Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH7539

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
08/01844 Hs
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 484
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 maart 2009

Strafkamer

nr. 08/01844 Hs

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 24 september 2004, nummer 13/127389-03, ingediend door mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van onder meer de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, opleverende "de voortgezette handeling van: het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen, en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat met betrekking tot de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. Achtergrond van de aanvrage

Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat door het openbaar ministerie aan een groot aantal onherroepelijk veroordeelden bij brief een mededeling is gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is kennelijk naar aanleiding van een dergelijke mededeling ingediend.

4. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

4.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591).

4.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

4.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1. Het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd betreft de veroordeling van de aanvrager ter zake van onder meer de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, tezamen met anderen gepleegd op 7 september 2003 te Amsterdam en/of Almere. Voor de bewezenverklaringen wordt verwezen naar het aan het onderhavige arrest gehechte verkort vonnis.

5.2. De Rechtbank heeft volstaan met een verkort vonnis. Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken een proces-verbaal van een terechtzitting van de Rechtbank. Het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, bevat geen processen-verbaal die betrekking hebben op de resultaten van een gehouden geuridentificatieproef. Dat in de onderhavige zaak met betrekking tot de aanvrager een geuridentificatieproef heeft plaatsgevonden die van belang is voor de feiten 1 en 2, kan echter worden opgemaakt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 5 april 2004, waarin ten aanzien van de feiten 1 en 2 is vermeld:

- dat de raadsman van aanvrager heeft verklaard: "Ook is de geur van mijn cliënt herkend";

- dat de officier van justitie heeft verklaard: "De geurproef was positief ondanks dat de verdachte heeft verklaard niet in de auto te zijn geweest", en

- dat de aanvrager heeft verklaard: "Mijn geur is wel gevonden omdat wij er in zijn geluisd door [betrokkene 1]."

In de aanvrage wordt gesteld dat op 23 november 2003 een geuridentificatieproef is uitgevoerd door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], behorende tot de Dienst Levende Have van het Korps Landelijke Politiediensten, Afdeling Speurhonden (Nunspeet) en aldus onderdeel uitmakend van de gezamenlijke oefengroep hondengeleiders van de korpsen in Noord- en Oost-Nederland.

De Hoge Raad zal in het verband van de onderhavige aanvrage ervan uitgaan dat een geuridentificatieproef als onder 3 bedoeld heeft plaatsgevonden.

5.3. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 1 en 2 tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.

