Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH6533

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
07/11712
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH6533
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Schadevergoeding bij overlijden als bedoeld in art. 6:108 lid 1, aanhef en onder d, BW; kostenvergoeding huishoudelijk hulp; abstracte schadeberekening; uitwerking van HR 11 juli 2008, nr. C07/010, RvdW 2008, 724.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/155 met annotatie van R.M.J.T. van Dort onder «JA» 2007/53
RvdW 2009, 740
RAV 2009, 83
VR 2009, 109
NJB 2009, 1213
JWB 2009/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2009

Eerste Kamer

07/11712

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Franke,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerder] heeft bij exploot van 5 december 2003 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Dordrecht en onder meer gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen tot vergoeding aan [verweerder] van de schade wegens gederfd levensonderhoud, primair ad € 38.759,-- en subsidiair ad € 37.337,50 te verminderen met de van de zijde van [eiser] betaalde bedragen, en te vermeerderen met rente en kosten.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 22 augustus 2004 [eiser] veroordeeld aan [verweerder] een bedrag van € 36.288,13 te betalen, te vermeerderen met rente en kosten.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 24 april 2007 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 27.053,60, te vermeerderen met rente en kosten. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 26 maart 2009 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Als gevolg van een aanrijding tussen [eiser] en de echtgenote van [verweerder], is laatstgenoemde op 23 maart 2000 overleden.

(ii) [Betrokkene 1] verzorgde tot haar overlijden de gemeenschappelijke huishouding van haar en [verweerder] door het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden, het doen van klussen en klusjes rondom het huis, het verzorgen van de administratie en andere taken die in een huishouding moeten worden verricht.

3.2.1 [Verweerder] heeft onder meer gevorderd vergoeding van schade doordat na het overlijden van zijn echtgenote op andere wijze in de gang van de huishouding moet worden voorzien, als bedoeld in art. 6:108 lid 1, aanhef en onder d, BW.

3.2.2 De rechtbank heeft dit onderdeel van de vordering toegewezen tot een bedrag van € 30.924,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, waartoe zij onder meer overwoog:

"18. Door [verweerder] is onbetwist gesteld dat hij een jaarlijks bedrag ad € 2.477,-- besteedt aan huishoudelijke hulp voor werkzaamheden welke voorheen door zijn echtgenote werden verricht. Deze kosten voor huishoudelijke hulp, die gebaseerd zijn op 8 uur per week en neerkomen op nog geen € 50,-- per week, komen redelijk voor. (...) Dat geldt ook voor het, niet betwiste, bedrag ad € 100,-- ter vergoeding van de hulp door de overbuurvrouw. Dit betekent dat [verweerder] over de, door [eiser] niet betwiste, periode van 2000 tot en met zijn 65e levensjaar (2012) aanspraak kan maken op een bedrag van (12 x (€ 2.477,-- + € 100,--) =) € 30.924,--."

3.2.3 In hoger beroep is [eiser] tegen de toewijzing van deze schadepost met grieven 1 en 2 opgekomen. Daarin betoogde [eiser], kort samengevat, dat de rechtbank de gehele financiële positie van [verweerder] in aanmerking had moeten nemen, alsmede dat [verweerder] niet behoeftig is en een (aanzienlijk) overschot van (ten minste) ƒ 40.000,-- kan besteden aan variabele lasten, waaronder begrepen huishoudelijke lasten.

3.2.4Het hof heeft de grieven verworpen, daartoe overwegende (rov. 6):

"Dit betoog faalt, omdat het berust op de onjuiste veronderstelling dat [verweerder] alleen recht zou hebben op vergoeding van kosten voor het inroepen van professionele huishoudelijke hulp indien hij redelijkerwijs niet voldoende in staat zou zijn om (in financiële zin) in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Uit de tekst en de parlementaire geschiedenis van artikel 6:108 lid 1 sub d BW kan naar het oordeel van het hof echter niet worden afgeleid dat het recht op vergoeding van die huishoudelijke hulp afhankelijk is van (of wordt begrensd door) het bestaan van financiële behoeftigheid van [verweerder] als nabestaande. Voor het ontstaan van een recht op schadevergoeding op grond van deze bepaling is, daarentegen, voldoende dat [verweerder] door het overlijden van zijn echtgenote, die (althans voor het overgrote deel) de huishouding verrichtte, daadwerkelijk behoefte heeft gekregen aan vervangende professionele huishoudelijke hulp. De omvang van deze schadevergoeding wordt slechts bepaald door de mate waarin na het overlijden van de echtgenote op andere wijze in de gang van de gemeenschappelijke huishouding moet worden voorzien."

3.3 Middel I komt tegen deze overweging op. Voor zover het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat een vordering tot vergoeding van een schadepost als hier aan de orde slechts toewijsbaar is in geval van behoeftigheid van de eisende partij, is het gegrond. Immers, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2008, nr. C07/010, LJN BC9365, heeft geoordeeld, geldt de in de aanhef van art. 6:108 BW besloten beperking dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat voor zover de nabestaande, kort gezegd, gelet op alle omstandigheden van het geval ondanks zijn schade niet als behoeftig kan worden aangemerkt, ook voor het in lid 1, onder d, omschreven geval waarin de overledene in het levensonderhoud bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

3.4 Middel II is gericht tegen rov. 7 van het bestreden arrest, die als volgt luidt:

"Bij de begroting van de onderhavige schade gaat het anders dan [eiser] meent, overigens niet om zogeheten concrete schadevergoeding. Voor de vraag of de nabestaande schade lijdt in de zin van artikel 6:108 lid 1 sub d BW is namelijk niet beslissend of hij daadwerkelijk kosten maakt, maar of het inroepen van vervangende hulp als zodanig (in redelijkheid) noodzakelijk is (zie HR 16 december 2005, LJN AU6089)."

Alle drie de onderdelen van het middel strekken ertoe dat de schade van de nabestaande concreet moet worden berekend en dat het hof ten onrechte voor een andere berekeningsgrondslag heeft gekozen.

3.5 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zoals uit de hiervoor in 3.2.2 geciteerde rov. 18 van het vonnis van de rechtbank blijkt, is de rechtbank bij de berekening van de kosten van de huishoudelijke hulp die [verweerder] na het ongeluk heeft moeten inroepen, uitgegaan van de daadwerkelijk door [verweerder] daarvoor bestede bedragen. Nu [eiser] die bedragen niet heeft bestreden, bevat rov. 7 van het bestreden arrest slechts een overweging ten overvloede.

3.6 Middel III is gericht tegen het oordeel van het hof over de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke kosten. Omdat dit voortbouwt op de door de eerste twee middelen bestreden oordelen, brengt het slagen van middel I mee dat ook middel III doel treft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 april 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 962,03 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 juni 2009.