Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI0773

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
08/04476
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI0773
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Cassatie, ontvankelijkheid, relatieve nietigheid, herstel van verzuim in beroepschrift om een cassatieadvocaat te stellen (art. 426a Rv.) door binnen twee weken alsnog een door een cassatieadvocaat ondertekend exemplaar in te dienen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 426a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 842
NJ 2010, 212 met annotatie van H.J. Snijders
NJB 2009, 1431
JWB 2009/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2009

Eerste Kamer

08/04476

EV/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. M.L. Kleyn.

Verzoeker tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1. Het geding in feitelijke instanties

De rechter-commissaris heeft op 28 april 2008 een voordracht aan de rechtbank 's-Hertogenbosch gedaan de toepassing van de schuldsanering ten aanzien van [verzoeker] voortijdig te beëindigen.

De rechtbank heeft, na een mondelinge behandeling van de zaak, bij vonnis van 11 juli 2008 de toepassing van de schuldsaneringsregeling geëindigd.

Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 22 oktober 2008 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, onder verbetering van gronden, bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] bij twee verzoekschriften beroep in cassatie ingesteld. De beide cassatierekesten zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in het onderhavige verzoek.

De advocaat van [verzoeker] heeft op 20 april 2009 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 Tegen het arrest van het hof stond op grond van art. 351 lid 5 F. beroep in cassatie open tot en met 30 oktober 2008.

3.2 Het op 30 oktober 2008 bij de Hoge Raad ingekomen cassatierekest voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv. omdat het niet is ingediend noch is getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek brengt in beginsel mee dat [verzoeker] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.3 Op 12 november 2008, dus na afloop van de cassatietermijn, is door mr. M.L. Kleyn, advocaat bij de Hoge Raad, hetzelfde verzoekschrift opnieuw bij de Hoge Raad ingediend.

3.4.1 De vraag rijst of hiermee het hiervoor genoemde gebrek is hersteld. Die vraag moet op grond van het volgende bevestigend worden beantwoord, waarmee de Hoge Raad terugkomt van zijn eerdere rechtspraak op dit punt.

3.4.2 Art. 281 Rv. bepaalt dat indien het verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, de rechter de verzoeker de gelegenheid geeft binnen een door hem te bepalen termijn dit verzuim te herstellen en dat indien de verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik maakt, hij in het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze bepaling is ingevolge art. 362 Rv. van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. De regeling van de verzoekschriftprocedure in cassatie houdt zo'n bepaling echter niet in. Art. 428a Rv. verklaart slechts art. 284 Rv. in cassatie van overeenkomstige toepassing. Uit dit laatste kan evenwel niet worden afgeleid dat de wetgever de overeenkomstige toepasselijkheid van art. 281 in cassatie heeft willen uitsluiten. De wetsgeschiedenis bevat geen enkele aanwijzing daartoe.

3.4.3 Dat art. 123 Rv., dat voor de dagvaardingsprocedure herstel van het verzuim advocaat te stellen mogelijk maakt, in art. 418a Rv. evenmin in cassatie van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, heeft in het onderhavige verband geen gewicht. Wat betreft het herstel van het verzuim om in de dagvaarding advocaat te stellen, is art. 123 van elke praktische betekenis ontbloot door de mogelijkheid van herstel op grond van art. 120 en art. 122 die ingevolge art. 418a in cassatie wèl van overeenkomstige toepassing zijn. Ten aanzien van de niet bij advocaat verschenen verweerder geldt dat de verweerder het verzuim advocaat te stellen kan herstellen door op de voet van het ingevolge art. 418a in cassatie toepasselijke art. 142 Rv. het tegen hem verleende verstek te zuiveren door alsnog ter rolle advocaat te stellen, te herstellen.

Voor het overige moet worden aangenomen dat art. 418a zich niet verzet tegen toepassing in cassatie van art. 123 waar dat nodig en geëigend zou zijn.

3.4.4 In het licht van een en ander bestaat er geen goede grond om in de verzoekschriftprocedure in cassatie de verzoeker - en de verzoeker in het incidenteel cassatieberoep - de mogelijkheid te onthouden het verzuim om in het verzoekschrift advocaat te stellen, te herstellen.

3.4.5 Dit herstel dient in cassatie te geschieden doordat binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift, een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient. In dat geval zal als de dag waarop de zaak is aangebracht gelden de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend.

3.5 In de onderhavige zaak is, naar blijkt uit 3.3, het verzuim hersteld overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.4.5 is overwogen.

4. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 juli 2009.