(i) Aangever [betrokkene 2], chauffeur van een regiodirecteur van de ABN-AMRO bank genaamd [betrokkene 3], heeft het volgende verklaard. Op 7 september 2003, omstreeks 22.45 uur bevond hij zich op de Nieuwe Spiegelstraat te Amsterdam in een personenauto, een blauwe BMW 525 voorzien van het kenteken [AA-00-BB], en was aan het wachten op zijn baas, [betrokkene 3]. Hij had het raam van het bestuurdersportier open en de portieren waren niet afgesloten. Omstreeks 23.15 uur hoorde hij dat iemand, die aan de bestuurderskant van de BMW stond tegen hem zei: "Ga naar achteren, Ga naar achteren." Hij zag en voelde dat de persoon naast de BMW een pistool door het raam stak en de loop van dit pistool tegen zijn lip hield. Tegelijkertijd hoorde hij dat twee personen de BMW instapten en dat ze op de achterbank plaats namen. Hij is vervolgens tussen de voorstoelen door op de achterbank gaan zitten. Hij voelde dat hij hierbij bij zijn colbert werd vastgepakt en in het midden op de achterbank werd getrokken. De mannen zeiden dat hij zijn hoofd naar beneden moest doen. Zij duwden hem hierbij naar beneden. Hij zag dat de man die even tevoren het pistool op hem gericht hield op de bestuurdersstoel ging zitten. In totaal zaten er drie vreemde mannen bij hem in de auto. Eén achter het stuur en twee aan weerszijden van hem op de achterbank. Hij had de sleutels nog in het contact zitten. Hij zag en hoorde dat de man op de bestuurdersstoel de BMW startte en dat hij wegreed. Hij moest naar beneden blijven kijken. Tijdens de rit werd hem, in de Nederlandse taal, gesommeerd om zijn zakken te legen. Hij deed dit. Hij haalde vier pasjes uit zijn linker vestzakje: een airmilespasje, een ANWB pasje, een creditcard en een bankpas van de ABN-AMRO. Hij moest de pasjes aan de man links naast hem geven. Ook gaf hij uit zijn linker binnen colbertzak zijn rijbewijs en kentekenbewijs van zijn privéauto. Uit zijn rechter broekzak haalde hij € 110,- en gaf die ook af. De mannen zeiden dat als hij meewerkte hij het er levend vanaf zou brengen. Hij zag en voelde dat de persoon die links van hem zat ook een pistool had. Hij voelde namelijk dat deze het pistool met de loop tegen zijn nek aanhield. Tijdens de rit spraken alle drie de mannen met elkaar in een andere taal. Hij herkende die taal als Surinaams of Antilliaans. Hij heeft dan ook het vermoeden dat deze mannen van Antilliaanse of Surinaamse afkomst zijn. Tussendoor hebben zij alleen Nederlands gesproken als zij tegen hem spraken. Na een rit van ongeveer drie kwartier werd hem het volgende verteld: "We gaan ergens pinnen. Geen rare dingen doen. Als je leven je lief is dan doe je geen rare dingen. Op het moment dat ze bij een pinautomaat waren, moest hij uitstappen. De bestuurder en de man die rechts van hem zat gingen met hem mee naar de pinautomaat. De man die links van hem zat, bleef in de auto zitten. Het was een klein stukje lopen van de auto naar de pinautomaat. De mannen zeiden dat hij op beide bankpasjes zoveel mogelijk moest gaan pinnen. Hij voldeed hieraan. Hij merkte dat beide mannen ongeveer twee stappen achter hem gingen staan. Hij kon maximaal vierhonderd euro pinnen op zijn creditcard en heeft dit ook gedaan. Toen het geld uit de automaat kwam hoorde hij dat de man achter hem zei: "Het geld aan mij geven en niet omdraaien. En daarna het andere pasje." Hij deed wat hem gezegd was en gaf de vierhonderd euro door naar achteren. Van het ABN-AMRO bankpasje heeft hij het maximale bedrag van € 250,- gepind. Dit bedrag gaf hij ook naar achteren door aan de man. Hierna zeiden de mannen: "Ga nu weer naar de auto, ga achterin zitten en ga weer voorovergebogen achterin zitten." De twee mannen namen ook weer plaats in de auto op dezelfde plaats en de auto ging weer rijden. Na ongeveer drie kwartier kreeg hij een sjaal over zijn gezicht heen gebonden van de persoon rechts van hem. Hij hoorde dat de persoon rechts van hem zei: "Doe je schoenen en je sokken uit." Hij voldeed hieraan en niet lang hierna moest hij uit de auto stappen. Ze zeiden hem dat hij op de grond moest liggen. Dit deed hij. Vervolgens voelde hij dat de blinddoek van zijn gezicht werd getrokken, waarop de BMW met de drie mannen wegreed. Hij bleef achter op blote voeten. Hij is op blote voeten gaan lopen tot hij bij de bebouwde kom uitkwam en heeft bij een woning aangebeld, waarna de bewoners voor hem de politie hebben gebeld. Deze woning was gelegen te [plaats]. (Proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2003058619-1, pagina's 1-8;

(ii) Aangever [betrokkene 3], regiodirecteur van de ABN-AMRO bank, heeft het volgende verklaard. Op 8 september 2003 omstreeks 01.00 uur werd hij gebeld door een medewerker van de bank, genaamd [betrokkene 2]. Deze deelde mee dat hij zojuist gegijzeld was geweest en dat hierbij zijn, [betrokkene 3]s, personenauto, waarin [betrokkene 2] reed, was weggenomen. In deze personenauto lag een koffer van hem, [betrokkene 3], met daarin onder meer schriftelijke stukken voorzien van het ABN-AMRO logo, bankafschriften en toegangspassen voor ABN-AMRO bankkantoren. (Proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2003058619-2, pagina's 1-4; proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2003233948-1, pagina's 1-2).

(iii) De verbalisant [verbalisant 3] heeft het volgende gerelateerd. Op 5 september 2003 heeft [betrokkene 1] als getuige verklaard dat hij een jongen kent genaamd [betrokkene 4], wiens bijnaam [betrokkene 4] is, en dat hij weet heeft van een op handen zijnde overval op een belwinkel, die zou moeten worden gepleegd door [betrokkene 4], een man genaamd [aanvrager], hijzelf en een onbekende man en waarbij vuurwapens zouden worden gebruikt. Uit eerdere onderzoeken bleek van het bestaan van een Surinaams/Antilliaanse dadergroep, waartoe onder meer behoorden: de aanvrager, [betrokkene 5] en [betrokkene 4]. Op 9 september 2003 was er telefonisch contact tussen [betrokkene 1] en verbalisant [verbalisant 4]. [Betrokkene 1] deelde mede dat er een gestolen BMW zou staan op de Rode Kruislaan te Diemen. Hierop is onderzoek ingesteld en werd op een parkeerplaats van de Rode Kruislaan te Diemen een blauwe BMW 525d, voorzien van kenteken [AA-00-BB], aangetroffen. De aangetroffen BMW is omstreeks 15.00 uur door de politie afgevoerd naar de technische recherche. Omstreeks 16.30 uur is door verbalisanten gezien dat twee negroïde mannen, van wie een werd herkend als zijnde [betrokkene 5], liepen naar de plaats waar de BMW had gestaan. (Nota aanhouding buiten heterdaad en huiszoeking, pagina's 1-4).

