Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH4062

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
07/11209
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH4062
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0048, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

CAO. Compensatieregeling tot teruggave van vrije en feestdagen; recht in de zin van art. 79 RO; uitleg; HR doet zelf de zaak af.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 79
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0446
RvdW 2009, 736
JAR 2009, 181
NJB 2009, 1211
JWB 2009/219
JAR 2009/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2009

Eerste Kamer

07/11209

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats]

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. D.J.G. Timmermans,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerder] heeft bij exploot van 30 december 2003 [eiseres] gedagvaard voor de kantonrechter te Bergen op Zoom en gevorderd, kort gezegd, [eiseres] te veroordelen tot betaling van verschillende bedragen ter zake van onderbrekingstoeslag over de jaren 2001 tot en met 2003 en ter zake van onregelmatigheidstoeslag over de jaren 2002 en 2003. Voorts heeft [verweerder] gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.332,80 bruto ter zake van een tegoed aan vrije dagen over de jaren 2001 en 2002, alsmede € 1.223,04 ter zake van een tegoed aan vrije dagen over 2003. Een en ander te vermeerderen met vakantietoeslag, wettelijke rente, kosten en de wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7:625 BW.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

Na een tussenvonnis van 8 september 2004 heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 15 december 2004 de vorderingen van [verweerder] afgewezen.

Tegen de vonnissen van de kantonrechter heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Na op 12 september 2006 een tussenarrest te hebben gewezen heeft het hof bij eindarrest van 15 mei 2007 de vonnissen waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, aan [verweerder] de volgende bedragen toegewezen:

€ 1.255,52 ter zake van de opslag van 35% voor compensatie-rustdagen en compensatiefeestdagen over 2001, vermeerderd met 8% vakantiebijslag en met de wettelijke rente, € 1.293,60 idem over 2002, € 355,74 idem over 2003; € 623,70 ter zake van niet genoten werkgelegenheidsdagen, € 231,-- ter zake van niet genoten vakantiedagen en € 113,53 ter zake van verschuldigde onregelmatigheidstoeslag, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Over voornoemde bedragen en de vakantiebijslag wees het hof tevens de wettelijke verhoging van 50% toe. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 6 maart 2009 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie, waar het in hoofdzaak gaat om de uitleg van CAO-bepalingen die van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst die heeft bestaan tussen [verweerder] en [eiseres], kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is van 18 oktober 1999 tot 1 juni 2003 als buschauffeur in dienst geweest van [eiseres]. Hij had een voltijdsaanstelling: gemiddeld 40 uur per week ofwel 160 uur per vierwekelijkse betaalperiode.

(ii) Op de arbeidsovereenkomst waren achtereenvolgens, voor zover in cassatie nog van belang, de CAO's voor het Besloten Busvervoer 2000/2001, 2001/2002, 2002/2003 en 2003/2004 van toepassing.

(iii) De eerste drie CAO's zijn onderscheidenlijk op 10 juli 2000, 30 augustus 2001 en 7 oktober 2002 onder meer wat betreft de hierna onder (iv), (vi), (vii) en (ix) vermelde bepalingen algemeen verbindend verklaard.

(iv) In de CAO 2000/2001 - de CAO 2001/2002 bevat vrijwel geheel gelijkluidende bepalingen - is onder meer het volgende bepaald:

"WERKTIJDEN EN ARBEIDSTIJDADMINISTRATIE

Artikel 18

Werkweek

Voor werknemers geldt een vijfdaagse werkweek, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur. Voor elke kalenderweek dat het dienstverband voortduurt, ontstaat aanspraak op twee vrije dagen.

Artikel 19

Algemeen erkende Christelijke en Nationale feestdagen

1. Algemeen erkende Christelijke en Nationale feestdagen zijn:

- Nieuwjaarsdag,

- 2e Paasdag,

- Koninginnedag,

- Hemelvaartsdag,

- 2e Pinksterdag,

- beide Kerstdagen;

- de dagen, op welke krachtens aanwijzing van de overheid extra vrijaf met behoud van loon mag worden verleend.

