Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH6426

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
43472
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.145, lid 9, en 3.7, lid 1, onderdeel b, Wet IB 2001 (tekst 2002). Regelmatig woon-werkverkeer. Zich begeven naar een werkkamer in de woning is geen 'reizen'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/133
V-N 2009/14.20 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0596
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 43.472

20 maart 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 oktober 2006, nr. 04/01244, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende woonde in 2002 in Z. Hij was in dat jaar in dienstbetrekking werkzaam bij een in Q gevestigde werkgever. Hem was door de werkgever een auto ter beschikking gesteld. Blijkens een sluitende kilometeradministratie heeft belanghebbende daarmee in 2002 minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden gereden.

3.1.2. Belanghebbende beschikte in 2002 thuis over een werkkamer met tele- en thuiswerkvoorzieningen. Daarin begon hij elke werkdag met zijn werkzaamheden. Vervolgens bezocht hij klanten in het land of reisde hij naar Q waar hij in het bedrijf van zijn werkgever over een flexibele werkplek beschikte. In 2002 heeft hij met de auto 158 maal tussen Z en Q gereisd, enkelereisafstand 127 kilometer.

3.1.3. Bij zijn aangifte voor het jaar 2002 heeft belanghebbende geen voordeel wegens privégebruik van de auto tot zijn inkomen uit werk en woning gerekend. De Inspecteur heeft het bepaalde in artikel 3.145, lid 9, van de Wet IB 2001 (tekst 2002; hierna: de Wet) toegepast. In verband met het regelmatig woon-werkverkeer tussen Z en Q heeft hij 5500 kilometer aan privégebruik toegerekend. Dientengevolge is 15% van de waarde van de auto bijgeteld.

3.2. Tussen partijen was voor het Hof uitsluitend in geschil of voor de toepassing van voormelde bepaling sprake is van regelmatig woon-werkverkeer tussen de woning en de arbeidsplaats in die woning. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartegen keert zich het middel.

3.3. Het begrip regelmatig woon-werkverkeer is voor de toepassing van het onderhavige artikel gedefinieerd in artikel 3.7 van de Wet als:

het ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd.

Onder 'reizen' in de hier bedoelde zin kan niet worden verstaan het zich begeven naar een in de woning gelegen werkruimte (vgl. HR 21 oktober 1987, nr. 24885, V-N 1988, blz. 2854). Van regelmatig woon-werkverkeer tussen de woning en de werkkamer in de woning van belanghebbende in 2002 was daarom geen sprake. Het middel komt derhalve terecht op tegen 's Hofs andersluidende oordeel.

3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2009.