Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH4056

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
08/02702
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH4056
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 36 van de Verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 en artikel 11bis van de Verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987. Gemeenschappelijk douanevervoer Nederland-Zwitserland. Goederen komen niet op kantoor van bestemming aan. Inspecteur niet bevoegd tot invordering bij hoofdelijk aansprakelijk gestelde persoon, aangezien voorafgaand aan de invordering niet de vereiste kennisgeving aan de aangever of aan de hoofdelijk aansprakelijk gestelde persoon is verzonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2587 met annotatie van Feenstra
FutD 2009-2301
BNB 2010/9
V-N 2009/53.20

Uitspraak

Nr. 08/02702

23 oktober 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 mei 2008, nr. 04/370 DK, betreffende aan X te Z (hierna: belanghebbende) gerichte uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Van belanghebbende zijn bij op één aanslagbiljet verenigde uitnodigingen tot betaling invoerrechten en omzetbelasting geheven. De tegen die uitnodigingen door belanghebbende gemaakte bezwaren zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur afgewezen.

Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard en die uitspraken, alsmede de uitnodigingen tot betaling vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 12 februari 2009 geconcludeerd tot het schorsen van het geding en het stellen van een vraag van uitlegging van gemeenschapsrecht aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 10 december 1992 heeft G B.V. bij de douaneautoriteiten te Q aangifte gedaan voor douanevervoer met toepassing van de T1-regeling van een partij van 350 kartons sweatshirts (hierna: de goederen). De goederen waren volgens de aangifte bestemd te worden overgebracht naar Zwitserland, met als kantoor van bestemming Zollamt S en als kantoren van doorgang V en T.

3.1.2. De container waarin de goederen zich bevonden, is op 15 december 1992 met een vrachtwagencombinatie van een opslagterrein te Q opgehaald en verder over de weg vervoerd. Belanghebbende was de chauffeur van deze vrachtwagencombinatie.

3.1.3. Het kantoor van vertrek in Nederland heeft het terugzendingsexemplaar van het document T1 ontvangen. In vak I - getiteld: 'controle door het kantoor van bestemming (communautair douanevervoer)' - is een stempel geplaatst met de datum 18 december 1992 achter de tekst 'datum van aankomst'. Ook is op het exemplaar een stempel geplaatst met de vermelding 'Zollamt S-Freilager'.

3.1.4. Uit een onderzoek door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) naar zendingen waarbij mogelijk gebruik was gemaakt van valse Zwitserse douanestempels, is gebleken dat de hiervoor in 3.1.3 vermelde stempel met de vermelding 'Zollamt S-Freilager' vals was. In antwoord op daartoe gestelde vragen hebben de Zwitserse douaneautoriteiten de FIOD als volgt geïnformeerd:

"Die Waren wurden bei den Zollbehörden in der Schweiz nicht angemeldet. Wir verfügen über kein Indiz, dass die Waren in die Schweiz eingeführt, hier entladen oder von hier aus weiterspediert worden sind (...)"

3.1.5. Naar aanleiding van het onderzoek van de FIOD heeft de Inspecteur bij aanslagbiljet van 28 november 1997 van belanghebbende wegens deelname aan het onttrekken van de aangegeven goederen aan het douanetoezicht betaling gevorderd van invoerrechten en omzetbelasting.

3.1.6. De Nederlandse douaneautoriteiten hebben voorafgaand aan het verzenden van de uitnodigingen tot betaling noch de aangever, G B.V., noch belanghebbende schriftelijk ervan in kennis gesteld dat de goederen en het vervoersdocument het kantoor van bestemming niet hebben bereikt. Evenmin is G B.V. en/of belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen de daarvoor geldende termijn het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu het terugzendingsexemplaar van het document T1 is voorzien van een vervalste stempelafdruk en het document en de daarop vermelde goederen niet zijn aangebracht aan het kantoor van bestemming in Zwitserland, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat de goederen zijn aangebracht bij een ander kantoor van bestemming in Zwitserland, de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken in de zin van artikel 2, lid 1, aanhef en letter c, van Verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987, inzake de douaneschuld, Pb 1987, nr. L 201, voor zover het betreft de invoerrechten, en in de zin van artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn voor wat betreft de omzetbelasting.

