Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI0938

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
08/03978 Hs
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2005:AT3219
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 567
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 april 2009

Strafkamer

nr. 08/03978 Hs

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 maart 2005, nummer 21/006733-04, ingediend door mr. J.M. Eelman, advocaat te Amsterdam, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft de aanvrager ter zake van 1. "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen", 4. "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 6. "valsheid in geschifte" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Tegen deze uitspraak is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 januari 2007 het arrest van het Hof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft de gevangenisstraf verminderd in die zin dat deze vier jaren en zeven maanden beloopt.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvrage heeft uitsluitend betrekking op het hiervoor onder 4 vermelde feit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. De aanvrage betreft de veroordeling van de aanvrager ter zake van het onder 4 tenlastegelegde feit, een gewapende overval, gepleegd op 8 oktober 2003 in een filiaal van de [A] aan de [a-straat] te Utrecht.

3.3.1. Het arrest bevat een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, waarin de bewijsmiddelen zijn opgenomen die het Hof heeft gebezigd. Voor de bewijsmiddelen van het onder 4 bewezenverklaarde feit wordt verwezen naar deze, in zoverre aan het onderhavige arrest gehechte, aanvulling.

3.3.2. Met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde heeft het Hof in het verkorte arrest nog in het bijzonder het volgende overwogen:

"- Uit het opsporingsonderzoek van de politie Regio Utrecht naar diverse gewapende overvallen op supermarkten en banken kwam naar voren dat de overvallers gebruik maakten van weliswaar een wisselende samenstelling maar steeds dezelfde modus operandus: de overvallers reden met een gestolen auto of een auto met gestolen kentekenplaten naar de plaats van de overval, alwaar ze met bivakmutsen op, gewapend met op vuurwapens gelijkende voorwerpen, met gebruikmaking van portofoons en tie-rips de overval pleegden.

- Op 8 oktober 2003 is door een getuige gezien dat vlak na de overval op de supermarkt [A] te Utrecht een personenauto, Renault Laguna, kleur zilver of grijs, vanaf de achterzijde van de [A] met hoge snelheid wegreed. Dit betreft een zelfde type auto als auto die een broer van verdachte, zijnde [betrokkene 1], in eigendom heeft en waarin zijn andere broer [betrokkene 2] meerdere malen heeft gereden.

- De overval is gepleegd door drie of vier gemaskerde en gewapende mannen. Onder bedreiging van de vuurwapens zijn de aanwezige personeelsleden met de polsen op de rug vastgebonden met behulp van tie-rips. Ook hebben de overvallers met elkaar contact gehouden via portofoons.

- Na de overval is gebleken uit de inventarisatie bij de supermarkt dat er - onder meer - een tweetal mapjes, in de kleuren bordeaux rood en/of donker paars, zijn ontvreemd met daarin de omzet van de dag ervoor.

- Uit een opgenomen telefoongesprek tussen [betrokkene 3] en verdachte is gesproken over "bruine mapjes". De inhoud van dit afgetapte telefoongesprek duidt naar het oordeel van het hof, ondanks het beperkte verschil in kleuraanduiding, op kennelijke daderwetenschap bij verdachte over de buit van de onderhavige overval op de [A].

- Bij een geuridentificatieproef op 11 maart 2004 is door de hond tot twee maal toe de geurdrager van verdachte gekozen. Bij deze geurproef is gebruik gemaakt van sleutels en een telefoon die door de overvallers in het kantoor van de supermarkt [A] waren meegenomen en na het afsluiten van het kantoor in de supermarkt waren achtergelaten en aldaar na de overval zijn aangetroffen.

- Uit de opgevraagde historische printlijstgegevens van de verdachte [aanvrager] blijkt dat deze op 8 oktober 2003 vanaf 05.38 uur tot 06.13 uur veelvuldig telefonisch contact heeft gezocht en/of heeft gehad met zijn medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 3]. Tevens blijkt uit deze printlijst dat verdachte en zijn twee medeverdachten hun mobiele telefoon niet gebruikten op 8 oktober 2003 tussen 06.13 uur en 08.16 uur, de periode waarbinnen de overval plaatsvond."

