Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH5218

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07/12099
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH5218
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Uitkeringsfraude. Oogmerk. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat verdachte moet hebben beseft dat de verzwijging van de samenwoning en de wijziging van zijn adres, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht dat hij voor zichzelf bijstand of hogere bijstand zou verkrijgen dan wel behouden dan waarop hij recht had, zodat bij de verdachte het in de bewezenverklaring bedoelde oogmerk aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 679
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 mei 2009

Strafkamer

Nr. 07/12099

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 maart 2007, nummer 23/004305-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel bevat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het oogmerk had om voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen of te behouden.

2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 2 bewezenverklaard dat:

"in de periode vanaf 1 januari 1998 tot en met 30 juni 2000 te Amsterdam, als degene aan wie op grond van de bepalingen van de Algemene Bijstandswet bijstand was toegekend, enige gegevens heeft verzwegen voor de Gemeentelijke Sociale Dienst van Amsterdam, immers heeft hij voor genoemde dienst verzwegen dat hij samenwoonde en had samengewoond en niet op zijn uitkeringsadres woonde en had gewoond en buiten de gemeente Amsterdam verbleef en had verbleven, zulks telkens met het oogmerk om voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden."

2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van de Sociale Recherche Amsterdam, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"U toont mij nu kopieën van inkomstenformulieren van de Gemeentelijke Sociale Dienst Amsterdam over de maanden januari 1995 tot en met november 1997, januari 1998 tot en met augustus 1998, februari 1999 tot en met januari 2000 en januari 2003 tot en met april 2003. Ik heb al deze formulieren in Amsterdam zelf ingevuld en ondertekend.

Ik ben vaak in [plaats A]. [Betrokkene 1] is mijn vriendin.

Als ik mijn bijdrage per maand moet uitdrukken dan geef ik haar 50 à 75 euro per maand. Als de vraag aan mijn vriendin gesteld wordt waar ik feitelijk woon, dan weet ik niet wat zij zal zeggen. Wij doen ook samen boodschappen.

Wij hebben samen een bankrekening geopend in [plaats A] om een auto te financieren.

Ik heb een voordeursleutel van de woning van mijn vriendin.

U zegt mij dat het loon dat ik met mijn artiestenwerk verdien op onze gezamenlijke rekening werd gestort. Op deze manier betaal ik mijn schuld aan haar af."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Ik woon sinds december 1996 op het adres [a-straat 1-1], [plaats B]. U vraagt mij naar de bewoner van de 1e etage op de [a-straat 1], [plaats B]. Daar hoort ene [verdachte] te wonen maar ik zie hem nauwelijks. Soms is het één keer per maand en soms nog minder. Deze situatie is al zo vanaf het moment dat ik hier kwam wonen. Het wisselde nogal omdat de woning in die 6 jaar ook werd onderverhuurd."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

"Van 1990 tot en met 23 juli 2002 heb ik gewoond op het adres [b-straat 1] te [plaats A]. U vraagt mij nu naar het adres [b-straat 2] te [plaats A]. Daar wonen een man, vrouw en een kindje van een jaar of 3 à 4. Hun zoontje is een jaar of 4, maar de man is daar zeker al een jaar of twee voor die tijd komen wonen. Ik zag deze mensen als een normaal gezin, zij deden ook samen boodschappen. Zij rijden zeker al een jaar of twee in een blauwe Jeep, daarvoor in een Tigra.

U laat mij nu een foto zien. (Noot verbalisant: een fotokopie van het paspoort van [verdachte].) Dat is inderdaad de buurman van de hoek."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"[Betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955 staat ingeschreven aan het adres [b-straat 2] te [plaats A]."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende:

- als verklaring van [getuige 3] van 13 mei 2003:

"Ik woon sinds 5 jaar op het adres [b-straat 3] te [plaats A]. Op het hoekhuis, nummer [2] woont een Surinaamse vrouw met haar man en zoontje."

