Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI1974

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
42373
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 4 AWR. Uitspraak onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/155
V-N 2009/20.6 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 42.373

24 april 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 november 2005, nr. 03/01265, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende terecht het gehele jaar 2000 als binnenlands belastingplichtige is aangemerkt. Dit oordeel berust onder meer op 's Hofs overweging (onderdeel 4.3) dat belanghebbende geen voldoende stukken en/of verklaringen heeft verstrekt die haar stelling onderbouwen of ondersteunen dat zij een aanstelling in Aruba voor de functie van lerares heeft gekregen voor de duur van drie jaar.

3.2.1. Blijkens de gedingstukken voor het Hof heeft belanghebbende een verklaring overgelegd van de Directeur van de Directie Onderwijs van Aruba van 14 augustus 2000, waarin onder meer is vermeld:

"De minister van Onderwijs en Arbeid heeft op 15 juni 2000 (...) besloten X (...), als uitgezonden leerkracht op arbeidsovereenkomst uit Nederland voor 3 jaar in dienst te nemen bij het openbaar onderwijs. (...) De minister van Onderwijs en Arbeid zal met haar een arbeidsovereenkomst aangaan voor de periode 1 augustus 2000 tot 1 augustus 2003, welke overeenkomst u binnenkort zal worden toegezonden."

3.2.2. Voorts bevindt zich bij de gedingstukken een verklaring van de waarnemend directeur van de Directie Onderwijs van Aruba van 10 maart 2003, met onder meer de volgende inhoud:

"Ondergetekende verklaart hierbij dat X (...), vanaf 1 augustus 2000 tot en met 31 juli 2001 een betrekking als uitgezonden leerkracht op arbeidsovereenkomst heeft bekleed bij het openbaar onderwijs (...). Ingevolge de verklaring van de Geneeskundige Commissie d.d. 23 maart 2001 is X voornoemd medisch ongeschikt bevonden voor de verdere uitoefening van haar funktie. In verband hiermee is haar contractueel dienstverband met het openbaar onderwijs verbroken en is aan haar per 1 augustus 2001 eervol ontslag uit 's Landsdienst verleend."

3.2.3. Gelet op deze stukken is 's Hofs onder 3.1 weergegeven oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Belanghebbendes hierop betrekking hebbende klachten zijn gegrond. Nu dit oordeel mede dragend was voor 's Hofs oordelen onder 4.4 en 4.5 dat belanghebbende terecht het gehele jaar 2000 als binnenlands belastingplichtige is aangemerkt en dat in dat jaar belanghebbendes persoonlijke en economische banden met Nederland het sterkst waren, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Belanghebbendes overige klachten over de onderdelen 4.4 en 4.5 van die uitspraak kunnen onbesproken blijven.

3.3. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2009.