3.3.3. Tot de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde feit steunt behoort het resultaat van een geuridentificatieproef.

Met betrekking tot dit feit is in het arrest waarvan herziening wordt verzocht, onder 4.9 als bewijsmiddel opgenomen het proces-verbaal van 11 maart 2004, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk brigadier van politie bij het Korps Landelijke Politiediensten, buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Dienst Levende Have Politie van het Korps Landelijke Politiediensten en brigadier van politie, regio Utrecht. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, kort gezegd, dat de speurhond Iggy een geurovereenkomst waarnam tussen de geurmonsters van een sleutel en een telefoon en de geur van het door de aanvrager vastgehouden buisje.

3.4. In de aanvrage wordt gewezen op arresten van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 november 2006 (LJN AZ1994 en LJN AZ1983), waarin het resultaat van een geuridentificatieproef werd uitgesloten van het bewijs wegens niet 'blind' uitvoeren van de proef. In de aanvrage wordt voorts melding gemaakt van het 'intern oriënterend onderzoek' dat in opdracht van het openbaar ministerie is verricht door de Rijksrecherche naar de wijze waarop de geurhondendienst van de politiekorpsen in Noord- en Oost-Nederland geuridentificatieproeven heeft uitgevoerd.

Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat het openbaar ministerie zich op het standpunt heeft gesteld dat uit dat onderzoek is gebleken dat in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door genoemde geurhondendienst de geuridentificatieproeven regelmatig niet zijn uitgevoerd volgens het vastgestelde protocol, in het bijzonder dat de speurhondengeleider bij het uitvoeren van de geuridentificatieproef, in strijd met het protocol, vooraf op de hoogte was van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Met dit protocol wordt daarbij gedoeld op voorschriften die zijn neergelegd in de Regeling politiespeurhonden 1997 in samenhang met het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur 1997.

Dit oriënterend onderzoek is voor het openbaar ministerie aanleiding geweest te inventariseren in welke zaken gebruik is gemaakt van een dergelijke, mogelijk onjuist uitgevoerde, geuridentificatieproef. In de desbetreffende zaken is door het openbaar ministerie een brief verzonden waarin de betrokkene omtrent het een en ander wordt geïnformeerd en waarin wordt aangegeven dat een herzieningsverzoek mogelijk aan de orde zou kunnen komen als de betrokkene van oordeel is dat hij destijds niet zou zijn veroordeeld als de rechter toen had geweten dat de geuridentificatieproef onjuist was uitgevoerd. De onderhavige aanvrage is niet naar aanleiding van een dergelijke brief ingediend.

Voorts wordt in de aanvrage verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2007 (LJN BB2810) waarin het zou gaan om politieambtenaren, werkzaam bij de "Oefengroep Oost", die ervan werden verdacht in een aantal processen-verbaal bewust onjuiste vermeldingen te hebben opgenomen omtrent de wetenschap van de betrokken speurhondengeleiders van de positie van de geurdragers. Volgens de aanvrage zijn in die zaak de geuridentificatieproeven uitgevoerd op de locatie Nunspeet.

3.5. De aanvrage berust op de stelling dat een ernstig vermoeden bestaat dat de geuridentificatieproef die in het kader van onderhavige zaak is verricht, niet 'blind' is uitgevoerd, zodat, ware het Hof bekend geweest met dit gegeven, het de geuridentificatieproef had uitgesloten van het bewijs, hetgeen zou hebben geleid tot vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde.

Deze stelling is als volgt toegelicht.

(i) Ten aanzien van de overval op het [A]-filiaal te Utrecht is het proces-verbaal van de geuridentificatieproef van doorslaggevende betekenis geweest.

(ii) Ten aanzien van de in onderhavige zaak uitgevoerde geuridentificatieproef zijn nadien omstandigheden bekend geworden betreffende het onjuist uitvoeren van geuridentificatieproeven door de gezamenlijke oefengroep speurhondengeleiders van de politiekorpsen in Noord- en Oost-Nederland, hierin bestaande dat deze zich niet heeft gehouden aan het protocol, te weten de Regeling Politiespeurhonden 1997.