- als verklaring van [getuige 4] van 13 mei 2003:

"Ik woon sinds zeven jaar op het adres [b-straat 3] te [plaats A]. Ik geloof dat hij [verdachte] heet. Toen ik hier kwam wonen, woonden zij er al als gezin. Zij hebben een grote blauwe Opel Frontera, zij rijden er allebei in. Ik zie hem, [verdachte] bijna iedere dag iets voor half negen met het jongetje bij de auto. Wij weten niet beter of zij vormen een gezin. Hun situatie is altijd zo geweest. Het is zeker niet zo dat hij weken weg is geweest. Hij is er gewoon altijd."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5] van 13 mei 2003:

"Ik woon sinds 22 jaar op het adres [b-straat 4] te [plaats A]. Toen ik hier kwam wonen, woonde de mevrouw van nummer [2] er al. Ze woonde er eerst met een andere man, dan de man met wie ze er nu woont. De man die er nu woont is de vader van haar zoontje. U toont mij een foto van een man (noot verbalisant: wij tonen de getuige een foto van verdachte [verdachte]), dit is de man over wie ik het heb. Ik denk dat hij er al een jaar of zes à zeven woont."

g. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende:

- als relaas van de verbalisanten:

"Volgens het Persoonsregister van de gemeente [plaats A] staat [getuige 6] vanaf 24 oktober 2000 ingeschreven op het adres [b-straat 5] te [plaats A]."

- als verklaring van [getuige 6]:

"Op (het hof begrijpt: in) het hoekhuis wonen een vrouw en haar man of vriend en hun zoontje. De man heet [verdachte]. Zij woonden er al toen wij hier kwamen wonen. [Verdachte] is regelmatig met [betrokkene 2] in het speeltuintje hiertegenover. Ik weet dat hij [verdachte] heet omdat kinderen hier in de buurt hem bij die naam roepen als ze met hem willen voetballen. Hij brengt het kindje meestal naar school, maar zij doet dat soms ook wel."

- als mededeling van de verbalisanten:

"Wij tonen de getuige een foto van verdachte [verdachte]."

- als verklaring van [getuige 6]:

"Ja, dat is hem. Geen twijfel mogelijk. Ik vind het een sympathieke man."

h. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], voor zover inhoudende:

- als relaas van de verbalisanten:

"Verdachte [verdachte] is een volle broer van de getuige."

- als verklaring van [getuige 7]:

"Mijn broer (het hof begrijpt: de verdachte) woont in [plaats A], ik dacht [b-straat] (het hof begrijpt: [b-straat]). Hij woont daar met [betrokkene 1]. Zij hebben een kind, genaamd [betrokkene 2]; dat is een jongetje van ongeveer drie jaar. Voordat mijn broer in [plaats A] woonde, woonde hij in de [a-straat], ik dacht [1] of [2], te [plaats B]."

i. een inkomstenverklaring van de Gemeentelijke Sociale Dienst Amsterdam over de periode van 1 maart 1998 tot en met 31 maart 1998 ten name van [verdachte], wonende [a-straat 1-2], [0000 AA] [plaats B], voor zover inhoudende:

"De volgende vraag:

Zijn er wijzigingen gekomen in het adres, verblijfplaats en/of burgerlijke staat van u en/of uw partner?

is met "neen" beantwoord."

j. een inkomstenverklaring van de Gemeentelijke Sociale Dienst Amsterdam over de periode van 1 december 1999 tot en met 31 december 1999 ten name van [verdachte], wonende [a-straat 1-2], [0000 AA] [plaats B], voor zover inhoudende:

"De volgende vraag:

Zijn er wijzigingen gekomen in het adres, verblijfplaats en/of burgerlijke staat van u en/of uw partner?

is met "neen" beantwoord."

2.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat aan de verdachte in de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 juni 2000 door de Gemeentelijke Sociale Dienst Amsterdam op grond van de Algemene bijstandswet een uitkering was toegekend, dat hij in die periode samenwoonde met [betrokkene 1] aan de [b-straat 2] te [plaats A] en dat hij in die periode op door hem ingevulde en ondertekende inkomstenverklaringen van de Gemeentelijke Sociale Dienst Amsterdam ten name van [verdachte], wonende te [a-straat 1-2], [0000 AA] [plaats B], de vraag of er wijzigingen waren in "het adres, verblijfplaats en/of burgerlijke staat van u en/of uw partner" met neen heeft beantwoord.

2.5. Het Hof heeft voorts kennelijk geoordeeld dat de verdachte moet hebben beseft dat de verzwijging van de samenwoning en de wijziging van zijn adres, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht dat hij voor zichzelf bijstand of hogere bijstand zou verkrijgen dan wel behouden dan waarop hij recht had, zodat bij de verdachte het in de bewezenverklaring bedoelde oogmerk aanwezig was. Dat oordeel van het Hof is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.

2.6. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat deze 228 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 19 mei 2009.