Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH3678

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
07/11211
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH3678
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geldigheid betekening dagvaarding in hoger beroep. HR herhaalt relevante overwegingen t.a.v. betekening dagvaarding uit HR LJN AD5163. Uit de stukken kan niet blijken dat is getracht de appeldagvaarding uit te reiken aan het adres dat verdachte bij het instellen van het appel heeft opgegeven, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. In het licht hiervan is het in de bestreden – bij verstek gewezen – uitspraak besloten liggende oordeel dat verdachte behoorlijk is gedagvaard, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 716
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 mei 2009

Strafkamer

nr. 07/11211

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 mei 2006, nummer 23/006250-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest behoudens voor zover daarbij het vonnis waarvan beroep is vernietigd, en tot terugwijzing van de zaak in zoverre naar het Gerechtshof te Amsterdam dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte de dagvaarding in hoger beroep niet nietig heeft verklaard.

2.2. De stukken van het geding houden het volgende in.

(a) Op 20 september 2005 is de dagvaarding van de verdachte om op 14 november 2005 te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Haarlem in persoon uitgereikt in het Detentiecentrum "Zeist" te Soesterberg.

(b) Op 14 november 2005 heeft de Politierechter de verdachte veroordeeld nadat de zaak bij verstek was behandeld.

(c) De verdachte heeft op 25 november 2005 door middel van een verklaring als bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv gericht aan de directeur van het Detentiecentrum "Zeist" te Soesterberg, hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

(d) De appeldagvaarding is op 7 april 2006 uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank te Amsterdam omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".

(e) Een aan het dubbel van die dagvaarding gehecht verwerkingsoverzicht GBA-gegevens van 7 april 2006 houdt in dat de verdachte niet is gedetineerd en dat van de verdachte sinds 5 maart 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats bekend is.

(f) Op de terechtzitting van het Hof van 15 mei 2006 is de verdachte noch een raadsman verschenen en is tegen de verdachte verstek verleend. Het proces-verbaal vermeldt dat de verdachte "thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande" is.

2.3. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, zoals het adres dat de verdachte bij het instellen van het appel heeft opgegeven (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317 rov. 3.24 sub b).

2.4. Mede gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit de stukken niet blijkt dat is getracht de appeldagvaarding uit te reiken aan het hiervoor onder 2.2 sub (c) vermelde adres, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied, is het in het bestreden - bij verstek gewezen - arrest besloten liggende oordeel dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard, niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is dus terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven zodat het tweede middel geen bespreking behoeft. De Hoge Raad zal de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 26 mei 2009.