Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH2623

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
08/00161
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH2623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Loonbetaling incl. overwerkvergoeding, strijdigheid beding arbeidsovereenkomst met CAO in zin van art. 12 Wet op de CAO?; verwijzingsinstructie.

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 583
NJ 2009, 205
RAR 2009, 87
NJB 2009, 928
JWB 2009/174
JAR 2009/130
AR-Updates.nl 2009-0332 met annotatie van R.M. Beltzer
XpertHR.nl 2010-366717
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 april 2009

Eerste Kamer

08/00161

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. S.F. Sagel, thans mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1] en [eiseres 2], dan wel als [eiser] c.s., en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] c.s. hebben bij afzonderlijke exploiten van 13 juni 2003 [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton, en gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te veroordelen om aan elk van hen 2025,5 onbetaald gelaten overuren uit te betalen ten bedrage van (na herberekening van hun vorderingen bij akte van 18 februari 2005) € 40.603,93 onderscheidenlijk € 34.622,99, alsmede niet-genoten vakantiedagen, vakantietoeslag en reis- en menagekosten uit te betalen als nader in de genoemde akte berekend, alles vermeerderd met wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft de zaken gevoegd behandeld en, na tussenvonnissen van 16 april 2004, 1 oktober 2004 en 14 januari 2005 waarbij onder andere een comparitie van partijen is gelast en [verweerster] bewijs is opgedragen, bij eindvonnis van 3 juni 2005 [verweerster] veroordeeld om aan [eiser] c.s. aan overwerkvergoeding een bruto bedrag te betalen van in totaal € 47.289,20 onderscheidenlijk € 40.613,22, te verminderen met de reeds door [verweerster] in december 2004 betaalde bedragen, en te verhogen met wettelijke rente en 10% wettelijke verhoging, alsmede met incassokosten.

Tegen deze vonnissen heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 20 september 2007 heeft het hof het bestreden vonnis van 3 juni 2005 vernietigd voor zover [verweerster] daarbij is veroordeeld aan [eiser] c.s. te betalen € 40.603.93 respectievelijk € 34.662,99 bruto voor overwerk en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] c.s. ter zake van overwerk afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 20 februari 2009 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tussen [eiser] c.s. enerzijds en [verweerster] anderzijds hebben van 1 juli 2000 tot en met 30 september 2002 arbeidsovereenkomsten bestaan, die op verzoek van [verweerster] bij beschikkingen van 4 september 2002 door de kantonrechter zijn ontbonden.

(ii) [Eiser 1] was in dienst als kapitein tegen een maandsalaris van laatstelijk € 2.909,20 bruto; [eiseres 2] was aangesteld als matroos tegen een bruto-salaris van laatstelijk € 2.482,85 per maand. [Eiser 1] en [eiseres 2] waren (als enige bemanningsleden) tezamen werkzaam op het door [verweerster] geëxploiteerde motorschip "[A]", met welk schip zij vrachten in Nederland en België vervoerden voor opdrachtgevers van [verweerster].

(iii) Op de arbeidsovereenkomsten was van toepassing de CAO voor de Binnenscheepvaart (hierna: de CAO).

(iv) Voordat de respectieve arbeidsovereenkomsten tot stand kwamen, hadden [eiser] c.s. dezelfde werkzaamheden voor [verweerster] verricht op declaratiebasis.

3.2 In cassatie zijn nog slechts aan de orde de vorderingen tot betaling van, volgens opgave van [eiser] c.s., 2052,5 uren door elk van hen verricht overwerk. De kantonrechter heeft die vorderingen toegewezen, het hof heeft deze aan [eiser] c.s. alsnog ontzegd. Het heeft daartoe overwogen dat de arbeidsovereenkomsten aldus moeten worden uitgelegd dat de overeengekomen salarissen - die substantieel hoger lagen dan de in de CAO voorziene normsalarissen en afweken van hetgeen gebruikelijk was - inclusief het te verrichten overwerk waren (rov. 4.7). Het heeft vervolgens onderzocht of [eiser] c.s. in ieder geval het hun op grond van de CAO toekomende hebben ontvangen, uitgaande van hetgeen hun volgens de CAO zou toekomen aan bij hun respectieve functies behorend minimumsalaris en overwerkvergoeding (rov. 4.8). In rov. 4.9 heeft het hof de door [verweerster] in eerste aanleg verstrekte, door [eiser] c.s. in zoverre niet weersproken, berekening weergegeven van de [eiser] c.s. ingevolge de CAO over de periode 1 juli 2000 tot 30 september 2002 toekomende bruto-basissalarissen en overwerkvergoedingen, uitgaande van een uurloon voor overwerk van respectievelijk € 10,94 (voor [eiser 1]) en € 9,61 (voor [eiseres 2]), en de hun in werkelijkheid betaalde (bruto-)totaalbedragen. Dat resulteert, aldus het hof, in een overwerkvergoeding van respectievelijk € 15,66 (voor [eiser 1]) en € 12,91 (voor [eiseres 2]) bruto per uur, hetgeen aanzienlijk meer is dan het in de CAO-tabellen opgenomen uurloon (rov. 4.10).

