Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH5705

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
07/11703
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH5705
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van poging tot oplichting. Bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen kan (o.m.) worden afgeleid dat verdachte samen met drie andere vrouwen naar het theorie-examencentrum van het CBR te Apeldoorn is gebracht om het theorie-examen af te leggen. Onderweg is uitgelegd dat de vrouwen vooraf een sigarettenpakje zouden krijgen met daarin een ontvanger waarmee codes voor verschillende antwoordmogelijkheden ontvangen konden worden en is de werking van de ontvanger uitgelegd. Verdachte en de vrouwen hebben zich bij aankomst bij het CBR als kandidaten voor het theorie-examen laten aanmelden en zij hebben vervolgens deelgenomen aan het examen. HR: Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat het hiervoor genoemde samenstel van gedragingen, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bezien, kan worden aangemerkt als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen een medewerker van het CBR te bewegen tot de afgifte van een theoriecertificaat en dat verdachte door haar aanmelding voor het examen heeft gehandeld ter uitvoering van dat misdrijf is onjuist, noch onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 634
NJ 2009, 237
NJB 2009, 1157
NBSTRAF 2009/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 mei 2009

Strafkamer

nr. 07/11703

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 mei 2007, nummer 21/003397-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. Mr. B.P. de Boer, voornoemd, heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 1 november 2005 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en haar mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen een medewerker van het Centraal Buro Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) (theorie-examencentrum Apeldoorn) te bewegen tot de afgifte van een theoriecertificaat, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk

- zich heeft aangemeld bij een theorie-examencentrum van het CBR om theorie-examen te doen

- vooraf afspraken heeft gemaakt over codes voor de verschillende antwoordmogelijkheden en

- een ontvanger bij zich heeft gestopt waarmee deze codes ontvangen kunnen worden en

- heeft plaatsgenomen in de examenzaal en heeft deelgenomen aan het examen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Sinds geruime tijd worden er door het Rijschool bemiddelingsbureau, gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats], theorie-examens aangevraagd. Dinsdag 1 november kwam er een groep examenkandidaten, van het Rijschool bemiddelingsbureau, bij het CBR in Apeldoorn. Er kwam een man bij ons aan de balie die zei dat hij van het Rijschool bemiddelingsbureau was en dat hij met vijf kandidaten was gekomen. Eén kandidaat zou zelf komen. Hij had ook nog vier reservekandidaten bij zich. De vier reservekandidaten konden om 10.30 uur geen examen doen.

Na het examen van 10.30 uur bleek dat alle zes kandidaten van de groep gezakt waren. De groep kon echter om 13.30 uur nogmaals examen doen. Ook hadden wij geregeld dat de vier reservekandidaten examen konden doen. Omdat ik dacht dat er iets niet goed zat, heb ik de politie gebeld die vervolgens 's middags 10 mensen uit de zaal haalde."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Vandaag heeft een collega van mij gevraagd of ik kandidaten naar het theorie examen wilde brengen. Dat vond plaats in Apeldoorn. Ik heb 4 personen in mijn auto meegenomen. We pikten die personen op bij het Amstel station in Amsterdam. In Apeldoorn zou [betrokkene 3] met die personen naar binnen gaan. Hij had een apparaatje dat ging trillen als hij een signaal daaraan gaf. Dit apparaatje zat in een pakje sigaretten.

Hij gaf die mensen vanmiddag een pakje voordat ze naar het examen gingen."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"De vrouwelijke persoon op foto 5 zat bij mij in de auto."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Toen wij in Apeldoorn aankwamen zag ik dat [betrokkene 3] aan de kandidaten een pakje Marlboro sigaretten gaf en dat ze toen naar binnen gingen. In deze pakjes sigaretten zaten apparaatjes die [betrokkene 3] kennelijk gebruikte om de goede antwoorden door te geven."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"[Betrokkene 2] heeft mij vanmorgen om 9 uur opgepikt in Amsterdam. [Betrokkene 2] reed als chauffeur in een grijze golf. Verder reden mee mijn vriendin, de andere Marokkaanse vrouw [verdachte], de andere vrouw [betrokkene 5] en die jongen met de witte bloes aan en de lange zwarte jas. Wij kwamen om 10.45 aan in Apeldoorn.

