Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI0577

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
44030
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2007:BA6221, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Tariefposten 3926 40 en 9505 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur; versieringsvoorwerpen van kunststof aan te merken als kerstfeestartikelen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/145
FutD 2009-0773
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 44.030

10 april 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 april 2007, nr. 06/82 DK, betreffende drie bindende tariefinlichtingen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Op verzoek van belanghebbende zijn door de Inspecteur drie bindende tariefinlichtingen afgegeven, welke beschikkingen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, alsmede de uitspraken en de beschikkingen vernietigd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 december 2004 drie bindende tariefinlichtingen in de zin van artikel 12 van het Communautair douanewetboek verstrekt voor een aantal artikelen van kunststof (hierna: de artikelen). Het Hof heeft de artikelen in onderdeel 3.4 van zijn uitspraak als volgt omschreven:

"- een artikel van doorzichtig kunststof in de vorm van een ijspegel met daarop een ijsblokje als gematteerd hoofdje, met een gezichtje met oogjes, neus en mond, van doorzichtig kunststof met een sjaaltje van kunststof. De neus op het hoofdje heeft de vorm van een pegeltje en is rood aangestipt. Op het hoofdje zit een muts of hoed gegoten, ook van doorzichtige kunststof, met daardoorheen een oogje. De lengte van het artikel is ca 18 cm, de doorsnede ca. 2,4 cm en het artikel weegt ca. 10 gram. Door het oogje op de muts is een zilverkleurig ophangdraadje in de vorm van een lusje bevestigd. Het geheel wordt aangeboden in een verpakking, voor verkoop in het klein.

-artikel van doorzichtig kunststof in de vorm van een ijsblokjessneeuwman. Het artikel bestaat uit drie doorzichtige kunststofblokjes, die verspringend op elkaar zijn bevestigd. Het bovenste kunststofblokje vormt een hoofdje met gezicht, voorzien van zwarte kraaloogjes, rode wangen, oranje/gele neus en mond, waarbij de neus de vorm heeft van een pegeltje, dat rood is aangestipt. Op het hoofdje zit een hoedje met een gematteerd randje gegoten, waardoorheen een oogje is aangebracht. Door het oogje op de hoed is een zilverkleurig ophangdraadje in de vorm van een lusje bevestigd. Rond het hoofdje zit een metalen ring met hierop bevestigd drie kunststof gematteerde balletjes met aan beide zijden van de ring een gematteerde handschoen. De metalen ring is voorts bevestigd aan het middelste blokje. De lengte van het artikel is ca. 14 cm, de breedte ca. 11 cm, de diepte ca. 3,5 cm en het artikel weegt ca. 172 gram. Het geheel wordt aangeboden in een verpakking voor verkoop in het klein.

-een artikel van doorzichtig kunststof in de vorm van een hoofdje met gezicht, voorzien van zwarte kraaloogjes, rode neus, roze wangen en mond, als ijsfiguur met een door glitters glimmend sjaaltje van kunststof. De neus op het hoofdje heeft de vorm van een pegeltje en is rood aangestipt. Op het hoofdje zit een matte muts of hoed waardoorheen een oogje is gegoten. Door dit oogje is een goudkleurig ophangdraadje in de vorm van een lusje bevestigd. Aan de onderzijde van het hoofdje is ook een oogje aanwezig met daaraan bevestigd een heldere kunststof kristal in de vorm van een bolletje of een prismavormpje. De lengte van het artikel is ca. 5 cm, de doorsnede ca. 2,4 cm en het artikel weegt ca. 12 gram. Het geheel wordt aangeboden in een verpakking van drie stuks, voor verkoop in het klein."

Volgens elk van de bindende tariefinlichtingen moeten de artikelen worden ingedeeld onder post 3926 40 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN). Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de verstrekte bindende tariefinlichtingen met het betoog dat de artikelen moeten worden ingedeeld onder post 9505 10 van de GN.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat goederen slechts dan onder post 9505 10 van de GN kunnen worden ingedeeld, indien zij door hun eigenschappen en kenmerken gewoonlijk in de kerstperiode worden gebruikt. De vier soorten artikelen ontberen naar 's Hofs oordeel de objectieve kenmerken en eigenschappen van kerstfeestartikelen. Het gaat, aldus het Hof, om algemene decoratieartikelen zonder specifieke verwijzing naar het kerstfeest, waaraan niet afdoet dat deze, doordat zij sneeuw- en ijsblokmannetjes uitbeelden, gewoonlijk worden gebruikt in de winterperiode.