(iv) De verbalisant [verbalisant 3] heeft voorts het volgende gerelateerd. Uit onderzoek bleek dat de aanvrager de bijnamen [aanvrager] en [aanvrager] heeft en dat [betrokkene 4] de bijnaam [betrokkene 4] heeft. Telefoongesprekken gevoerd met en vanuit de telefoonaansluiting die bij deze [betrokkene 4] in gebruik is zijn afgeluisterd. Daaruit bleek dat [betrokkene 4] contacten onderhield met onder anderen de aanvrager, met [betrokkene 5], bijgenaamd [betrokkene 5], en met [betrokkene 6]. Ook gesprekken over telefoonaansluitingen van de aanvrager, [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zijn afgeluisterd.

Op 9 september 2003 om 14.41 uur voert [betrokkene 4] een gesprek met [betrokkene 5]. In dit tapgesprek geeft [betrokkene 5] aan dat hij naar 'Diemie' (fon.) moet gaan. (Met "Diemie" wordt naar alle waarschijnlijkheid Diemen bedoeld, zijnde de plaats waar de gestolen BMW 525 was aangetroffen).

Op 10 september 2003 om 14.34 uur wordt door een man die zich valselijk uitgeeft voor [betrokkene 3], gebeld naar het call-center van de ABN-AMRO bank. Hij zegt zijn toegangscode kwijt te zijn. De telefoniste zegt de toegangscode te blokkeren en een nieuwe aan te vragen. Vervolgens wil de man de nieuwe toegangscode naar een ander adres dan in het systeem staat laten sturen omdat hij verblijft in [plaats]. De telefoniste zegt dat dit niet mogelijk is vanwege de veiligheid.

Op 10 september 2003 om 15.51 uur belt de aanvrager naar [betrokkene 6]. Hij vraagt wat voor bank [betrokkene 6] heeft. [Betrokkene 6] zegt: "Ik heb het al gedaan." De aanvrager zegt: "Niet dat, wat die [betrokkene 4] doet, maar ik bedoel iets anders, welke bank heb jij, ABN-AMRO toch?" [Betrokkene 6] zegt: "Nee, Fortis." De aanvrager zegt: "Ik heb ABN-AMRO nodig. Ik heb ABN-AMRO nodig. Heb jij niemand die ABN-AMRO hebt?" [Betrokkene 6] zegt: "Ik ga voor je kijken." De aanvrager zegt: "Nee, ik heb het nu nodig en dan hebben we nu geld." [Betrokkene 6] zegt: "Ik denk niet dat ik zo snel iemand ga vinden. De aanvrager zegt: "Ze hoeft het ding niet te geven aan me hoor. Ik wou alleen d'r rekeningnummer, dat is alles." De aanvrager wil het hebben voor de bank sluit. [Betrokkene 6] gaat kijken.

Om 15.58 uur belt de aanvrager weer met [betrokkene 6] en zegt: "Vraag aan die vriendin of ze ook overschrijvingspapieren heeft van haar zelf." [Betrokkene 6] vraagt: "Welke vriendin? Dan moet ik naar haar huis gaan. De aanvrager zegt: "Ga naar haar huis snel, dan hebben we vandaag geld, dan hebben we vandaag geld." [Betrokkene 6] zegt: "Oké, bel me binnen drie kwartier."

Om 16.09 uur belt de aanvrager met [betrokkene 6] en vraagt waar ze is. [Betrokkene 6] zegt dat ze thuis is. De aanvrager vraagt hoever dat meisje woont. [Betrokkene 6] zegt in [plaats]. De aanvrager zegt: "Je moet er goed uitleggen, die dingen, wat je aan [betrokkene 4] heeft gegeven, nu gewoon bij mij. Zij krijgt het ook terug. Ik wil iets met haar afspreken. Wanneer je daar bent, ga ik zelf met haar praten." [Betrokkene 6] zegt: "Is goed." De aanvrager zegt: "Je moet snel doen. Dit gaat snel he, dan hebben we morgen gelijk vijftienduizend. Ik maak geen grapjes, dus doe snel ja." [Betrokkene 6] zegt: "Oké, is goed."