3.3 Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 4.7 en klaagt dat de beslissing van het hof dat partijen zijn overeengekomen dat de in de arbeidsovereenkomsten vastgelegde salarissen inclusief een vergoeding voor overwerk waren, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, in het licht van het door [verweerster] bij dupliek in eerste aanleg overgelegde faxbericht van haar administrateur van 29 juni 2000, waarin een toelichting is gegeven op de aan [eiser] c.s. daarbij toegezonden arbeidscontracten en waarin is vermeld: "Extra overuren worden uiteraard vergoed, mits er een urenverantwoording tegenover staat.", op welke passage [eiser] c.s. hun in het onderdeel als essentieel bestempelde stelling hebben gebaseerd dat [verweerster] aldus erkent dat overwerk afzonderlijk zou worden vergoed.

Deze klacht faalt. Evenmin als de kantonrechter, die [verweerster] heeft belast met het bewijs dat zij met [eiser] c.s. een loon inclusief overwerkvergoeding was overeengekomen, en die een dergelijke erkenning van [verweerster] in dat faxbericht dus niet heeft gelezen, heeft het hof die passage kennelijk opgevat in de door [eiser] c.s. bedoelde zin. Dat is niet onbegrijpelijk, nu in de faxbrief gesproken wordt over vergoeding voor extra overuren, waarbij partijen in de visie van het hof het oog kunnen hebben gehad op verdere overuren dan die, benodigd voor het uitvoeren van het aantal overeengekomen vaaruren, waarin in de hoogte van het salaris was voorzien.

3.4.1 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 4.8 - 4.10 en behelst in de kern de klacht dat het hof ten onrechte, in strijd met art. 12 Wet CAO, heeft onderzocht of, uitgaande van het door [eiser] c.s. gestelde aantal overuren tijdens het gehele dienstverband, aan ieder van hen, eveneens bezien over de gehele looptijd van de arbeidsovereenkomsten, zoveel salaris is betaald dat dat bedrag ten minste gelijk is aan het over die gehele periode verschuldigde CAO-basisloon, vermeerderd met de overwerkvergoeding die volgens de CAO minimaal verschuldigd is over alle gewerkte overuren.

3.4.2 Deze klacht is terecht voorgesteld. Zoals is beslist in HR 14 januari 2000, nr. C98/173, NJ 2000, 273, brengt de omstandigheid dat ingevolge art. 12 Wet CAO "elk beding" dat strijdig is met een CAO waaraan beide partijen gebonden zijn, nietig is, en dat in plaats van zodanig beding de bepalingen van de CAO gelden, mee dat, indien ervan moet worden uitgegaan - zoals in deze zaak het geval is - dat een CAO een minimumgarantie met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden bevat en dat bedingen die ten gunste van de werknemer van de CAO afwijken, geldig zijn, het hof had dienen te onderzoeken of hetgeen ten aanzien van het overwerk in de arbeidsovereenkomsten is bepaald, gunstiger is dan het dienaangaande in de CAO bepaalde. Het hof had derhalve niet het in de arbeidsovereenkomst omtrent het salaris en omtrent het overwerk bepaalde als één geheel mogen beschouwen en op grond daarvan tot de slotsom mogen komen dat volgens de CAO het salaris van [eiser] c.s., vermeerderd met de volgens de CAO minimaal verschuldigde vergoeding voor het door hen gestelde aantal gewerkte overuren, over de gehele duur van de arbeidsovereenkomsten bezien, een geringer bedrag opleverde dan het hun op grond van de arbeidsovereenkomst toekomende salaris, zodat [verweerster] [eiser] c.s. niet te weinig - waarmee het hof kennelijk bedoelt: minder dan het hun in de CAO gegarandeerde minimum - aan loon en overwerkvergoeding heeft uitbetaald.

3.4.3 Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven. Het omstreden beding - dat in de uitleg die het hof daaraan in rov. 4.7 heeft gegeven, neerkomt op een forfaitaire maandelijkse vergoeding voor overwerk - moet als ongeldig worden aangemerkt in zoverre het niet voorziet in een bijkomende vergoeding over maanden waarin [eiser] c.s. een zodanige hoeveelheid overuren hebben gewerkt dat zij beter uit zouden zijn geweest met het salaris en de vergoeding van dat overwerk die hun ingevolge de CAO minimaal zou toekomen. [Eiser] c.s. hebben over die maanden aanspraak op aanvulling van hun bedongen vergoeding tot het bedrag dat hun volgens de CAO minimaal zou toekomen.

Partijen zullen na verwijzing hun stellingen aan het vorenoverwogene kunnen aanpassen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 20 september 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 2.420,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 april 2009.