Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH5701

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
07/11394
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH5701
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. De HR verstaat het bestreden arrest aldus dat het Hof de voor feit 2 gegeven vrijspraak door de Pr heeft beschouwd als zijnde niet aan zijn oordeel onderworpen. Het Hof is tot een bewezenverklaring gekomen van feit 1. De HR overweegt dat mede in het licht van de t.z.v. het onder 2 tlg. gegeven vrijspraak en de partiële vrijspraak t.a.v. het onder 1 tenlastegelegde voor de bewezenverklaring bepaalde delen van de gebezigde bewijsmiddelen, zonder nadere doch ontbrekende motivering, niet redengevend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2009, 1156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 mei 2009

Strafkamer

nr. S 07/11394

EC/SM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 januari 2007, nummer 23/003800-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel voor zover het de daarbij opgelegde straf betreft, tot zodanige vermindering van die straf als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt over de bewijsvoering.

2.2. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:

"1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2000 tot en met 17 augustus 2005 te Amsterdam (telkens) opzettelijk mishandelend [het slachtoffer] (zijn, verdachtes, echtgenote) meermalen, althans eenmaal, (in het gezicht) heeft geslagen/gestompt en/of (tegen de benen) heeft geschopt/getrapt en/of aan de haren heeft getrokken en/of met haar hoofd tegen een deur heeft aangeslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. (...)

2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2000 tot en met 17 augustus 2005 te Amsterdam ter uitvoering van de/het door verdachte voorgenomen misdrij(f)(ven) om aan [het slachtoffer] (zijn, verdachtes, echtgenote) (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of die [slachtoffer], toen zij zes maanden zwanger was, (met kracht) in de buik heeft geschopt en/of een waterkoker (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft aangegooid, terwijl de uitvoering van die/dat voorgenomen misdrij(f)(ven) niet is voltooid; (...)

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2000 tot en met 17 augustus 2005 te Amsterdam (telkens) opzettelijk mishandelend [het slachtoffer] (zijn, verdachtes, echtgenote)

- bij de keel heeft gepakt en/of daarin (verwurgend) heeft geknepen en/of

- in de buik heeft geschopt en/of

- een waterkoker tegen het hoofd heeft gegooid,

waardoor voornoemde [slachtoffer] (telkens) letsel heeft bekomen en/of (telkens) pijn heeft ondervonden.

(...)."

2.3. De Politierechter heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De Hoge Raad verstaat het bestreden arrest aldus dat het Hof deze vrijspraak als niet aan zijn oordeel onderworpen heeft beschouwd. Wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde houdt de bestreden uitspraak het volgende in:

"Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2005 tot en met 30 juni 2005 te Amsterdam telkens opzettelijk mishandelend [het slachtoffer] zijn, verdachtes, echtgenote in het gezicht heeft geslagen en tegen het been heeft getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken."

2.4. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [het slachtoffer]:

"Ik doe aangifte van mishandeling gepleegd door mijn man in de periode van 29 januari 2000 en 17 augustus 2005.

Vanaf maart 2005 was [verdachte] weer bij mij en de kinderen in huis gekomen. Op een donderdag in mei kregen wij ruzie. Ik zat op de grond bij het raam. Ik was bang en in elkaar gekropen riep ik: 'ga alsjeblieft weg'. Ik was bang voor mijzelf, bang voor mijn dochtertje van 1,5 in mijn armen en mijn dochtertje van 2 die stond te huilen. Ik zag dat [verdachte] met de waterkoker boven mij stond. Ik zag dat [verdachte] de waterkoker hoog in de lucht bracht. Ik probeerde mijn dochter te beschermen door mijn armen om haar heen te slaan. Ik zag dat [verdachte] de waterkoker gooide in de richting van mijn hoofd. Ik voelde dat de waterkoker met een harde klap op mijn hoofd terecht kwam. Ik voelde de pijnscheut door mijn schedel gaan. Ik voelde de pijn in mijn hoofd. De waterkoker viel stuk op de verwarming. Ik voelde vervolgens dat [verdachte] aan mijn haren trok. Ik probeerde weerstand te bieden maar dat deed te veel pijn. Ik wilde mijn dochter niet loslaten maar de pijn was ondraaglijk en ik liet haar los. Ik zag dat [verdachte] blind van woede was en ik dacht laat hem die agressie maar op mij richten en niet op mijn kinderen. [Verdachte] sleurde mij dus mee de slaapkamer in en gooide mij daar op het bed. Ik schreeuwde en huilde en probeerde om hulp te roepen.

Op het bed voelde ik dat [verdachte] mij kennelijk opzettelijk met een vuist in mijn gezicht sloeg. Ik bleef maar schreeuwen. [Verdachte] kneep vervolgens mijn keel dicht. Ik kreeg geen adem en hapte naar lucht. Ik was bang dat [verdachte] mij van het leven zou beroven.