U vraagt mij naar een pakje sigaretten. Ik kan daarover het volgende verklaren. Vanmiddag ben ik na mijn aanhouding gefouilleerd door de politie. Ik pakte uit mijn beha een pakje met Marlboro erop. Dit is een sigarettenpakje met daarin een batterij. Dit pakje geeft een lekker gevoel. Ik bedoel daar mee dat het pakje kan trillen. [Betrokkene 2] heeft aan iedereen die naar binnen ging zo'n pakje gegeven.

In de auto, op weg naar Apeldoorn heeft hij ons verteld dat we in Apeldoorn een sigarettenpakje zouden krijgen. [Betrokkene 2] zei het volgende: Als we straks bij het examenbureau aankomen, geef ik jullie een sigarettenpakje zonder sigaretten. Hij vertelde dat daar een tril apparaat in zat. Hij vertelde ons dat de vrouwen dit apparaat in hun beha moesten stoppen. Dit apparaat was bedoeld om ons te helpen examen te doen.

[Betrokkene 2] vertelde dat het zo werkte. Er zal iemand bij het examen aanwezig zijn die ons de goede antwoorden door zou sturen. Eenmaal trillen is ja of a, tweemaal trillen is b of nee, en driemaal trillen is c.

Toen wij met z'n allen bij het CBR gebouw waren, kregen wij allemaal een sigarettendoosje. In de auto was al aan ons uitgelegd hoe dit apparaat werkt. Van te voren hebben wij de apparaten getest."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb op 1 november 2005 voor het eerst mijn theorie examen gedaan. Ik heb dit examen gedaan in Apeldoorn, bij het CBR. Ik ben in Apeldoorn terecht gekomen omdat ik afgelopen weekend ben gebeld door een vriendin van mij, zij heet [betrokkene 4]. We hadden omstreeks 08.00 uur afgesproken bij het station. Ik zag dat [betrokkene 4] naar mij toe kwam lopen en mij ophaalde zodat we met ons tweeën naar een auto liepen.

Toen ik bij de auto kwam zag ik die Marokkaanse vrouw in de auto zitten. Ik zag een man achter het stuur zitten. Dit was een man met een smal postuur. Ik zag ook dat er een man achterin de auto zat. De bestuurder was met hem in gesprek. Deze man stapte uit toen wij aan kwamen lopen. Omstreeks 10.00 uur arriveerden wij in Apeldoorn. In het CBR-kantoor moest ik mijn paspoort en andere documenten afgeven aan onze bestuurder en 30 euro aan hem geven. Hij regelde de reservering.

Omstreeks 12.30 uur zijn we examen gaan doen. U toont mij nu een aantal foto's. U vraagt mij of ik de mensen ken op de foto's.

Foto nr. 5: Dat ben ik zelf."

2.3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Samen met drie andere vrouwen is de verdachte in Amsterdam opgehaald om naar het theorie-examencentrum van het CBR te Apeldoorn te worden gebracht om het theorie-examen af te leggen. Onderweg in de auto is uitgelegd dat de vrouwen vooraf een sigarettenpakje zouden krijgen met daarin een ontvanger waarmee codes voor de verschillende antwoordmogelijkheden konden worden ontvangen. Voorts is de werking van de ontvanger uitgelegd en is aan ieder van de vrouwen een ontvanger overhandigd. De ontvangers zijn van tevoren getest. De verdachte en de andere vrouwen hebben zich, toen zij bij het examencentrum van het CBR waren aangekomen, als kandidaten voor het theorie-examen laten aanmelden. De verdachte heeft plaatsgenomen in de examenzaal en heeft deelgenomen aan het examen.

2.4. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat het hiervoor genoemde samenstel van gedragingen, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bezien, kan worden aangemerkt als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen een medewerker van het Centraal Buro Rijvaardigheidsbewijzen te bewegen tot de afgifte van een theoriecertificaat en dat de verdachte door haar aanmelding voor het examen heeft gehandeld ter uitvoering van dat misdrijf, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

2.5. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 12 mei 2009.