Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH5464

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
07/13160
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH5464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervroegde onteigening; schadeloosstelling; waardebepaling, waardevermindering overblijvende, maatstaf; motiveringseisen.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 731
NJ 2009, 273
NJB 2009, 1216
JWB 2009/216
TBR 2010/50 met annotatie van E. van der Schans
JOM 2009/651
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2009

Eerste Kamer

07/13160

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Gelpke,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de Directie Noord-Holland,

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Eisers tot cassatie zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [eiser 1] en [eiser 2] en gezamenlijk als [eiser] c.s. Verweerder in cassatie zal worden aangeduid als de Staat.

1. Het geding in feitelijke instantie

Bij vonnis van 5 december 2000, dat op 6 maart 2001 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank Haarlem ten name en ten behoeve van de Staat de vervroegde onteigening uitgesproken van twee onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie [A], nummer [001], voor een gedeelte groot 0.69.40 ha (grondplannummer [002]) en sectie [A], nummer [003] voor een gedeelte groot 0.01.00 ha (grondplannummer [004]), het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] vastgesteld op ƒ 775.199,65, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. De rechtbank heeft voorts [eiser 2] als tussenkomende partij in het in de hoofdzaak aanhangige geding tot onteigening toegelaten.

Na deskundigenrapport en pleidooien heeft de rechtbank bij vonnis van 12 september 2007, voor zover in cassatie van belang, de schadeloosstelling voor [eiser 1] vastgesteld op € 218.935,34 (waarin begrepen het reeds betaalde voorschot) en de schadeloosstelling voor [eiser 2] op € 18.151,21. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

[Eiser] c.s. hebben tegen het vonnis van de rechtbank van 12 september 2007 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P.J. Wattel strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 20 maart 2009 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Ten tijde van de onteigening was [eiser 1] eigenaar van het perceel met grondplannummer [002] en [eiser 2] van het perceel met grondplannummer [004].

(ii) Na de inschrijving op 6 maart 2001 van het onteigeningsvonnis hebben [eiser] c.s. en [betrokkene 1] bij akte van 15 februari 2002 krachtens koopovereenkomst aan N.V. Luchthaven Schiphol N.V. (hierna: Schiphol) geleverd:

(a) het overblijvende, en

(b) een aan [betrokkene 1] toebehorende onroerende zaak, zulks tegen onder meer een koopsom van € 4.084.001,90. Overeengekomen werd voorts dat Schiphol aan [eiser] c.s. en [betrokkene 1] daarnaast een schadevergoeding van € 4.928.053,10 betaalt wegens de versnelde aanleg van de derde fase van de vijfde start- en landingsbaan.

(iii) [eiser 1] en [eiser 2] hebben ieder een verzoek tot planschadeschadevergoeding ingediend bij het Schadeschap luchthaven Schiphol. Deze verzoeken zijn afgewezen.

3.2 Het middel richt zich met name tegen de beslissingen van de rechtbank over de waardering van het onteigende (onderdeel 3) en over de waardevermindering van het overblijvende (onderdeel 5), en klaagt in het bijzonder over de (tegenstrijdige) oordelen omtrent de betekenis die daarbij toekomt aan de hiervoor in 3.1 (ii) vermelde omstandigheid dat Schiphol het overblijvende heeft gekocht voor het daar vermelde bedrag, terwijl tevens een aanzienlijk bedrag als schadevergoeding door Schiphol zou worden betaald.