Op 10 september 2003 om 19.32 uur belt een zekere [betrokkene 7] naar de gsm van [betrokkene 5]. Een meisje genaamd [betrokkene 8] neemt op en zegt: "Je belt privé. Ik ben thuis hoor." Op de achtergrond is de stem van [betrokkene 5] te herkennen, kennelijk in gesprek met de aanvrager. [Betrokkene 5] zegt: "want hij heeft die kanker 5-serie, daarom gaat hij niet". (Nota aanhouding buiten heterdaad en huiszoeking, pagina's 4-8, met bijgevoegd processen-verbaal van de desbetreffende tapgesprekken).

(v) Het proces-verbaal van verhoor van getuige van de Rechter-Commissaris van 10 juni 2004 houdt als verklaring van [betrokkene 1] het volgende in. Hij heeft voor het eerst over de carjacking gehoord op de avond dat het gebeurd was. Dat hoorde hij via een telefoongesprek dat [betrokkene 4] voerde. Deze kreeg namelijk een telefoontje dat het was gebeurd. [Betrokkene 4] zei hem zoiets als dat het feit was gepleegd en dat er iets in [plaats] was. De dag daarna is er uitgebreider over gesproken. Hij heeft toen gesproken met de aanvrager. Deze vertelde wat er gebeurd was. Hij heeft te horen gekregen dat er iemand uit de stad was meegenomen, dat er een rit was gemaakt met die persoon en dat er van die persoon spullen waren gepakt. Hij vermoedt dat de aanvrager, [betrokkene 5] en een jongen die jullie niet hebben gevonden en van wie de bijnaam [...] is, dit gedaan hebben. Nadat hem is voorgehouden dat hij bij de politie heeft gezegd dat zij er zeker bij betrokken waren, zegt hij niet van die verklaring af te stappen. Hij blijft bij die eerdere verklaring, maar zegt nu na negen maanden dat hij het vermoedt. Toen zat het nog allemaal vers in zijn geheugen. Hij denkt dat de aanvrager erbij betrokken was omdat deze dat telefoontje pleegde aan [betrokkene 4]. Hij is, waarschijnlijk de dag na de carjacking, naar de aanvrager gegaan. De aanvrager woonde toen bij zijn nicht. In die woning was de aanvrager. (Proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, pagina's 1-4).

(vi) Het proces-verbaal van verhoor van getuige van de Rechter-Commissaris van 15 juni 2004 houdt als verklaring van [betrokkene 9] het volgende in. Hem zegt de zaak waarbij een man is meegenomen met een BMW en geweld is gebruikt wel iets. Hij heeft daarover gehoord toen hij bij [betrokkene 10], de nicht van de aanvrager was. De aanvrager was daar. [Betrokkene 11] was daar toen. Deze had een koffer bij zich en heeft iets gezegd over een man van de ABN-AMRO, over een BMW en dat hij die auto wou kwijtraken. De aanvrager zei toen nog dat hij misschien wel een klant had voor de BMW. [Betrokkene 11] en de aanvrager keken samen in de koffer en [betrokkene 11] heeft papieren aangewezen aan de aanvrager. (Proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, pagina's 1-3).

(vii) Het proces-verbaal van verhoor van getuige van de Rechter-Commissaris van 14 juni 2004 houdt als verklaring van [betrokkene 5] het volgende in. Hij kent de aanvrager en [betrokkene 4]. (Proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, pagina's 1-2).

5.4. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken kan met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid dat, ook zonder een resultaat van een geuridentificatieproef betreffende de aanvrager in aanmerking te nemen, de aanvrager een van de personen is geweest die de onder 1 en 2 tenlastgelegde feiten heeft gepleegd. Daarbij wordt betrokken dat in de aanvrage geen omstandigheden van feitelijke aard zijn aangevoerd die het ernstige vermoeden wekken dat de Rechtbank, ware zij daarmee bekend geweest, voor de onder 5.3 geschetste bemoeienissen van de aanvrager met de gestolen BMW en het verkrijgen van geld van rekeningen van de ABN-AMRO bank een andere verklaring zou hebben aangenomen dan een die inhoudt dat uit die bemoeienissen moet worden afgeleid dat de aanvrager in nauwe samenwerking met anderen die bewezenverklaarde feiten heeft begaan.

5.5. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, doet zich niet het hiervoor onder 4.3 bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Rechtbank de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken of voor een minder zware strafbepaling zou hebben veroordeeld.

De aanvrage is dus kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen.

6. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 24 maart 2009.