Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH4340

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
01012/07 Hs
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH4340
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproefzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 maart 2009

Strafkamer

nr. 01012/07 Hs

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbankte Zutphen van 10 augustus 2004, nummer 06/080501-03, ingediend door mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. en 2., telkens "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 5. "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 7. "medeplegen van opzetheling" en 8. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met beslissingen omtrent de benadeelde partijen.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van een geuridentificatieproef.

3. De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren voor zover deze betrekking heeft op de feiten 1 en 2 en voorts dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren voor zover zij betrekking heeft op de feiten 5, 7 en 8 en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

4. Achtergrond van de aanvrage

Aan de aanvrage is gehecht een brief van 19 maart 2007 van het Arrondissementsparket Zutphen gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van 1997 tot en met maart 2006 door speurhondengeleiders. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.

5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789).

5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

6. Beoordeling van de aanvrage

6.1. Het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd betreft een veroordeling van de aanvrager ter zake van vijf feiten:

1.

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op 16 september 2003 in de vestiging van de supermarkt [A] te [plaats A], waarbij sigaretten en DVD's zijn weggenomen.

2.

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op 7 mei 2003 in het pand van [C] BV [plaats D], waarbij sigaretten zijn weggenomen.

5.

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak op 18 juli 2003 in het pand van [D] te [plaats E], waarbij sigaretten en shag zijn weggenomen.

7.

Medeplegen van opzetheling, gepleegd in de periode van 4 september 2003 tot en met 16 september 2003, met betrekking tot een auto.

8.

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, gepleegd in de periode van 1 mei 2003 tot en met 27 januari 2004.

6.2. De rechtbank heeft volstaan met een "extract vonnis". Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken een proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 21 april 2004.

6.3. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan worden afgeleid dat met betrekking tot feit 5 geuridentificatieproeven zijn gehouden, waarbij onder meer de aanvrager is aangewezen, en dat ook in verband met de feiten 1 en 7 geuridentificatieproeven zijn verricht, waarbij medeverdachten zijn aangewezen.

Ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde kan voorts uit de stukken van het dossier worden afgeleid hetgeen in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 8 is weergegeven.

6.4. Uit de inhoud van het dossier kan niet worden afgeleid dat in het kader van het onderzoek naar het onder 2 tenlastegelegde feit een geuridentificatieproef is uitgevoerd. Ook in de aanvrage wordt niet gesteld dat zodanige geuridentificatieproef in dit verband heeft plaatsgevonden.

Dit betekent dat het hiervoor onder 5.3 bedoelde geval zich ten aanzien van dit feit niet voordoet, zodat in zoverre geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Rechtbank de aanvrager van dit feit zou hebben vrijgesproken.

De aanvrage is in zoverre dus ongegrond en moet worden afgewezen.

6.5. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit kan uit de inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid dat, ook zonder het resultaat van een geuridentificatieproef in aanmerking te nemen, de aanvrager één van de personen is geweest die deze inbraak heeft gepleegd.

Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, doet zich niet het hiervoor onder 5.3 bedoelde geval voor, zodat in zoverre geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Rechtbank de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.

De aanvrage is in zoverre dus ongegrond en moet worden afgewezen.

6.6.1. Met betrekking tot het bewijs van het onder 5 tenlastegelegde feit is aannemelijk dat de Rechtbank bij uitstek aan het desbetreffende resultaat van de geuridentificatieproef heeft ontleend dat de aanvrager in verband moet worden gebracht met dit strafbare feit. In het onderhavige geval moet het daarom ervoor worden gehouden dat de Rechtbank zonder de uitkomst van deze geuridentificatieproef niet zou hebben geoordeeld dat het overige gebezigde bewijsmateriaal elkaar zodanig versterkt, dat daaruit de betrokkenheid van de aanvrager bij die inbraak met voldoende mate van aannemelijkheid volgt.

6.6.2. Met betrekking tot het bewijs van de onder 7 en 8 tenlastegelegde feiten moet het, op de gronden als uiteengezet in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 9.3 en 9.4, ervoor worden gehouden dat de Rechtbank in het onderhavige geval zonder de uitkomst van de geuridentificatieproeven niet zou hebben geoordeeld dat het overige bewijsmateriaal elkaar zodanig versterkt, dat daaruit de betrokkenheid van de aanvrager bij die feiten met voldoende mate van aannemelijkheid volgt.

6.6.3. Dit betekent dat het hiervoor onder 5.3 bedoelde geval zich ten aanzien van de onder 5, 7 en 8 bewezenverklaarde feiten voordoet, zodat in zoverre sprake is van een ernstig vermoeden dat de Rechtbank de aanvrager van die feiten zou hebben vrijgesproken.

6.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage, voor zover zij betrekking heeft op de onder 5, 7 en 8 bewezenverklaarde feiten, gegrond is en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvrage tot herziening gegrond, doch uitsluitend voor zover zij betrekking heeft op de onder 5, 7 en 8 bewezenverklaarde feiten;

beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 10 augustus 2004;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor de overige feiten op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen;

wijst de aanvraag tot herziening voor het overige af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 3 maart 2009.