geding

Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 24 november 2006, nr. 41412, BNB 2007/74, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 10 juli 2008, Fiscale eenheid Koninklijke Ahold NV, C-484/06, BNB 2008/282, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

1) Bij gebreke van een specifieke communautaire regeling staat het aan de lidstaten om de regels en methoden vast te stellen voor de afronding van de bedragen van de belasting over de toegevoegde waarde. De lidstaten zijn daarbij gehouden om de beginselen waarop het gemeenschappelijke stelsel van deze belasting is gebaseerd, met name het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheids-beginsel, te eerbiedigen.

2) Het gemeenschapsrecht bevat, bij de huidige stand ervan, geen enkele specifieke verplichting op grond waarvan de lidstaten gehouden zijn om toe te staan dat belastingplichtigen het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde per artikel naar beneden afronden.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dit arrest.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2. Nadere beoordeling van het middel

Bij afronding van getallen volgens de rekenkundige methode wordt zodanig afgerond dat als op het laatste cijfer van een getal een 0, 1, 2, 3 of 4 volgt, dat laatste cijfer blijft staan, en als op het laatste cijfer van een getal een 5, 6, 7, 8 of 9 volgt, dat laatste cijfer met één wordt verhoogd. Deze methode heeft een geringere onnauwkeurigheidsmarge dan de door belanghebbende in het middel voorgestane methode (vgl. onderdeel 3.1.3 van het hiervoor onder 1 vermelde arrest van de Hoge Raad). Om die reden is de rekenkundige methode - ook voor het berekenen van verschuldigde omzetbelasting - de in aanmerking komende afrondingsmethode. Hieraan doet niet af dat bij afronding tot op de eurocent de rekenkundige methode ertoe leidt dat de verschuldigde omzetbelasting in sommige gevallen een fractie van een eurocent meer bedraagt dan het bedrag overeenkomend met het wettelijke percentage van de vergoeding.

Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat de in het middel voorgestane afrondingsmethode meer recht doet aan het beginsel van fiscale neutraliteit of het evenredigheidsbeginsel dan wel zou worden gerechtvaardigd door eisen van praktische uitvoerbaarheid van de berekening van de te betalen omzetbelasting.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het middel mitsdien niet tot cassatie kan leiden.

3. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.