2. Aan de werknemer die op een feestdag, bedoeld in

lid 1, niet op een zaterdag of zondag vallende arbeid verricht dan wel de wekelijkse vrije dag geniet, wordt een vervangende vrije dag toegekend;

a. voor de vervangende vrije dag die voor een feestdag in de plaats treedt, worden 8 uren voor de loonberekening in aanmerking genomen;

b. de op de feestdag gewerkte uren worden bovendien voor de loonberekening in aanmerking genomen;

c. de vervangende vrije dag dient te worden genoten voor 30 april van het jaar volgend op het jaar waarin het recht is ontstaan.

(...)

Artikel 26

Tijd voor tijd regeling (voor rijdend personeel)

1. Indien in enige betalingsperiode van 4 weken of een maand minder dan de 8 resp. 8? vrije dagen, zoals bedoeld in artikel 18, zijn genoten, wordt per te weinig genoten vrije dag 8 uur arbeidstijd op de loonbetaling in mindering gebracht. Voor elke 8 uur arbeidstijd wordt uiterlijk 30 april van het volgend jaar één betaalde vervangende vrije dag gegeven.

2. Voor elk arbeidsuur, dat per betalingsperiode van een maand boven de 173,3 uur, of per 4 weken boven de 160 uur uitgaat, wordt één uur betaalde vrije tijd (tijd voor tijd) vergoed.

(...)

4. De vergoeding in tijd wordt gegeven op standplaats in hele en desgewenst in halve dagen. Voor iedere hele of halve dag krachtens deze regeling wordt 8 resp. 4 maal het uurloon vergoed onder gelijktijdige vermindering van het aantal opgespaarde uren met 8 resp. 4 uur.

(...)

6. Uiterlijk 24 uur voor opname van de tijd voor tijd vindt overleg plaats tussen werkgever en werknemer over de data waarop de tijd voor tijd wordt genoten. Eenmaal toegekende tijd voor tijd kan slechts worden ingetrokken met instemming van de werknemer.

(...)

8. Onder strikte voorwaarden vastgelegd in bijlage 3 is het toegestaan af te wijken van het bepaalde in de leden 4 en 6 van dit artikel op de volgende wijze:

Als aan het einde van een betalingsperiode het totale aantal gewerkte uren minder dan 173,3 respectievelijk 160 uren bedraagt, kan de werkgever de ontbrekende uren aanvullen met uren uit het tijd voor tijd saldo. Het is mogelijk dat nog geen tijd voor tijd was opgebouwd. In dat geval ontstaat een negatief tijd voor tijd saldo (min-uren).

(...)"

De in art. 26 lid 8 bedoelde bijlage 3 houdt onder meer het volgende in:

"Hoofdstuk III

Onder tijd voor tijd wordt verstaan

- compensatie van niet genoten vrije dagen in het kader van de vijfdaagse werkweek (zie artikel 26 lid 1);

- uren die per betalingsperiode uitgaan boven de 173 respectievelijk 160 uur en niet zijn uitbetaald (artikel 26 lid 2);

- compensatie voor niet genoten feestdagen.

a. Compensatie niet genoten vrije dagen

Een deel van de tijd voor tijd wordt opgebouwd uit de niet genoten vrije dagen. Dat werkt als volgt. Per gewerkte week (art. 18) heeft ieder recht op twee onbetaalde vrije dagen. Deze kunnen op elke dag van de week vallen. Heeft men in een betalingsperiode van 4 weken geen 8 vrije dagen genoten (per maand 8?) dan bestaat er aanleiding voor compensatie. Dat wil zeggen dat als uit de arbeidstijdregistratie blijkt dat er geen 8 maar 5 vrije dagen zijn geweest, er 3 dagen (x 8 uur) dienen te worden gereserveerd voor een later tijdstip. Dus op het moment dat een chauffeur van zijn saldo opgebouwde dagen er drie opneemt, dan worden 3 x 8 = 24 uur afgeschreven van het tijd voor tijd saldo.

