Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI0455

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
08/03361
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI0455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP; beëindiging van de schuldsaneringsregeling op voet van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F., maatstaf; verwijtbaarheid saniet.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 728
NJ 2009, 270
NJB 2009, 1219
JWB 2009/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2009

Eerste Kamer

08/03361

DV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker],

Zonder vaste woon- en/of verblijfplaats, voorheen wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J.C. Meijroos.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van 4 januari 2006 heeft de rechtbank Utrecht ten aanzien van [verzoeker] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

De bewindvoerder heeft een in 2006 gedaan verzoek tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat ter terechtzitting van 6 november 2006 door de rechtbank was behandeld, op 20 november 2006 ingetrokken. De rechtbank heeft een nieuw verzoek van de bewindvoerder om de toepassing van de schuldsanering ten aanzien van [verzoeker] te beëindigen behandeld ter terechtzitting van 14 mei 2008. Aanleiding voor het verzoek is, kort gezegd, dat [verzoeker] gevraagde stukken niet heeft overgelegd en zijn informatieverplichting jegens de bewindvoerder niet naar behoren is nagekomen.

De rechtbank heeft, na mondelinge behandeling, bij vonnis van 21 mei 2008 de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds beëindigd.

Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 31 juli 2008 heeft het hof, na mondelinge behandeling, het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 De bewindvoerder heeft het onderhavige verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling hierop doen steunen dat [verzoeker] naliet de bewindvoerder medische stukken te verschaffen die benodigd waren voor een beslissing tot verlenging van de aan [verzoeker], wegens diens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, in november 2006 voor vier maanden verleende gedeeltelijke ontheffing van de sollicitatieplicht, en de bewindvoerder evenmin informeerde over het aantal uren dat hij maandelijks werkzaamheden verricht. De rechtbank heeft het verzoek, met verwijzing naar art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F., op die grondslag toegewezen en heeft daarbij overwogen dat [verzoeker] op de terechtzitting van 6 november 2005 de medische stukken heeft toegezegd en geen verzoek tot verlenging van de ontheffing van de sollicitatieplicht heeft gedaan, ondanks dat hem de noodzaak daarvan was voorgehouden.

3.2 In hoger beroep heeft [verzoeker] aangevoerd dat hem ter zake van de niet-nakoming van de genoemde verplichtingen geen verwijt kan worden gemaakt. Hij betoogde dat hij analfabeet is en daardoor de brieven van de bewindvoerder niet heeft kunnen lezen, alsmede dat hij veel psychische klachten ondervindt van traumatische gebeurtenissen tijdens de oorlog in Irak, die hem beletten zijn financiën op orde te krijgen en dat hij daarvoor onder medische behandeling is. Ter terechtzitting heeft [verzoeker] deze door hem ondervonden problemen nader toegelicht en gewezen op de zeer ingrijpende gevolgen die beëindiging van de schuldsanering voor hem zou hebben. Het hof heeft geoordeeld dat ook in hoger beroep is gebleken dat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatie- en sollicitatieverplichting niet naar behoren is nagekomen, waarna het overwoog:

"Hoewel [verzoeker] aannemelijk heeft gemaakt dat het niet nakomen van zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen verband houdt met zijn ernstige psychische problemen, is het hof van oordeel dat hierdoor wel de uitvoering van de schuldsaneringsregeling ernstig wordt belemmerd. Nu een sociaal vangnet nog moet worden opgezet en er nog geen concreet behandelplan is opgesteld voor zijn psychische problemen, is thans ook niet te overzien of [verzoeker] binnen redelijke tijd wel in staat zal zijn om aan zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen."

en de beschikking van de rechtbank bekrachtigde.

3.3.1 Het middel - dat terecht tot uitgangspunt neemt dat (ook) het hof de beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft doen steunen op art. 350 lid 3, aanhef en onder c - klaagt in de eerste plaats dat het hof ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de door het hof vastgestelde omstandigheid dat [verzoeker] geen verwijt kan worden gemaakt van de niet-nakoming van zijn verplichtingen. Betoogd wordt dat voor toepassing van de onderhavige opheffingsgrond van verwijtbaarheid aan de zijde van de saniet sprake moet zijn. Het voegt daar een motiveringsklacht aan toe.

3.3.2 Als maatstaf voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de gronden, vermeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder c, heeft te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de daar genoemde gedragingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt (vgl. HR 4 november 2005, nr. R04/136, NJ 2006, 135). Mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en de voorganger daarvan, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4, 2.7 en 2.9, ligt hierin besloten dat voor toepassing van de bedoelde opheffingsgronden vereist is dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt.

3.3.3 Overwegende als hiervoor in 3.2 weergegeven, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Indien het ervan is uitgegaan dat voor opheffing van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, verwijtbaarheid niet vereist is, heeft het hof het hiervoor in 3.3.2 overwogene miskend. Indien het hof dat niet heeft miskend, maar van oordeel is geweest dat niet aannemelijk is dat het niet nakomen door de schuldenaar van zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen veroorzaakt wordt door zijn ernstige psychische problemen, is dat oordeel in het licht van de stukken van het geding onbegrijpelijk. Het middel, dat hierover klaagt, treft derhalve doel.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 31 juli 2008;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 juni 2009.