Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI1975

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
43531
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2006:AY8155, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 11a, letter d, Wet belastingen op miieugrondslag. Art. 16 Wet WOZ. Eigenaar vakantiepark is gebruiker van volgtijdig verhuurde bungalows. Samenstelbepaling van toepassing. Daarom als één aansluiting op waterdistributienet te beschouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/1091
Belastingblad 2009/962 met annotatie van Redactie
BNB 2009/156
V-N 2009/21.30 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0877
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 43.531

24 april 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 oktober 2006, nr. 05/00363, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de belasting op leidingwater.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het tijdvak 2000 tot en met 2003 een naheffingsaanslag in de belasting op leidingwater opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Arnhem heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep bij uitspraak van 19 september 2005, nr. AWB 05/596, ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel en ambtshalve

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteert een vakantiepark. Het park bestaat onder meer uit 200 vaste staanplaatsen voor stacaravans, en 33 (met ingang van 2002: 36) bungalows. Verder zijn er een openluchtzwembad, een minigolfbaan, een tennisbaan, een kinderboerderij, een speeltuin en een wasserette. In het hoofdgebouw bevinden zich de receptie, een restaurant, een vergaderzaal, een bar, een snackbar en een winkel.

3.1.2. De bungalows, eigendom van belanghebbende, worden voor volgtijdig gebruik voor relatief korte perioden ter beschikking gesteld aan wisselende huurders.

3.1.3. Belanghebbende is niet aangesloten op het waterleidingnet, maar pompt zelf grondwater op en stelt dit door middel van een waterdistributienet als drinkwater ter beschikking aan de gasten van het park. Ook de bungalows zijn aangesloten op dit waterdistributienet.

3.1.4. Naar aanleiding van een onderzoek in 2004 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag in de belasting op leidingwater aan belanghebbende opgelegd, waarbij ervan is uitgegaan dat elk van de 200 stacaravans op vaste staanplaatsen en elk van de 33, respectievelijk 36 bungalows is aan te merken als een afzonderlijke onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de bungalows, gegeven de wijze van exploitatie, een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ vormen, derhalve als één onroerende zaak moeten worden aangemerkt, en daarom voor de heffing van de belasting op leidingwater één aansluiting vormen.

3.2.2. Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat elke bungalow een afzonderlijk gebouwd eigendom in de zin van artikel 16, aanhef en letter a, van de Wet WOZ vormt, en feitelijk door verschillende gebruikers wordt gebruikt, dan wel dat elke bungalow is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en derhalve voldoet aan het criterium van artikel 16, aanhef en letter c, van de Wet WOZ.

3.3.1. Ingevolge artikel 11c, lid 1, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst tot 1 januari 2005; hierna: Wbm) wordt de belasting op leidingwater geheven ter zake van de levering van leidingwater via een aansluiting aan de verbruiker, met dien verstande dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 300 kubieke meter per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting.

Ingevolge artikel 11a, aanhef en letter a, Wbm wordt onder 'leidingwater' verstaan, voor zover hier van belang: water dat door een waterleidingbedrijf of een afzonderlijke watervoorziening aan derden ter beschikking wordt gesteld.

Onder een 'aansluiting' wordt ingevolge letter d van dat artikel verstaan, voor zover hier van belang: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet WOZ, op het distributienet van een afzonderlijke watervoorziening, waaruit leidingwater aan de verbruiker wordt geleverd.

3.3.2. De voorziening voor de winning van grondwater dat met behulp van een distributienet binnen het park van belanghebbende als leidingwater ter beschikking wordt gesteld, vormt een afzonderlijke watervoorziening in de zin van artikel 11a Wbm.

3.3.3. Ingevolge artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ wordt als één onroerende zaak aangemerkt een samenstel van twee of meer van de in letter a of letter b bedoelde eigendommen of in letter c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

De stukken van het geding en de uitspraak van het Hof laten geen andere conclusie toe dan dat de gebouwde en ongebouwde eigendommen van het vakantiepark, hiervoor omschreven in onderdeel 3.1.1, naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren en derhalve, voor zover die eigendommen bij belanghebbende in gebruik zijn, een samenstel vormen in de zin van artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ.

3.3.4. Het ter beschikking stellen van de bungalows voor volgtijdig gebruik voor relatief korte perioden aan wisselende huurders moet worden aangemerkt als gebruik door degene die de bungalows ter beschikking stelt (vgl. Hoge Raad 8 juli 1981, nr. 20639, BNB 1981/248, en Hoge Raad 28 oktober 1981, nr. 20691, Belastingblad 1982, blz. 26). Het Hof is derhalve terecht ervan uitgegaan dat de bungalows bij belanghebbende in gebruik zijn.

3.3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof, wat er zij van de daarvoor gegeven motivering, terecht heeft geoordeeld dat de samenstelbepaling van artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ te dezen van toepassing is. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.4.1. Het Hof heeft aan zijn oordeel dat de bungalows één onroerende zaak in de zin van artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ vormen, de gevolgtrekking verbonden dat sprake is van één aansluiting en dat te dier zake over een hoeveelheid van maximaal 300 kubieke meter belasting op leidingwater wordt geheven.

Daarbij heeft het Hof uit het oog verloren dat ingevolge artikel 11c, lid 1, Wbm de belasting geheven wordt ter zake van de levering van leidingwater en dat daarvan ingevolge artikel 11a, aanhef en letter a, Wbm slechts sprake is indien dat leidingwater aan derden ter beschikking wordt gesteld. Voor zover het door belanghebbende opgepompte grondwater wordt aangewend binnen het bij haar in gebruik zijnde samenstel, waarvan de bungalows deel uitmaken, kan die aanwending niet worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van water aan derden. Dit eigen gebruik van door belanghebbende zelf opgepompt water is niet aan de belasting op leidingwater onderworpen. Het Hof heeft derhalve aan zijn oordeel omtrent de bungalows ten onrechte de gevolgtrekking verbonden dat ter zake over 300 kubieke meter belasting op leidingwater verschuldigd is.

3.4.2. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De naheffingsaanslag, zoals door het Hof herberekend onder 5.9 van zijn uitspraak, dient te worden verminderd tot € 2084.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover daarbij de naheffingsaanslag is verminderd tot € 2246,

vermindert de naheffingsaanslag tot € 2084, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en C. Schaap, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2009.