Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BH1911

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
07/10668
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH1911
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belastingfraude. Handel in aandelen van ‘winstvennootschappen’. O.m. deelneming aan een criminele organisatie dat tot oogmerk had het doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en het omkopen van andere personen dan ambtenaren, ontvankelijkheid OM o.g.v. verjaring t.a.v. art. 328ter.1 Sr. HR: ’s Hofs verwerping van het verweer dat t.z.v. de tlg. misdrijven van art. 328ter.1 Sr het recht tot strafvordering is vervallen, getuigt niet van een onjuiste rechtopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 915
NJ 2010, 20

Uitspraak

7 juli 2009

Strafkamer

nr. 07/10668

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juli 2007, nummer 23/001837-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte 7], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de strafvervolging ter zake van het onder 5 tenlastegelegde en de opgelegde gevangenisstraf zal verminderen met vijf maanden, subsidiair de zaak zal terugwijzen naar het Hof, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het vijfde middel

2.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2006 gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van het onder 5 tenlastegelegde.

2.2. Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep onder 5 tenlastegelegd dat:

"hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1992 tot en met 11 april 2000 te gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, anders dan als ambtenaar, immers werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [G] B.V. en/of [H] N.V. en/of een of meer andere vennootschappen, naar aanleiding van hetgeen hij verdachte in zijn dienstbetrekking(en) heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, te weten (onder meer) het bemiddelen bij aankoop en/of de verkoop van diverse vennootschappen aan [C] en/of het sluiten van overeenkomsten met [C] en/of het overleggen met de belastingdienst, (telkens) een gift en/of een belofte, namelijk een hoeveelheid geld per transactie, althans een of meer giften en/of beloften heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw (telkens) heeft verzwegen tegenover zijn werkgever."

2.3. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer het volgende in:

"1. De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie in zijn vervolging ter zake van het onder 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens ingetreden verjaring.

2. Onder 5 wordt de verdachte - voor zover relevant - verweten dat hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1992 tot 1 januari 1999 meermalen, anders dan als ambtenaar, immers werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij - kort gezegd - een tweetal banken, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan dan wel zal doen, telkens een gift heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw telkens heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

3. De bespreking van het verweer vergt enige vaststellingen van feitelijke aard. De verdachte is gedurende de tenlastegelegde periode werkzaam geweest als hoofd fiscale zaken van de [H] N.V., tevens concerndirécteur van die bank. Voorts was hij uit dien hoofde aangesteld als statutair directeur van de bank Van [G] B.V., een dochtervennootschap van de [H]. In deze hoedanigheid heeft de verdachte als vertegenwoordiger van deze banken zijn bijdrage geleverd aan transacties in zogeheten winstvennootschappen, waarbij ten minste één van de banken optrad als verkoper van winstvennootschappen aan [C]. Met ingang van 1 januari 1999 is het dienstverband tussen de verdachte en de banken beëindigd. De verdachte wordt verweten, aldus begrijpt het hof de tenlastelegging in het licht van het onderliggende strafdossier, dat hij in privé heeft geprofiteerd van deze handel in winstvennootschappen doordat na iedere transactie waarbij hij namens deze bank(en) was betrokken ten laste van [C] via omwegen een geldbedrag werd overgemaakt naar - uiteindelijk - een op zijn naam gestelde bankrekening in Luxemburg. Voorts wordt de verdachte verweten samen met zijn toenmalige vriendin op kosten van [C] een plezierreisje naar de Bahama's te hebben gemaakt. De verdachte heeft nimmer tegenover zijn werkgever, c.q. zijn meerderen binnen de [H], gewag gemaakt van de ontvangst van deze geldbedragen en van de betaling van dit reisje.

4. Het verwijt vindt een wettelijke basis in het eerste lid van artikel 328ter Sr., waarvan de redactie voor zover relevant als volgt luidt:

"Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking (...), naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking (...) heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte aanneemt en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever (...), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar (...)."

5. Ingevolge artikel 70 Sr. vervalt in dit geval het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren. Vanwege artikel 72 Sr. stuit elke daad van vervolging de verjaring en vangt na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aan. Onverminderd het bepaalde in artikel 73 Sr. Geldt met ingang van 1 januari 2006 voor strafbare feiten die op dat moment nog niet zijn verjaard bovendien dat het recht tot strafvordering vervalt indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het strafbare feit geldende verjaringstermijn.

6. Thans rijst de vraag wanneer de verjaringstermijn of verjaringtermijnen een aanvang heeft of hebben genomen. Artikel 71 Sr. bepaalt dat die termijn aanvangt op de dag na die waarop het strafbare feit is gepleegd.

7. De bestanddelen van het in artikel 328ter, lid 1 Sr. omschreven delict betreffen (naast het bestaan van een zekere dienstbetrekking en de aanwezigheid van een aanleiding voor de gift of belofte):

(i) het aannemen van een gift of belofte, en

(ii) het in strijd met de goede trouw verzwijgen ervan tegenover zijn werkgever.

8. Hieruit moet worden opgemaakt dat dit misdrijf niet reeds na het aannemen van de gift of belofte is voltooid. De voltooiing ervan hangt vervolgens nog af van de vervulling van het onder (ii) beschreven delictsbestanddeel, te weten de verzwijging.

Het in strijd met de goede trouw verzwijgen van het aannemen van een gift of belofte merkt het hof aan als één voortdurende omissie. Daardoor is het delict pas voltooid als de dader niet langer in gebreke is.

Een andersluidende opvatting, namelijk dat van het verzwijgen in de zin van deze wetsbepaling reeds sprake is en de strafbaarheid te dier zake onomkeerbaar is ingetreden zodra de dader een eerste gelegenheid om tegenover zijn werkgever melding te maken van het aannemen van de gift of belofte ongebruikt heeft laten verstrijken, doet naar 's hofs oordeel geen recht aan het verwijt dat de dader treft door ook na die eerste gelegenheid onverminderd te blijven zwijgen. Bovendien zou deze andersluidende opvatting (naar 's hofs oordeel ten onrechte) meebrengen dat een pas ná die eerste gelegenheid aan de werkgever gedane mededeling omtrent het aannemen van een gift of belofte de strafbaarheid aan het eerder verzwijgen niet doet ontvallen, nu het misdrijf- in die opvatting - al zou zijn voltooid.

9. In de onderhavige zaak wordt de verdachte verweten dat hij ten aanzien van iedere afzonderlijke gift in gebreke is gebleven daarvan melding te maken tegenover zijn werkgever. De termijn van verjaring heeft dus ten aanzien van iedere gift in elk geval niet eerder een aanvang genomen dan op of na 1 januari 1999, de dag waarop zijn dienstbetrekking in het kader waarvan de giften (zouden) hebben plaatsgehad werd beëindigd.

10. Het verwijt van - kort gezegd - niet ambtelijke omkoping is vooreerst vermeld op de aan de verdachte uitgereikte nadere vordering g.v.o. van 21 februari 2003. Deze datum is gelegen voor afloop van de verjaringstermijn(en). Het indienen van een nadere vordering g.v.o. betreft een de verjaring stuitende vervolgingshandeling die in casu [verdachte 7] bekend is geworden.

11. De verjaring is dus nog niet ingetreden. Het hof verwerpt het verweer."

2.4. 's Hofs verwerping van het verweer dat ter zake van de tenlastegelegde misdrijven van art. 328ter, eerste lid, Sr het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, H.A.G. Splinter-van Kan, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 juli 2009.