Een week later op vrijdagavond werd ik weer door [verdachte] door het huis heengeslagen, wederom naar aanleiding van een ruzie. Ik ben toen met het oudste kind de straat opgerend. Vervolgens heb ik bij de buren aangebeld en via tussenkomst van zijn zus mijn jongste kind opgehaald. Op zaterdag ben ik met mijn zus terug gegaan naar mijn woning om spullen op te halen voor mij en mijn kinderen. Toen ik de trap af wilde lopen naar beneden voelde ik dat ik aan mijn haren weer de woning werd in gesleurd, terwijl mijn zus voor de deur in de auto stond te wachten. Ik voelde dat [verdachte] met kracht aan mijn haren trok. In de woning werd ik over het bed gegooid en [verdachte] kwam boven op mij zitten en kneep mijn keel dicht. Om mijzelf te verdedigen krabde ik [verdachte] op zijn blote bovenlichaam waar ik maar kon. Hetgeen niet hielp want [verdachte] bleef mijn keel maar dicht knijpen. Op een gegeven moment liep [verdachte] weer weg.

Er ontstond vervolgens weer een woordenwisseling. [Verdachte] sloeg mij vervolgens met mijn hoofd tegen de deur van het toilet.

Het weekend erna gingen mijn zussen op vakantie. Op die zondagavond kreeg ik ruzie met [verdachte] over het feit dat hij met iemand via het internet contact onderhield. Ik liep met mijn jongste kind in mijn armen richting de computer, voordat ik het door had, voelde ik een harde klap op mijn linkeroog. Ik viel achterover op de bank en zakte onderuit. Ik voelde de pijn door mijn hoofd gaan. Ik voelde dat mijn oog opzwol en gloeide. Ik plaatste mijn kind in het kinderzitje en kwam even bij in de keuken. Later kwam mijn jongere broer mijn oudste dochter brengen. Mijn broer schrok van het feit dat ik een blauw oog had, maar ik wilde niet dat hij iets zou ondernemen anders zou het allemaal alleen maar erger worden.

De vrijdag erop kreeg ik weer ruzie met [verdachte] over de fiets van mijn zus. Omdat [verdachte] zijn zin had gezet op de fiets van mijn zus en ik dit bleef weigeren voelde ik dat hij mij kennelijk opzettelijk met kracht in mijn gezicht sloeg. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij een keer met de vlakke hand sloeg en een keer met zijn vuist. Ik voelde wederom pijn door mijn gezicht gaan. Ik voelde dat de rechterzijde van mijn gezicht opzwol.

De maandag erop ben ik voor het eerst naar mijn huisarts gegaan. Ik heb mijn huisarts kort verteld wat er gaande is. De huisarts heeft mijn letsel bekeken en voor mij een letselbrief geschreven."

b. een schriftelijke verklaring van J. Mehrtens, huisarts, van 20 juni 2006 inhoudende:

"Betreft: [het slachtoffer], geb. datum [...], geslacht V

[a-straat 1]

[plaats A] tel. [...]

Bovengenoemd persoon zag ik heden op het spreekuur in verband met mishandeling, zie onder journaal:

Journaal

20-05-2005 C.

Patiënte vertelt dat ze mishandeld wordt door vriend sinds begin relatie: 5 jaar geleden. Ze wordt regelmatig geschopt en geslagen. Afgelopen 1,5 maand wordt ze wekelijks door hem mishandeld (fysieke en psychisch, niet seksueel). 17/6 heeft hij haar uit huis gezet en bedreigt mocht ze erover denken om weer terug te komen. De 2 kinderen van 3 en 1,5 jaar oud verblijven momenteel bij moeder van patiënte. Patiënte 17/6 op re oog geslagen en 3 wk terug op li been getrapt; pte heeft het voornemen om aangifte te doen en vraagt een verklaring voor de politie.

Re oog lateraal blauw hematoom; li been, med.zijde enkel roodblauwe plek van circa 9 cm doorsnee."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Ik ben niet altijd op de hoogte geweest van het feit dat mijn zus door haar man wordt mishandeld. Ik ben ongeveer sinds 1,5 jaar op de hoogte van de mishandelingen. Meestal gaat de ruzie om een andere vrouw en over het vertrouwen binnen de relatie en het niet hebben van geld. Ik weet dat haar man, [verdachte], een waterkoker op haar hoofd heeft stuk gegooid. Ik weet ook dat hij haar meerdere malen de hals heeft dicht geknepen en heeft geslagen. Ik weet ook dat hij haar heeft geslagen terwijl mijn zus haar jongste dochter in haar armen vasthad."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant:

"Op vrijdag 26 augustus 2005 om 18:30 uur nam ik, verbalisant, telefonisch contact op met [getuige 2]. Zij bleek volledig te zijn genaamd:

[getuige 2]

Geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] en wonende [b-straat 1] te [plaats A].

