Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH6477

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
43902
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH6477
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ongemotiveerde uitspraak op een verzet; strijd met artikel 8:77, lid 1, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1430 met annotatie van Okhuizen
AB 2009, 246 met annotatie van Redactie
BNB 2009/223 met annotatie van B.J. van Ettekoven
V-N 2009/29.7 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1236 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.902

12 juni 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 17 januari 2007, nr. AWB 05/1217, op het verzet tegen een uitspraak betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, tegen welke aanslag bezwaar is gemaakt bij een door A (hierna: A) ingediend bezwaarschrift. De Inspecteur heeft bij uitspraak het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

Het bij een door A ingediend beroepschrift tegen die uitspraak ingestelde beroep is door de Rechtbank na toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

A heeft, volgens haar stelling: namens belanghebbende, tegen laatstbedoelde uitspraak verzet gedaan.

Bij haar in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het verzet gegrond verklaard. Die uitspraak is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op

5 maart 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en verwijzing van het geding.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank artikel 8:77, leden 1 en 2, van de Awb heeft geschonden door in haar uitspraak niet de gronden van de beslissing op het verzet te vermelden.

3.2. Ingevolge artikel 8:77, lid 1, letter b, van de Awb dient de schriftelijke uitspraak de gronden van de beslissing te vermelden. Artikel 8:77 maakt deel uit van afdeling 8.2.6 van de Awb. Blijkens de systematiek van hoofdstuk 8 van de Awb, zoals deze - onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb - is uiteengezet in de onderdelen

5.5.1 en 5.5.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is afdeling 8.2.6 van deze wet ook van toepassing op de uitspraak waarbij het beroep op de voet van afdeling 8.2.4 vereenvoudigd wordt afgedaan, en op de uitspraak op verzet als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb. De schriftelijke uitspraak op een verzet moet derhalve ingevolge artikel 8:77, lid 1, letter b, van de Awb worden gemotiveerd.

3.3. De in cassatie bestreden uitspraak vermeldt het standpunt van A en de reactie daarop van de Inspecteur, alsmede de beslissing van de Rechtbank, echter niet de gronden van die beslissing. Die uitspraak is daarom in strijd met artikel 8:77, lid 1, van de Awb. Het middel slaagt mitsdien. De uitspraak op het verzet kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe beslissing op het verzet.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet, en

verwijst het geding naar de Rechtbank te Breda ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2009.