Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH3318

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
08/00438
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

teruggaaf regulerende energiebelasting, termijn verzoek, artikel 8c, lid 1, Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/5336
BNB 2009/108
V-N 2009/10.37 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 08/00438

20 februari 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 december 2007, nr. P06/00079, betreffende na te melden beslissing inzake een verzoek om teruggaaf van regulerende energiebelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van regulerende energiebelasting. De Inspecteur heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak ongegrond verklaard.

De Rechtbank te Leeuwarden heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof, en belanghebbende incidenteel hoger beroep.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is grootverbruiker van gasolie. Over de jaren 1997 tot en met 2002 heeft zij steeds verzocht om gedeeltelijke teruggaaf van regulerende energiebelasting, welke verzoeken zijn afgewezen. Tegen de afwijzende beschikkingen over de jaren 1997, 1999, 2000, 2001 en 2002 is geen bezwaar gemaakt, tegen die over 1998 wel. Laatstbedoeld bezwaar werd ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is geen beroep ingesteld. Over het jaar 2000 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd. Tegen deze naheffingsaanslag is geen bezwaar ingediend.

Naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 21 november 2003, nr. 37612, BNB 2004/67, en nr. 37852, BNB 2004/68, heeft belanghebbende op 23 februari 2004 verzoeken om teruggaaf van regulerende energiebelasting gedaan over de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002.

3.2. Verzoeken om teruggaaf van regulerende energiebelasting als bedoeld in - destijds - artikel 36l, lid 1, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet) dienden op grond van de voor de onderhavige jaren toepasselijke bepaling, vervat in artikel 8c, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag (hierna: het Besluit), uiterlijk dertien weken na het einde van het kalenderjaar te worden gedaan. Het Hof heeft, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de brief van belanghebbende van 23 februari 2004 zelfstandige verzoeken om teruggaaf inhoudt, vastgesteld dat die verzoeken niet binnen de hiervoor bedoelde termijn zijn ingediend. Belanghebbendes stelling dat het hier geen fatale termijn betreft, vindt naar het oordeel van het Hof geen steun in het recht. Tegen dat oordeel richt zich een van de klachten.

3.3. Op grond van artikel 36l, lid 3, van de Wet (tekst 1997, sindsdien in de loop van de onderhavige jaren enkele malen vernummerd) konden bij algemene maatregel van bestuur voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in - onder meer - artikel 36l, lid 1, van de Wet, wordt verleend. De vaststelling van het Besluit berust op deze grondslag. Aan het voorschrift van artikel 8c, lid 1, van het Besluit, dat het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, lid 1, van de Wet uiterlijk dertien weken na het einde van het kalenderjaar dient te worden gedaan, kan geen andere strekking worden toegekend dan dat daarmee een voorwaarde is gesteld die tot gevolg heeft dat bij niet-voldoening daaraan het recht op teruggaaf vervalt. Het bestreden oordeel van het Hof is derhalve juist, zodat de klachten in zoverre falen.

3.4. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2009.