Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH2415

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
07/13608 Hs
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH2415
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening geurproef. M.b.t. het bewijs van het onder 3 tlg. feit is aannemelijk dat de PR bij uitstek aan het desbetreffende resultaat van de geuridentificatieproef heeft ontleend dat aanvrager in verband moet worden gebracht met dit strafbare feit. I.c. moet het daarom ervoor worden gehouden dat de PR zonder de uitkomst van deze onregelmatige geuridentificatieproef uit het beschikbare andere bewijsmateriaal niet met voldoende mate van aannemelijkheid zou hebben afgeleid dat de aanvrager de persoon is die genoemd feit heeft gepleegd. Er is dus sprake van een ernstig vermoeden dat de PR de aanvrager van dit feit zou hebben vrijgesproken en dus van een omstandigheid a.b.i. art. 457.1.2°, Sv. Aanvraag gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2009

Strafkamer

nr. 07/13608 Hs

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 7 mei 1999, nummer 07/440048-99, ingediend door mr. J.A. van der Lem, advocaat te Deventer, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, voor dit verzoek woonplaats kiezende te Deventer ten kantore van zijn advocaat.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren" (feit 1), "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" (feit 2) en "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" (feit 3) veroordeeld tot 240 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte, ter vervanging van 6 maanden gevangenisstraf, met aftrek ex art. 27 Sr van 161 uren. Bij beslissing van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 20 september 2001 is die straf op de voet van art. 22g Sr omgezet en is aan de aanvrager een gevangenisstraf van 2 maanden opgelegd.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvrage heeft kennelijk uitsluitend betrekking op het onder 3 bewezenverklaarde feit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren voor zover deze betrekking heeft op feit 3, voor zover nodig de opschorting of schorsing van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

4. Achtergrond van de aanvrage

Aan de aanvrage is gehecht een brief van mei 2007 van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van 1997 tot en met maart 2006 door speurhondengeleiders. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.

5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789).

5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

6. Beoordeling van de aanvrage

6.1. Het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd betreft, voor zover hier van belang, een veroordeling van de aanvrager ter zake van diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, gepleegd op 15 januari 1999, in een sigarenwinkel aan [a-straat] te Deventer, waarbij sloffen sigaretten werden weggenomen.

6.2. De Politierechter heeft volstaan met een "Aantekening mondeling vonnis". Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde feit worden afgeleid hetgeen de Advocaat-Generaal dienaangaande in zijn conclusie onder 8 heeft weergegeven.

6.3. Met betrekking tot het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde feit is aannemelijk dat de Politierechter bij uitstek aan het desbetreffende resultaat van de geuridentificatieproef heeft ontleend dat de aanvrager in verband moet worden gebracht met dit strafbare feit. In het onderhavige geval moet het daarom ervoor worden gehouden dat de Politierechter zonder de uitkomst van deze onregelmatige geuridentificatieproef uit het beschikbare andere bewijsmateriaal niet met voldoende mate van aannemelijkheid zou hebben afgeleid dat de aanvrager de persoon is die het onder 3 tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

Dit betekent dat het hiervoor in 5.3 bedoelde geval zich ten aanzien van dit feit voordoet, zodat in zoverre sprake is van een ernstig vermoeden dat de Politierechter de aanvrager van dit feit zou hebben vrijgesproken.

6.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage, die betrekking heeft op het onder 3 bewezenverklaarde feit, gegrond is en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;

beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 7 mei 1999;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak wat betreft feit 3 op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor de overige feiten op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 10 februari 2009.