3.3.1 Wat de waarde van het onteigende betreft, heeft de rechtbank zich aangesloten bij het advies van de deskundigen, die tot uitgangspunt namen dat het onteigende, de onteigening weggedacht, ten minste op middellange termijn zijn agrarische bestemming zou hebben behouden als gevolg van de ligging daarvan in het agrarische gebied tussen de Zwanenburgbaan en de Polderbaan, en die niet aannemelijk achtten dat, zonder de aanleg van de A5, de voor de aanleg van een taxibaan naast de Zwanenburgbaan bestemde strook zo veel breder zou zijn uitgevallen dat het onteigende of een deel daarvan de bestemming Luchtvaartdoeleinden I zou hebben verkregen. De deskundigen hebben bij de taxatie geen praktische betekenis gehecht aan vergelijking met de prijzen die Schiphol voor het overblijvende heeft betaald, allereerst omdat het overblijvende een andere bestemming heeft dan de agrarische bestemming waarnaar het onteigende getaxeerd moet worden, en voorts omdat zij meenden uit die transacties geen conclusies te kunnen trekken met betrekking tot de waarde van het onteigende, gezien de inrichting van het overblijvende, de samenhang van de onderscheidene transacties en de positie van Schiphol. De rechtbank oordeelde verder dat [eiser] c.s. niet duidelijk hebben gemaakt hoe zij aan de door hen voorgestane, uit de transactie met Schiphol afgeleide prijs van € 75 per m2 zijn gekomen, en dat zij ook geen inzicht hebben verschaft in de wijze waarop de prijs met Schiphol tot stand is gekomen, welke factoren daarbij een rol hebben gespeeld en welk gewicht aan die factoren is toegekend. Ook uit de verklaring van Schiphol dat zij zo mogelijk de onteigende gronden in de koop had willen betrekken, kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat Schiphol bereid zou zijn geweest een vierkantemeterprijs van € 75 te betalen. (rov. 2.13-2.16)

3.3.2 Anders dan in de verschillende klachten van onderdeel 3 (de onderdelen 1 en 2 vormen een inleiding) wordt betoogd, heeft de rechtbank aldus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde het feitelijke, op het advies van de deskundigen steunende oordeel van de rechtbank omtrent de waarde van het onteigende geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. In het bijzonder heeft de rechtbank toereikend gemotiveerd waarom zij aan de transacties met Schiphol niet de door [eiser] c.s. bepleite betekenis heeft gehecht, maar tot het oordeel is gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat Schiphol bereid zou zijn geweest voor de onteigende grond € 75 per vierkante meter te betalen. Met de verwerping van dat standpunt van [eiser] c.s., ligt nog open de vraag of Schiphol wel (minder dan € 75 maar) meer dan de waarde naar de agrarische bestemming zou hebben willen betalen. In het oordeel van de rechtbank ligt een ontkennende beantwoording van die vraag besloten, en dat antwoord is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de rechtbank, met verwijzing naar het advies van de deskundigen, de positie van Schiphol in aanmerking heeft genomen, en heeft gelet op het verschil in bestemming van het onteigende (agrarische bestemming) tegenover de bestemming van het overblijvende (in hoofdzaak luchtvaartdoeleinden) en het ontbreken van de verwachting dat, het plan van aanleg van de Rijksweg 5 weggedacht, op het onteigende de bestemming luchtvaartdoeleinden zou zijn gelegd.

Op het voorgaande stuiten de onderdelen 3.a tot en met 3.e af, voorzover zij al niet wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kunnen leiden, of motiveringseisen stellen die niet kunnen worden gesteld aan sterk met feitelijke waarderingen verband houdende oordelen als de onderhavige. Onderdeel 3.f komt hierna in 3.4.4 nog aan de orde.

3.4.1 De klachten van onderdeel 5 (onderdeel 4 vormt een inleiding) betreffen de beoordeling van de waardever-mindering van het overblijvende, waarbij de rechtbank is afgeweken van het advies van de deskundigen, die meenden dat ook bij de waardebepaling van het overblijvende geen betekenis toekomt aan de hiervoor in 3.1 (ii) vermelde transactie met Schiphol. De rechtbank heeft die transactie blijkens rov. 2.9-2.11 wel van belang geacht, en aangenomen dat de overblijvende grond op de peildatum, ongeveer 12 maanden voorafgaand aan de levering aan Schiphol, een waarde vertegenwoordigde die vergelijkbaar is met de door Schiphol betaalde prijs. Voor het oordeel dat die waarden hoger zijn en als gevolg van de onteigening zijn verminderd, zijn geen aanknopingspunten te vinden en het is ook niet voor de hand liggend, aangezien de onteigening voor Schiphol niet van belang was, aldus de rechtbank, die daarom geen nader onderzoek heeft opgedragen naar eventuele waardevermindering van het overblijvende en deze op nihil heeft gesteld.