In het kader van de rijtijdenwet en de bescherming van werknemers is het van belang dat de compensatie vrije dagen tijdig in vrije tijd worden teruggegeven aan de werknemer.

(...)

c. Compensatie niet genoten feestdagen

Indien de werknemer op een feestdag (niet vallende op een zaterdag of een zondag) werkt dan wel de wekelijkse vrije dag geniet krijgt hij de feestdag op een ander moment in betaalde vrije tijd vergoed. Dit betekent dat voor de niet genoten feestdag 1 x 8 uur dient te worden gereserveerd in het niet genoten vrije dagen saldo, voor gebruik op een later tijdstip. De op de feestdag gewerkte uren dienen in de urenadministratie te worden opgenomen.

Hoofdstuk IV

Opnemen tijd voor tijd

Algemeen:

Er zijn twee manieren (zie 1 en 2) om de tijd voor tijd terug te geven aan de werknemer. Voor beide manieren geldt echter het volgende:

Als er tijd voor tijd wordt opgenomen worden de opgespaarde uren van het tijd voor tijd saldo afgetrokken.

(...)

2. Tweede manier om tijd voor tijd terug te geven

De tweede manier om tijd voor tijd terug te geven aan de werknemer is:

Als aan het einde van een betalingsperiode het totaal aantal gewerkte uren minder dan 173 respectievelijk 160 uren bedraagt, dan kunnen de ontbrekende uren worden aangevuld met uren uit het tijd voor tijd saldo. Het is mogelijk dat nog geen tijd voor tijd saldo was opgebouwd. In dat geval ontstaat er een zogenaamd negatief tijd voor tijd saldo, beter bekend als min-uren. De grenzen van deze min-uren zijn vastgelegd in de bijlage betreffende de min-uren (zie bijlage 4 bij de CAO voor het besloten busvervoer)."

(v) [eiseres] paste de in Hoofdstuk IV bedoelde tweede manier om tijd voor tijd terug te geven al binnen haar bedrijf toe voordat [verweerder] in dienst trad en heeft die manier ook in zijn geval toegepast. Naar het in cassatie onbestreden oordeel van het hof (tussenarrest rov. 4.3.4) was zij daartoe op zichzelf - dat wil zeggen: vooralsnog in het midden gelaten of zij die manier ook op de juiste wijze heeft toegepast - ook gerechtigd.

(vi) In de CAO 2002/2003 is overgeschakeld van een tijd voor tijd regeling naar een spaarurenregeling. De tussen [eiseres] en [verweerder] geldende tijd voor tijd regeling bleef naar het in cassatie niet bestreden oordeel van het hof ingevolge art. 30B lid 3 in stand voor de eerste 300 overuren.

(vii) Deze CAO bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 19

Werkweek

1. Voor werknemers geldt een vijfdaagse werkweek, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur. Per kalenderweek ontstaat derhalve aanspraak op 2 rustdagen.

2. Indien in enige betalingsperiode van 4 weken of een maand minder dan 8 resp. 8? rustdagen, zoals bedoeld in lid 1, zijn genoten, wordt per te weinig genoten rustdag 8 uur arbeidstijd op de loonbetaling in mindering gebracht. Voor elke 8 uur arbeidstijd wordt uiterlijk

30 april van het jaar volgend op op het jaar waarin de arbeidstijd is opgebouwd, één betaalde vervangende rustdag (compensatierustdag) gegeven.

(...)

5. Compensatierustdagen moeten met voorrang op vakantiedagen of de overige componenten van de tijd voor tijd respectievelijk spaaruren worden teruggegeven."

