Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH5729

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
07/11955 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH5729
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Toerekening voordeel aan verschillende daders. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BG1667. In de hoofdzaak is bewezenverklaard dat betrokkene de hennepkwekerij tezamen met (een) ander(en) aanwezig heeft gehad. Gelet daarop vormt de enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat betrokkene geen inzicht heeft willen geven met wie hij de hennepkwekerij voorhanden heeft gehad en hoe de verdeling van de opbrengst is geweest, onvoldoende grond voor ’s Hofs oordeel dat het gehele bedrag van het wederechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene moet worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 264
RvdW 2009, 704
JOW 2010, 8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 mei 2009

Strafkamer

nr. 07/11955 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 16 mei 2007, nummer 21/003272-06, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend.

2.2. Het Hof heeft in hoger beroep in de hoofdzaak ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 26 januari 2006 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1]) een hoeveelheid van in totaal ongeveer 1462 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.3. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 16 mei 2007 (parketnummer 21-003074-06) ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Aan de inhoud van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 06-013857, gedateerd 27 januari 2006 en opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ontleent het hof de schatting van het verkregen voordeel door het aanwezig hebben van de aan de orde zijnde hennepkwekerij op een bedrag van € 58.863,93, afgerond € 58.000,00 (achtenvijftigduizend euro). Nu veroordeelde geen inzicht heeft willen geven met wie hij de hennepkwekerij voorhanden heeft gehad en hoe de verdeling van de opbrengst is geweest, is het hof van oordeel dat het gehele bedrag aan veroordeelde dient te worden toegewezen (de Hoge Raad leest: toegerekend). (...) Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag. (...)

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 58.000,00 (achtenvijftigduizend euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 58.000,00 (achtenvijftigduizend euro)."

2.4. Vooropgesteld moet worden dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. Dat betekent niet dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en evenmin dat pondspondsgewijze toerekening, in geval de rechter wel tot een verdeling komt, dan op zichzelf het uitgangspunt dient te vormen. De omstandigheden van het geval zijn in deze beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene (vgl. HR 9 december 2008, LJN BG1667, NJ 2009, 19).

2.5. In de hoofdzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene de hennepkwekerij tezamen en in vereniging met een ander of anderen aanwezig heeft gehad. Gelet daarop vormt de enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de betrokkene geen inzicht heeft willen geven met wie hij de hennepkwekerij voorhanden heeft gehad en hoe de verdeling van de opbrengst is geweest, onvoldoende grond voor 's Hofs oordeel dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene moet worden toegerekend. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem,

opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 mei 2009.