Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI1943

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
43120
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI1943
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2006:AV8597, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 219, lid 2, 229 en 229b Gemeentewet. Bouwleges. Heffingsmaatstaf. Geen willekeurige of onredelijke uitkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1214 met annotatie van Redactie
BNB 2009/276 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 2010/108 met annotatie van Redactie
V-N 2009/38.30 met annotatie van Redactie
TBR 2009/189 met annotatie van G.C.W. van der Feltz
FutD 2009-1706
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 43.120

14 augustus 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Nijkerk (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 februari 2006, nr. 03/01678, betreffende van X te Z (hierna: belanghebbende) geheven leges.

1. Het geding in feitelijke instantie

Van belanghebbende is bij schriftelijke kennisgeving, gedagtekend 7 juni 2001, onder meer ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning een bedrag aan leges geheven. Het bedrag aan leges is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het afdelingshoofd Financieel en Personeel Beheer van de gemeente Nijkerk (hierna: de heffingsambtenaar) gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de geheven leges verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 9 april 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en vernietiging van de uitspraak van het Hof.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het bouwen van een fabriek. De bouwsom bedroeg ƒ 14.000.000.

3.1.2. De Legesverordening 2001 van de gemeente Nijkerk (hierna: de Legesverordening) bepaalt, voor zover van belang:

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'leges' worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 5 Tarieven

1 De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2 Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

3.1.3. De tarieventabel behorende bij de Legesverordening (hierna: de Tarieventabel) bepaalt, voor zover van belang:

Bouwkosten

5.1 Onder bouwkosten wordt in dit hoofdstuk verstaan de aannemingsom (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

Bouwvergunningen

5.2 Het tarief bedraagt terzake van het in behandeling nemen van:

(...)

5.2.3 een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning

5.2.3.1 indien de bouwkosten niet meer bedragen dan ƒ 2500 ƒ 100,00

5.2.3.2 bovendien voor elk bedrag van ƒ 500,00 of gedeelte daarvan van ƒ 500,00 waarmede de bouwkosten onder 5.2.3.1 genoemd worden overschreden ƒ 7,00

3.1.4. Van belanghebbende is ter zake van het in behandeling nemen van de in 3.1.1 genoemde aanvraag onder meer een bedrag aan bouwvergunningsleges geheven van ƒ 196.095.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de tariefstelling in de Legesverordening verbindend is. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, zodat het in onderdeel 5.2.3.2 van de Tarieventabel opgenomen deel van het tarief ter zake van de onderhavige aanvraag verbindende kracht mist. Het middel is tegen dit oordeel gericht.

3.3. Zoals ook tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt, kunnen gemeenten op grond van artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591,

nr. 3, blz. 65-67 en blz. 77-78). Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel.

3.4.1. Het Hof heeft met juistheid vooropgesteld

(i) dat het bij de toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet niet gaat om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de Legesverordening opgenomen diensten, en

(ii) dat, gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het kiezen van heffingsmaatstaven en het bepalen van de aan die maatstaven gekoppelde tarieven, een geraamde winst van 2,21 percent op de leges welke voor bouwvergunningen worden geheven, op zichzelf bezien geoorloofd is.

3.4.2. De onder 3.4.1 vermelde vooropstellingen brengen mee dat onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten niet in strijd zijn met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel. Een motivering voor die verschillen is, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet vereist.

3.5.1. Tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist (HR 24 december 1997, nr. 32569, LJN AA3345, BNB 1998/70).

3.5.2. Het tarief onder 5.2.3.2 van de Tarieventabel voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning wordt berekend naar een vast, bescheiden percentage (1,4 percent) van de bouwkosten. Het hanteren van een dergelijk vast percentage van de bouwkosten kan niet worden gekenschetst als onredelijk of willekeurig. Ook overigens bieden de gedingstukken geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de geheven bouwvergunningsleges van circa ƒ 196.000 bij een bouwsom van ƒ 14.000.000 in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel.

3.6. Ook indien de verschillen in dekkingspercentages enerzijds en de hoogte van de geheven leges anderzijds tezamen en in hun onderlinge verband worden bezien, gelijk het Hof in onderdeel 4.10 van zijn uitspraak heeft gedaan, is er geen grond om onderdeel 5.2.3.2 van de Tarieventabel onverbindend te verklaren wegens strijd met enig algemeen rechtsbeginsel.

3.7. Onderdeel I van het middel is derhalve gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2009.