(viii) Art. 30A , dat niet algemeen verbindend is verklaard, is voor zover in cassatie van belang, gelijkluidend aan het hiervoor onder (iv) vermelde, wel algemeen verbindend verklaarde, art. 26.

(ix) De toelichting op het in art. 23 lid 1 van de CAO 2002/2003 genoemde administratieformulier (Bijlage 12) houdt onder meer het volgende in:

"In de laatste kolom onder H dient aangegeven te worden, als er niet of slechts een halve dag gewerkt is, wat de reden daarvan is. Er zijn verschillende lettercodes mogelijk:

c = compensatie rustdag. Als in het verleden in enige maand te weinig rustdagen genoten zijn en er wordt een niet genoten rustdag gecompenseerd, moet een c ingevuld worden in de laatste kolom en onder kolom B 8 uur worden ingevuld (Bij een halve compensatie rustdag 4 uur).

(...)*

g = compensatie feestdag. Als in het verleden op een feestdag is gewerkt is een compensatie feestdag opgebouwd. Wanneer deze aan de chauffeur wordt teruggegeven in vrije tijd dient in de laatste kolom een g en onder kolom B 8 uur ingevuld te worden (Bij een halve compensatie feestdag 4 uur).

t = tijd voor tijd dag of spaaruurdag. Indien vrijaf wordt geven in het kader van tijd voor tijd/spaaruren moet in de laatste kolom een t ingevuld worden en onder kolom B 4 of 8 uur.*

(...)*

Het is mogelijk om compensatiedagen, compensatie-feestdagen, tijd voor tijd dagen/spaaruurdagen en vakantiedagen in halve dagen op te nemen. Wordt een halve dag vrijaf gegeven, dan dient in de laatste kolom een 1/2 c, 1/2 g, 1/2 t of een 1/2 v ingevuld te worden, afhankelijk van het soort dag dat het betreft.

Het is niet mogelijk om halve rustdagen, halve werkgelegenheidsdagen of halve feestdagen terug te geven aan de chauffeur!!

(...)"

3.2 De kantonrechter heeft de hiervoor onder 1 vermelde vorderingen van [verweerder], waarvan in cassatie nog slechts die met betrekking tot het "tegoed aan vrije dagen" over de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2003 van belang zijn, afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter had [verweerder] niet aan zijn stelplicht voldaan.

3.3 In zijn memorie van grieven betoogde [verweerder] onder meer het volgende:

"vakantiedagen/compensatiedagen/werkgelegenheids-dagen en feestdagen

3.1.3 Het grootste onderdeel van de vordering van [verweerder] heeft betrekking op de wijze waarop [eiseres] de vakantiedagen/compensatiedagen/werkgelegenheidsdagen en feestdagen heeft vastgesteld en berekend. Kern van het geschil is de vraag of bij [eiseres] een volledige tijd voor tijd regeling van toepassing was, op basis waarvan het [eiseres] vrij stond om compensatiedagen en tijd voor tijd-uren naar eigen goeddunken in te roosteren, zonder dat voorafgaand overleg en toestemming van [verweerder] was vereist. [Verweerder] is van mening dat dit niet het geval is.

(...)

3.1.12 In de CAO bestaan inderdaad twee manieren om tijd voor tijd aan de werknemers terug te geven. De eerste manier is de standaard wijze, zoals omschreven in artikel 30A lid 4 en 6 CAO. De werkgever moet eerst met de werknemer overleggen over de opname van de tijd voor tijd en wel ten minste 24 uur voor de eerstbetaalde vrijedag.

De tweede manier is omschreven in Bijlage 3 Hoofdstuk IV CAO, onder punt 2. In het geval er aan het eind van een betalingsperiode minder dan het contractueel overeen-gekomen aantal uren is gewerkt, mag de werkgever dit maandelijks aanvullen met het eventuele saldo aan tijd voor tijd. [Eiseres] beroept zich op deze regeling. In de CAO is echter tevens bepaald dat deze tweede manier alleen mag worden gebruikt indien de werkgever dit met het personeel ( de OR of de kern van het personeel) heeft overlegd en instemming heeft verkregen.