(iii) Naar aanleiding van de resultaten die zijn verkregen uit het Rijksrecherche- onderzoek zijn door de desbetreffende Arrondissementsparketten brieven verstuurd aan veroordeelden in wier zaak gebruik is gemaakt van geuridentificatieproeven die zijn uitgevoerd door de gezamenlijke oefengroep speurhondengeleiders van de politiekorpsen Noord- en Oost-Nederland. In de onderhavige zaak heeft de aanvrager een dergelijke brief niet ontvangen. De aanvrager had zo'n brief echter wel behoren te ontvangen, aangezien de gehouden geuridentificatiepoef blijkens het onderhavige proces-verbaal uitvoeren van geuridentificatieproef is afgenomen in de daartoe bestemde ruimte van de afdeling speurhonden te Nunspeet - waarvan de aanvrager aanneemt dat hiermee wordt bedoeld de afdeling Dienst Levende Have Politie (DLHP) van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) te Nunspeet - en de proef mede werd ondersteund door buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 2] van de DLHP. De Dienst Levende Have te Nunspeet is, aldus de aanvrage, een locatie die onderdeel uitmaakt van de Oefengroep Oost. Ten aanzien van die Oefengroep is uit de voormelde uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch gebleken dat deze behoort tot de groep waar geuridentificatieproeven regelmatig niet blind zijn uitgevoerd. Nu die geuridentificatieproeven niet overeenkomstig het toen geldende protocol zijn uitgevoerd, kan ook aan de onderhavige geuridentificatieproef niet de vereiste betrouwbaarheid worden toegekend.

3.6.1. De aangevoerde omstandigheden kunnen niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld.

Naar de kern genomen berust de aanvrage erop dat aan de juistheid van de uitkomsten van de onderhavige voor het bewijs gebezigde, in 2004 uitgevoerde, geurindentificatieproef moet worden getwijfeld, aangezien deze proef is uitgevoerd in de daartoe bestemde ruimte van de afdeling speurhonden te Nunspeet en deze locatie onderdeel uitmaakt van de Oefengroep Oost, van welke groep bekend zou zijn dat daartoe speurhondengeleiders behoren door wie geuridentificatieproeven regelmatig niet blind zijn uitgevoerd.

3.6.2. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Nederland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591).

3.6.3. Aan de enkele omstandigheid dat de geuridentificatieproef in de onderhavige zaak is uitgevoerd in de daartoe bestemde ruimte van de afdeling speurhonden van de KLPD te Nunspeet valt evenwel niet te ontlenen dat deze is uitgevoerd door speurhondengeleiders behorende tot een geurhondendienst die volgens het openbaar ministerie destijds geuridentificatieproeven regelmatig niet 'blind' heeft uitgevoerd. Het proces-verbaal van uitvoering van de onderhavige geuridentificatieproef bevat geen aanknopingspunt dat de betrokken speurhondengeleiders behoorden tot de Oefengroep Oost. Dit proces-verbaal houdt alleen in dat de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] destijds in functie waren als respectievelijk brigadier van politie bij het Korps Landelijke Politiediensten, buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Dienst Levende Have van het Korps Landelijke Politiediensten en brigadier van politie, regio Utrecht. De omstandigheid dat aan de aanvrager door het openbaar ministerie te Utrecht niet de bedoelde brief is gezonden, bevestigt dat het hier niet gaat om een proef die is uitgevoerd door een geurhondendienst die daarbij het vereiste van 'blind' uitvoeren volgens het openbaar ministerie mogelijk niet (steeds) heeft nageleefd.

Ook overigens behelst de aanvrage geen concrete omstandigheden van feitelijke aard betreffende de uitvoering van de onderhavige geuridentificatieproef waaruit het veronderstelde verzuim kan blijken.

3.7. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 14 april 2009.