3.4.2 Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat ter bepaling van het bedrag dat op de voet van art. 41 van de Onteigeningswet moet worden vergoed ter zake van de mindere waarde, welke voor niet onteigende goederen van de onteigende het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van het verlies van het goed is, in ieder geval dient te worden onderzocht wat de werkelijke waarde van het geheel (het onteigende en het overblijvende tezamen) vóór de onteigening is, opdat deze vervolgens kan worden vergeleken met de som van de werkelijke waarde van het onteigende en de werkelijke waarde van het overblijvende na onteigening. Alleen indien deze som lager is dan de werkelijke waarde van het geheel vóór de onteigening, is plaats voor vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende. Bij die waardebepaling gaat het in beginsel telkens om de prijs, als in art. 40b lid 2 Ow bedoeld, die tot stand zou komen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper (vgl. HR 21 november 2008, nr. C07/081, LJN: BF0415).

3.4.3 Anders dan onderdeel 5.a aanvoert, heeft de rechtbank het vorenstaande niet miskend. De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat in het economische verkeer de hoogste prijs voor het onteigende en het overblijvende zou worden geboden door Schiphol, voor wie blijkens de feitelijke vaststelling van de rechtbank de onteigening niet van belang was, en dat het voor Schiphol als de meest in aanmerking komende gegadigde niet uitmaakte of de overblijvende grond (met de bestemming lucht-vaartdoeleinden) vóór de onteigening tezamen met het ter onteigening aangewezene, of ná de onteigening zonder dat laatste werd aangeboden. Aldus doet zich niet de situatie voor dat het complex (het geheel van het onteigende en het overblijvende) vóór de onteigening meer waard was dan de som van de te vergoeden werkelijke waarde van het onteigende en de waarde van het overblijvende. De rechtbank heeft dan ook zonder miskenning van het in 3.4.2 overwogene kunnen oordelen dat de daar bedoelde vergelijking in het onderhavige geval geen nadere uitwerking behoefde, omdat dat in de gegeven omstandigheden voor de uitkomst geen verschil maakte. Hierop stuit onderdeel 5.a af. Ook onderdeel 5.b wordt tevergeefs voorgesteld, omdat de omstandigheid dat, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, de waarde van het overblijvende vóór de onteigening niet hoger was dan de waarde ná de onteigening, in het licht van het hiervoren overwogene ook zonder nadere motivering de conclusie kan dragen dat de waardevermindering van het overblijvende op nihil moet worden gesteld. Anders dan onderdeel 5.c nog aanvoert, kan uit het vonnis niet worden afgeleid dat de rechtbank, die ervan uitging dat Schiphol voor het overblijvende aanzienlijk meer heeft betaald dan de door de deskundigen begrote waarde, uit het oog heeft verloren dat het overblijvende niet alleen de voor Schiphol van belang zijnde grond omvat maar ook de woonhuizen, tuinen en kwekerij van [eiser] c.s.

3.4.4 Onderdeel 5.d houdt de klacht in dat het oordeel van de rechtbank over de waardevermindering van het overblijvende onverenigbaar is met, dan wel onvoldoende gemotiveerd is in het licht van, het oordeel over de waarde van het onteigende. Onderdeel 3.f houdt een vergelijkbare klacht over onderlinge tegenstrijdigheid van deze oordelen in. De onderdelen worden tevergeefs voorgesteld, omdat de rechtbank bij deze oordelen niet onderling onverenigbare conclusies heeft verbonden aan de transactie met Schiphol. Daarbij is in aanmerking te nemen dat bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende de waardering diende te geschieden naar de agrarische bestemming daarvan, waardoor het niet onbegrijpelijk is dat de rechtbank, in navolging van de deskundigen, uit de transactie met Schiphol, waarbij het grotendeels ging om gronden met luchtvaartbestemming, niet heeft afgeleid dat aan de onteigende gronden een hogere waarde dan de agrarische toekomt. Daarmee is niet onverenigbaar dat de rechtbank uit hetgeen door Schiphol aan [eiser] c.s. is betaald wel conclusies heeft getrokken met betrekking tot de waardevermindering van het overblijvende.

3.5 Ook de in onderdeel 7 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 juni 2009.