(...)

3.1.13 [Verweerder] betwist het bestaan van collectieve dan wel individuele afspraken met het personeel over de tweede manier van teruggeven van tijd voor tijd. (...) Nu [eiseres] zich desalniettemin op instemming blijft beroepen, dan zal zij dit dienen te bewijzen. Kan [eiseres] dat niet, dan is de door [eiseres] gehanteerde compensatie in strijd met de CAO en dan kan het niet anders zijn dat de berekeningswijze van [verweerder] juist is, zodat de vordering van [verweerder] moet worden toegewezen."

3.4 Het hof heeft in zijn tussenarrest beslist dat [eiseres] wel gerechtigd was tot het toepassen van de tweede manier van teruggeven van tijd voor tijd. Bij (het nadien gehouden, schriftelijk) pleidooi heeft [verweerder] aan zijn al eerder, zij het in ander verband, ingenomen standpunt, dat uit de hiervoor in 3.1 onder (ix) aangehaalde Bijlage 12 blijkt dat [eiseres] geen halve rustdagen, halve werkgelegenheidsdagen of halve feestdagen mag teruggeven, toegevoegd dat [eiseres] dit veelvuldig wel heeft gedaan. In zijn eindarrest (rov. 7.7.3, slot) heeft het hof dit standpunt juist bevonden: uit de hiervoor onder 3.1 geciteerde CAO-bepalingen - het hof vermeldt niet het tussen * * geplaatste deel daarvan - volgt dat "de compensatiedagen voor rustdagen, werkgelegenheidsdagen en feestdagen" in hele dagen dienen te worden teruggegeven aan de werknemer, tenzij deze anders wenst, maar uit de door [eiseres] overgelegde overzichten blijkt dat "de compensatiedagen" en "de feestdagen" steeds ten onrechte in halve dagen zijn teruggegeven. Vervolgens zijn aan [verweerder] onder meer de hiervoor onder 1 genoemde bedragen ter zake van compensatie rustdagen en compensatie feestdagen over 2001, 2002 en 2003 toegewezen.

3.5.1 Onderdeel 3, dat terecht ervan uitgaat dat de uitleg die het hof heeft gegeven aan de CAO-bepalingen waarover het hier gaat in cassatie in volle omvang op juistheid kan worden onderzocht, zal als eerste worden behandeld. Dit onderdeel klaagt met name dat het hof die CAO-bepalingen ten onrechte aldus heeft uitgelegd dat compensatiedagen voor rustdagen, werkgelegenheidsdagen en feestdagen in hele dagen dienen te worden teruggegeven aan de werknemer, tenzij deze anders wenst. Ook de door [eiseres] toegepaste tweede manier van teruggeven van tijd voor tijd voorziet, zo betoogt het onderdeel onder verwijzing naar punt 22 van de memorie van antwoord, in het teruggeven van hele of halve dagen, maar daarbij is niet telkens voorafgaand overleg noodzakelijk met de desbetreffende werknemer.

3.5.2 Hetgeen het hof aan het slot van rov. 7.7.3 heeft overwogen, moet in het licht van

a) rov. 7.8.2 betreffende de vergoeding voor compensatie rust- dan wel vrije dagen alsmede voor compensatie feestdagen en

b) rov. 7.9.3, waarin het hof vaststelt dat door [eiseres] in 2003 op onderscheidenlijk 17 en 24 maart en 6 en 29 april in totaal vier werkgelegenheidsdagen van elk 8 uur zijn afgeboekt, aldus worden verstaan dat die compensatiedagen alsook de daarvan te onderscheiden werkgelegenheidsdagen in hele dagen dienen te worden teruggegeven aan de werknemer, tenzij deze anders wenst, en dat uit de door [eiseres] in het geding gebrachte overzichten blijkt dat alle compensatiedagen in halve dagen zijn teruggegeven. Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere lezing mist het daarom feitelijke grondslag.