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de invoerrechten en de omzetbelasting niet van andere schuldenaren dan de aangever kunnen worden geïnd ingeval de douane niet aan de aangever heeft medegedeeld dat de goederen en het vervoersdocument hun bestemming niet bereikt hebben en hem niet de gelegenheid heeft gegeven bewijs te leveren omtrent de plaats van de onregelmatigheid, zodat (ook) ten aanzien van belanghebbende het recht tot invordering van de invoerrechten, en, gelet op artikel 22 van de Wet, van de omzetbelasting, niet door de Inspecteur is verworven.

3.3. Tegen dit laatste oordeel en deze slotsom is het middel gericht met het betoog dat het niet voldoen aan de plicht de aangever mede te delen dat de goederen en het vervoersdocument hun bestemming niet hebben bereikt en hem de gelegenheid te geven bewijs te leveren omtrent de plaats van de onregelmatigheid, niet eraan in de weg staat de wegens de onttrekking verschuldigde invoerrechten en omzetbelasting van de andere douaneschuldenaren dan de aangever van het extern communautair douanevervoer in te vorderen.

3.4.1. Op het vervoer van goederen onder douanetoezicht naar Zwitserland was in 1992, het jaar waarin de onderwerpelijke aangifte is gedaan, van toepassing de bij het Besluit van de Raad van 15 juni 1987, nr. 87/415/EEG, Pb 1987, nr. L 226, goedgekeurde overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer (tekst 1992). In cassatie ervan uitgaande dat de goederen de Gemeenschap niet hebben verlaten, moet de vraag worden beantwoord of volgens de gemeenschappelijke voorschriften met betrekking tot extern communautair douanevervoer de Inspecteur bevoegd was de onderwerpelijke douaneschuld wegens het onttrekken aan het douanetoezicht dat aan het douanevervoer is verbonden, in te vorderen.

3.4.2. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zijn in een geval waarin de zending niet aan het kantoor van bestemming is aangebracht en, zoals in dit geval, de plaats van de overtreding of de onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, de douaneautoriteiten van het kantoor van vertrek bevoegd de rechten en andere heffingen te innen, mits dat kantoor de aangever overeenkomstig de geldende bepalingen heeft ingelicht en daarbij de termijn van drie maanden heeft vermeld binnen welke het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer moet worden geleverd of de plaats moet worden medegedeeld waar de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. De kennisgeving door het kantoor van vertrek aan de aangever is verplicht en moet voorafgaan aan de inning van de douaneschuld (zie onder meer HvJ EG 13 december 2007, Road Air Logistics Customs B.V., C-526/06, punt 33, BNB 2008/46). Deze verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt in elke tegen een persoon ingeleide procedure ter zake van communautair douanevervoer (HvJ EG 8 maart 2007, Gerlach und Co. mbH, C-44/06, punt 38).

Buiten redelijke twijfel geldt deze verplichting, als voorwaarde voor de inningsbevoegdheid, ook indien het gaat om de inning van een douaneschuld bij een andere douaneschuldenaar dan de aangever van het communautaire douanevervoer. Deze verplichting tot kennisgeven is immers niet slechts bedoeld om het belang van de aangever te dienen, maar ook gericht op het verkrijgen van gegevens die van belang zijn om te bepalen in welke lidstaat de onregelmatigheid of overtreding is begaan en mitsdien welke lidstaat uit dien hoofde bevoegd is tot inning van de douaneschuld. Het ligt in de lijn van de jurisprudentie van het Hof van Justitie om de lidstaat van vertrek onbevoegd te achten tot elke inning van de douaneschuld, van welke douaneschuldenaar ook, indien de verplichting tot kennisgeven niet is nagekomen.

Dit een en ander geldt ook voor de situatie waarin de douaneautoriteiten aanvankelijk op basis van valse handtekeningen en stempels hebben aangenomen dat de goederen bij het kantoor van bestemming waren aangeboden en op grond van een onderzoek achteraf de valsheid van de handtekeningen en stempels wordt ontdekt (zie HR 2 maart 2007, nr. 39200, LJN AS4097, BNB 2007/219).

3.4.3. Uit het hiervoor in 3.4.2 overwogene volgt dat de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende niet tot innen van de douaneschuld bevoegd was, aangezien hij heeft nagelaten voorafgaande aan de mededeling van de douaneschuld de aangever overeenkomstig de communautaire voorschriften in te lichten, zodat het middel faalt.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2009.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447.