3.3. De middelen I en II betogen onder meer dat onjuist, althans onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat de artikelen moeten worden ingedeeld onder post 3926 40 van de GN, aangezien het gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de artikelen onmiskenbaar om (kerst)feestartikelen gaat in de zin van post 9505 10 de GN.

3.4.1. Onder post 9505 van de GN worden ingedeeld:

'Feestartikelen, carnavalsartikelen en andere ontspanningsartikelen, benodigdheden voor het goochelen en fop- en schertsartikelen daaronder begrepen'

De onderverdeling 9505 10 van deze post betreft 'kerstfeestartikelen' en onderverdeling 9505 90 de overige onder de post vallende artikelen.

De toelichting van de Internationale Douaneraad op deze post onderscheidt niet uitdrukkelijk kerstfeestartikelen van feestartikelen in algemene zin. Onder meer wordt - in Nederlandse vertaling - het volgende vermeld:

"Deze post omvat de hierna genoemde groepen van producten.

A. Feestartikelen, carnavalsartikelen en andere ontspanningsartikelen, die in verband met hun gebruik, veelal van eenvoudige en weinig sterke makelij zijn.

Van deze artikelen kunnen worden genoemd:

1. feestversieringsartikelen voor het versieren van kamers, tafels, enz. (guirlandes, lantaarns, enz.); artikelen voor kerstboomversiering (engelenhaar, gekleurde kerstballen, dierfiguren, nabootsingen van andere voorwerpen, enz.); [...];

2. artikelen die gewoonlijk bij kerstfeesten worden gebruikt, in het bijzonder imitatiekerstbomen, kerstkribben, personages en dierfiguren voor kerstkribben,

engeltjes, kerstpistaches (knalbonbons), kerstkousen, kerstklompen en -blokken, kerstmannetjes, enz.;"

3.4.2. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kunnen goederen niet slechts als kerstfeestartikelen in de zin van post 9505 10 van de GN worden aangemerkt, indien de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan rechtstreeks en specifiek verband houden met het kerstfeest. Een meer verwijderd verband sluit goederen niet uit van indeling onder deze post, onder meer erop gelet dat volgens de hiervoor in 3.4.1 aangehaalde toelichting onder artikelen voor kerstboomversiering - welke onder het algemene begrip kerstfeestartikelen vallen - mede gerangschikt kunnen worden 'nabootsingen van andere voorwerpen' dan dierfiguren. Ook artikelen die winterfiguren (sneeuwmannen en dergelijke) uitbeelden en voorts, gelet op hun afmeting en de omstandigheid dat zij daartoe een voorziening hebben, geschikt zijn om zonder meer ter versiering bevestigd te worden in een kerstboom, kunnen mitsdien als kerstfeestversiering in de zin van post 9505 10 van de GN worden aangemerkt. De middelen slagen daarom in zoverre.

3.4.3. Gelet op het hiervoor in 3.4.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak en de stukken van het geding, alsmede de door belanghebbende overgelegde monsters laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de onderwerpelijke artikelen volgens de hiervoor in 3.4.2 vermelde rechtsregel moeten worden ingedeeld in postonderverdeling 9505 10 van de GN, nu deze artikelen winterfiguren uitbeelden, de artikelen aan de bovenzijde zijn voorzien van een oogje waarin een goud- of zilverkleurige draad in de vorm van een lus is bevestigd, en zij op grond van deze voorziening en hun afmeting geacht kunnen worden bestemd te zijn ter versiering van een kerstboom. De Inspecteur heeft mitsdien voor de artikelen ten onrechte een bindende tariefinlichting met vermelding van post 3926 40 van de GN verstrekt. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 428,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, P. Lourens, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2009.