3.5.3 [Eiseres] was gerechtigd de tweede manier van teruggeven van tijd voor tijd toe te passen. Voor die toepassing is ingevolge art. 26 lid 8 slechts plaats indien aan het einde van een betalingsperiode het totaal aantal gewerkte uren minder dan 173 onderscheidenlijk 160 bedraagt. Bij die tweede manier geschiedt het teruggeven aldus dat een in een betalingsperiode ontstaan tekort aan gewerkte uren wordt aangevuld tot 173 dan wel 160 met uren uit het tijd voor tijdsaldo. Van teruggeven van vrije tijd in letterlijke zin is daar, anders dan bij de eerste manier, dus geen sprake: er vindt verrekening plaats, waarbij in geval van een ontoereikend positief saldo een negatief tijd voor tijd saldo (min-uren) ontstaat of toeneemt. Een na verloop van een jaar eventueel nog resterend negatief saldo wordt op nul gezet.

3.5.4 Met uitzondering van de hiervoor in 3.1(ix) aangehaalde zin uit de daar genoemde toelichting luidende "Het is niet mogelijk om halve rustdagen, halve werkgelegenheidsdagen of halve feestdagen terug te geven aan de chauffeur!!" bevat de tekst van de achtereenvolgende CAO's geen aanknopingspunt voor het standpunt dat bij de tweede manier van teruggeven van tijd voor tijd een niet genoten rustdag, vrije dag of feestdag niet verrekend zou mogen worden in de vorm van twee blokken van vier uur, in plaats van één blok van acht uur. Bij het teruggeven door middel van verrekening gaat het immers, anders dan bij de eerste manier van teruggeven het geval is, niet om het daadwerkelijk teruggeven in vrije tijd en maakt het voor de werknemer dan ook geen verschil of het "teruggeven" van een dergelijke dag geschiedt door middel van verrekening van eenmaal acht uur dan wel tweemaal vier uur. De hiervoor tussen aanhalingstekens geplaatste zin, die gelezen moet worden in samenhang met de daaraan voorafgaande zin volgens welke het mogelijk is compensatiedagen, compensatiefeestdagen, tijd voor tijd dagen/spaaruurdagen en vakantiedagen in halve dagen op te nemen en met het bepaalde in art. 26 lid 4, beoogt slechts buiten twijfel te stellen dat deze wijze van daadwerkelijk teruggeven in vrije tijd van niet genoten rustdagen, vrije dagen of feestdagen uitsluitend met instemming van de werknemer kan geschieden. De in 3.5.1 weergegeven klacht, en daarmee ook de klacht tegen het oordeel dat uit de overzichten van [eiseres] blijkt dat de compensatiedagen en feestdagen ten onrechte in halve dagen zijn teruggegeven, treft dus doel.

3.6 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.7 Het hiervoor overwogene brengt mee dat de door het hof uitgesproken veroordeling niet in stand kan blijven voor zover deze betrekking heeft op compensatie- en feestdagen 2001, 2002 en 2003 en dat de vordering van [verweerder] in zoverre dient te worden afgewezen. De Hoge Raad kan zelf recht doen zoals hierna zal geschieden. Waar daarbij de door het hof uitgesproken toewijzing van de vordering van [verweerder] deels in stand zal blijven, kan de door het hof gegeven beslissing ten aanzien van de proceskosten ongewijzigd blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 mei 2007, doch uitsluitend voor zover [eiseres] daarin is veroordeeld tot betaling van geldbedragen ter zake van compensatie- en feestdagen over 2001, 2002 en 2003 en van vakantiebijslag en wettelijke rente daarover alsmede tot betaling van de wettelijke verhoging over die geldbedragen en de vakantiebijslag, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de desbetreffende vorderingen van [verweerder] af;

verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 452,03 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 juni 2009.