Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI0456

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
08/01905
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI0456
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBARN:2008:BC8068, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.82 Wet IB 2001 (tekst 2005). Art. 11a Wet LB 1964 (tekst 2005). Behoort voordeel uit door ex-werkgever in 2005 ter beschikking gestelde auto tot loon voor de Wet IB 2001?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2554 met annotatie van Elbert
FutD 2009-2442 met annotatie van Fiscaal up to Date
BNB 2010/51
FED 2009/112
Belastingadvies 2010/1.8
V-N 2009/58.14

Uitspraak

Nr. 08/01905

13 november 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 26 maart 2008, nr. AWB 07/3045, betreffende een aan (de erfgenamen van) X, gewoond hebbende te Z, (hierna ook: erflater) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan (de erfgenamen van) X is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen door de erfgenamen van X (hierna: belanghebbenden) gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbenden hebben een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 30 maart 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. In verband met een ziekte ontving erflater sinds 2003 een WAO-uitkering. Voordien was hij als servicemonteur in dienstbetrekking werkzaam bij B BV.

3.1.2. In 2005 heeft B BV aan erflater gezien zijn staat van dienst bij het bedrijf en de ernst van zijn ziekte een personenauto ter beschikking gesteld voor privégebruik.

3.1.3. De cataloguswaarde van de auto bedroeg € 11.777. In 2005 is met de auto 3000 kilometer gereden voor privédoeleinden.

3.1.4. Bij het vaststellen van erflaters aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 heeft de Inspecteur een bedrag van € 2.591 (22 percent van € 11.777) tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend.

3.2. Voor de Rechtbank was primair in geschil of de Inspecteur terecht een voordeel ter zake van de door de voormalige werkgever ter beschikking gestelde auto tot het belastbare inkomen van erflater heeft gerekend. De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Zij heeft redengevend geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 3.82, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 (tekst 2005; hierna: de Wet IB 2001) is vereist dat de belastingplichtige aan wie een auto ter beschikking is gesteld, ten opzichte van degene die de auto ter beschikking stelt als werknemer kan worden aangemerkt. Dat werknemerschap ontbreekt naar het oordeel van de Rechtbank, omdat erflater in 2005 niet meer in dienstbetrekking stond tot B BV en het genot van de ter beschikking gestelde auto op grond van het bepaalde in artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2005; hierna: de Wet LB 1964) geen loon uit een vroegere dienstbetrekking vormt. Tegen dit oordeel richt zich het middel.

3.3.1. Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de wetgever met de invoering van artikel 3.82, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 geen inhoudelijke wijzigingen heeft beoogd ten opzichte van de situatie onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB 1964). Ingevolge artikel 22, lid 2, aanhef en letter b, van die wet bleef de bepaling van artikel 11a van de Wet LB 1964 voor de heffing van inkomstenbelasting buiten toepassing. Voor een geval als het onderhavige betekende dit dat het genot van de ter beschikking gestelde auto als loon uit vroegere dienstbetrekking tot het belastbare inkomen behoorde.

3.3.2. Ingevolge artikel 3.82, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 wordt tot het loon gerekend het voordeel dat de belastingplichtige heeft uit een hem als werknemer in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting ter beschikking gestelde auto. Ingevolge artikel 2, lid 1, van de Wet LB 1964 is een werknemer, voor zover hier van belang, de natuurlijke persoon die van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere dienstbetrekking. Onder 'loon' dient in dit verband overeenkomstig artikel 10 van die wet te worden verstaan: al hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Tot dit loon behoort ook het voordeel uit een ter beschikking gestelde auto.

De omstandigheid dat dit voordeel uitsluitend in de inhoudingssfeer buiten aanmerking wordt gelaten, ontneemt daaraan niet het karakter van loon dat als werknemer uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Dat strookt ook met de uitkomst onder de Wet IB 1964, zoals hiervoor onder 3.3.1 weergegeven, ten opzichte waarvan de regeling van artikel 3.82, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 geen inhoudelijke wijzigingen beoogde.

3.3.3. Het middel is in zoverre gegrond. Het behoeft voor het overige geen behandeling. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.4.1. De Rechtbank is niet toegekomen aan het subsidiaire geschilpunt, te weten tot welk bedrag het voordeel in aanmerking moet worden genomen.

3.4.2. Belanghebbenden verdedigen dat het voordeel op nihil moet worden gesteld omdat sprake is van een vrije vergoeding in de zin van artikel 15, aanhef en letter b, in verbinding met artikel 11, aanhef en lid 1, letter a, van de Wet LB 1964.

Deze stelling faalt. Het ter beschikking stellen van een personenauto voor privédoeleinden kan niet worden gerekend tot de in de eerstgenoemde bepaling bedoelde vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Dit is niet anders indien het privégebruik als gevolg van ziekte beperkt is gebleven tot 3000 kilometer.

3.4.3. Voorts stellen belanghebbenden dat de forfaitaire waarderingsregel van artikel 3.145 van de Wet IB 2001 niet van toepassing is omdat de personenauto uitsluitend voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, en niet "ook" voor privédoeleinden, zoals vereist volgens lid 1 van dat artikel.

Ook deze stelling faalt. Met de bewoordingen "ook voor privédoeleinden" bedoelt die bepaling uit te sluiten het ter beschikking stellen van een personenauto voor uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zakelijk gebruik. Dat geval doet zich hier niet voor.

3.5. De slotsom luidt dat de aanslag in stand moet blijven.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2009.