[Getuige 2] verklaarde mij, verbalisant, telefonisch het volgende:

"Ik ben op de hoogte dat mijn zusje [het slachtoffer] aangifte heeft gedaan tegen haar vriend [verdachte]. Ik kan u vertellen dat [verdachte] haar volgens mij al vier jaar mishandelt. Mijn zusje [het slachtoffer] zit vaak onder de blauwe plekken. Ik weet niet eens hoe vaak ik haar heb gezien met verwondingen. De ene keer had ze weer een blauw oog of liep ze weer mank"."

2.5. Overeenkomstig hetgeen onder 1 is tenlastegelegd heeft het Hof bewezenverklaard dat de verdachte de aangeefster (zijn echtgenote) in de periode van 1 mei 2005 tot en met 30 juni 2005 in het gezicht heeft geslagen en tegen het been heeft getrapt waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Mede in het licht van de ter zake van het onder 2 tenlastegelegde gegeven vrijspraak en de partiële vrijspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is voor die bewezenverklaring zonder nadere doch ontbrekende motivering niet redengevend:

(i) de verklaring van [het slachtoffer] (bewijsmiddel a) voor zover deze inhoudt dat zij aangifte doet van mishandeling gepleegd door de verdachte buiten de in de bewezenverklaring genoemde periode van 1 mei 2005 tot en met 30 juni 2005,

en voor zover deze voorts inhoudt:

"Vanaf maart 2005 was [verdachte] weer bij mij en de kinderen in huis gekomen. Op een donderdag in mei kregen wij ruzie. Ik zat op de grond bij het raam. Ik was bang en in elkaar gekropen riep ik: 'ga alsjeblieft weg'. Ik was bang voor mijzelf, bang voor mijn dochtertje van 1,5 in mijn armen en mijn dochtertje van 2 die stond te huilen. Ik zag dat [verdachte] met de waterkoker boven mij stond. Ik zag dat [verdachte] de waterkoker hoog in de lucht bracht. Ik probeerde mijn dochter te beschermen door mijn armen om haar heen te slaan. Ik zag dat [verdachte] de de waterkoker gooide in de richting van mijn hoofd. Ik voelde dat de waterkoker met een harde klap op mijn hoofd terecht kwam. Ik voelde de pijnscheut door mijn schedel gaan. Ik voelde de pijn in mijn hoofd. De waterkoker viel stuk op de verwarming. Ik voelde vervolgens dat [verdachte] aan mijn haren trok. Ik probeerde weerstand te bieden maar dat deed te veel pijn. Ik wilde mijn dochter niet loslaten maar de pijn was ondraaglijk en ik liet haar los. Ik zag dat [verdachte] blind van woede was en ik dacht laat hem die agressie maar op mij richten en niet op mijn kinderen. [Verdachte] sleurde mij dus mee de slaapkamer in en gooide mij daar op het bed. Ik schreeuwde en huilde en probeerde om hulp te roepen. (...) [verdachte] kneep vervolgens mijn keel dicht. Ik kreeg geen adem en hapte naar lucht. Ik was bang dat [verdachte] mij van het leven zou beroven. Een week later op vrijdagavond werd ik weer door [verdachte] door het huis heengeslagen, wederom naar aanleiding van een ruzie. Ik ben toen met het oudste kind de straat opgerend. Vervolgens heb ik bij de buren aangebeld en via tussenkomst van mijn zus mijn jongste kind opgehaald. Op zaterdag ben ik met mijn zus terug gegaan naar mijn woning om spullen op te halen voor mij en mijn kinderen. Toen ik de trap af wilde lopen naar beneden voelde ik dat ik aan mijn haren weer de woning werd in gesleurd, terwijl mijn zus voor de deur in de auto stond te wachten. Ik voelde dat [verdachte] met kracht aan mijn haren trok. In de woning werd ik over het bed gegooid en [verdachte] kwam boven op mij zitten en kneep mijn keel dicht. Om mijzelf te verdedigen krabde ik [verdachte] op zijn blote bovenlichaam waar ik maar kon. Hetgeen niet hielp want [verdachte] bleef mijn keel maar dicht knijpen. Op een gegeven moment liep [verdachte] weer weg. Er ontstond vervolgens weer een woordenwisseling. [Verdachte] sloeg mij vervolgens met mijn hoofd tegen de deur van het toilet. Het weekend erna gingen mijn zussen op vakantie. Op die zondagavond kreeg ik ruzie met [verdachte] over het feit dat hij met iemand via het internet contact onderhield. (...)."

(ii) de verklaring van [getuige 1] (bewijsmiddel c) voor zover deze inhoudt:

"Ik ben niet altijd op de hoogte geweest van het feit dat mijn zus door haar man wordt mishandeld. Ik ben ongeveer sinds 1,5 jaar op de hoogte van de mishandelingen. Meestal gaat de ruzie om een andere vrouw en over het vertrouwen binnen de relatie en het niet hebben van geld. Ik weet dat haar man, [verdachte], een waterkoker op haar hoofd heeft stuk gegooid. Ik weet ook dat hij haar meerdere malen de hals heeft dicht geknepen (...)."

2.6. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak wat betreft het onder 1 tenlastegelegde op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 12 mei 2009.