Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI1183

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
08/01410
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI1183
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BC9203, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke invorderingsvrijstelling van art. 7, lid 1, Natuurschoonwet niet van toepassing op verkrijging onderbedelingsvordering die verband houdt met NSW-landgoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2619 met annotatie van Schoenmaker
FutD 2009-2545 met annotatie van Fiscaal up to Date
NJB 2009, 2209
BNB 2010/209
FED 2009/114
V-N 2009/61.28
Vp-bulletin 2010, 7

Uitspraak

Nr. 08/01410

27 november 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X1 en X2 te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 februari 2008, nr. 06/00439, betreffende aanslagen in het recht van successie.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbenden zijn ter zake van verkrijgingen uit de nalatenschap van A, overleden in 2003, aanslagen in het recht van successie opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn verminderd.

De Rechtbank te Breda heeft bij uitspraken van 10 oktober 2006 (nrs. AWB 05/1967 en 05/1968) de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 maart 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 4 oktober 2003 is A overleden. Hij had bij testament zijn echtgenote, B (hierna: de echtgenote) en twee kinderen (belanghebbenden), ieder voor een gelijk deel, tot erfgenamen benoemd en had artikel 4:13 en titel 4.3.1 van het Burgerlijk Wetboek op de verdeling van zijn nalatenschap van toepassing verklaard.

3.1.2. Een en ander bracht mee dat de echtgenote van rechtswege de activa en de passiva van de nalatenschap verkreeg, en belanghebbenden ieder een geldvordering op de echtgenote verkregen ter grootte van ieders erfdeel.

3.1.3. Tot de nalatenschap behoorde de onverdeelde helft van een landgoed als bedoeld in artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928 (hierna: NSW). Bij de aangifte voor het recht van successie is ten behoeve van belanghebbenden ter zake van dit landgoed een beroep gedaan op de voorwaardelijke invorderingsvrijstelling van artikel 7 NSW (hierna ook: de NSW-faciliteit).

3.1.4. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de NSW-faciliteit niet door belanghebbenden kan worden ingeroepen.

3.2. De Rechtbank en het Hof hebben het standpunt van de Inspecteur onderschreven met als motivering, kort weergegeven, dat de NSW-faciliteit blijkens de bewoordingen van artikel 7, lid 1, NSW is beperkt tot de verkrijging van een landgoed. Hiertegen richten zich de middelen.

3.3.1. Uit de wetsgeschiedenis, aangehaald in onderdeel 5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, blijkt, voor zover hier van belang, dat de NSW-faciliteit tot doel heeft te verhinderen dat particuliere landgoederen in gedeelten uiteenvallen vanwege de hoge last van het successierecht.

3.3.2. Uit artikel 4:13, lid 2, in samenhang met artikel 4:7, lid 1, letter e, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat het hier toepasselijke wettelijke erfrecht de verkrijger van het landgoed verplicht tot betaling van het successierecht dat is verschuldigd in verband met de verkrijging van onderbedelingsvorderingen door de overige erfgenamen. Nu deze lasten geheel worden gedragen door de verkrijger van het landgoed, ontstaat in een geval als het onderhavige eenzelfde situatie als die welke de wetgever met de NSW-faciliteit heeft willen verlichten.

3.3.3. Het zou derhalve overeenstemmen met het onder 3.3.1 weergegeven doel van artikel 7, lid 1, NSW om de NSW-faciliteit mede van toepassing te achten op een geval als dat van belanghebbenden.

3.3.4. Hier staat echter tegenover dat de NSW-faciliteit blijkens de tekst van artikel 7, lid 1, NSW is beperkt tot de verkrijging van een onroerende zaak. Ook overigens zijn de bepalingen met betrekking tot landgoederen in de NSW geheel toegesneden op de verkrijger van een landgoed. Zo is het ook alleen de verkrijger van het landgoed die de gevolgen draagt van het vervallen van de invorderingsvrijstelling krachtens artikel 8a, lid 1, NSW, behoudens de in de wet omschreven uitzonderingen, waartoe het geval van belanghebbenden niet behoort. Daar komt nog bij dat de door belanghebbenden bepleite wetstoepassing zonder nadere voorziening tot gevolg zou hebben dat de NSW-faciliteit ter zake van een verkrijging van een landgoed meermalen verleend kan worden, of dat aan zo'n verkrijging een grondslag wordt gegeven die de waarde van het landgoed overtreft. Dat zijn gevolgen waarvoor de NSW geen aanknopingspunten biedt. Deze gevolgen zouden kunnen worden vermeden door de NSW-faciliteit voor de verkrijger van het landgoed te beperken ten gunste van andere verkrijgers. Nu de verkrijger van het landgoed diens aanspraak op de faciliteit ontleent aan de wet, kan een dergelijke beperking niet worden aanvaard zonder wettelijke grondslag, die evenwel ontbreekt.

3.3.5. Gelet op het bovenstaande zou het volgen van de door belanghebbenden voorgestane uitleg leiden tot een dusdanige inbreuk op de tekst en het systeem van de NSW, dat die uitleg niet kan worden aanvaard. Een voorwaardelijke invorderingsvrijstelling voor gevallen als dat van belanghebbenden kan alleen door een wetswijziging worden bewerkstelligd.

3.4. De middelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2009.