Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG9458

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
C07/201HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG9458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Pensioenverevening. Afstortingsplicht vennootschap voormalige echtgenoot (d.g.a.) van kapitaal voor aan andere echtgenoot toekomend deel van pensioenaanspraak; redelijkheid en billijkheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Pensioenwet 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 155
RvdW 2009, 440
PJ 2009, 73 met annotatie van C.M.C.P. van Herpen-Thuring
NJB 2009, 708
JWB 2009/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 maart 2009

Eerste Kamer

Nr. C07/201HR

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie, verweerster in het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. D. Rijpma,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster]

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiseres] heeft bij exploten van 13 en 14 september 2004 haar ex-echtgenoot [betrokkene 1], [verweerster], [A] Holding B.V. en [B] B.V. gedagvaard voor de rechtbank Utrecht, sector kanton, en gevorderd, kort gezegd:

* die van gedaagden die het zal blijken aan te gaan te veroordelen om, rekening houdend met na 1 juli 2004 gedane betalingen, per 1 juli 2004 over te gaan tot afstorting bij een solide pensioenverzekeraar van een bedrag van € 497.985,-- en een bedrag van € 49.375,--, te vermeerderen met bedragen die nodig zijn voor indexering van de pensioenen aan de hand van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie;

* die van gedaagden die het zal blijken aan te gaan te veroordelen om te betalen aan [eiseres] over de periode juli 2003 tot en met juni 2004 3,3% van € 3.548,-- ofwel € 117,08 per maand;

* die van gedaagden die het zal blijken aan te gaan te veroordelen om te betalen aan [eiseres] een bedrag van € 3.250,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Gedaagden in eerste aanleg hebben de vordering bestreden en een incidentele vordering tot onbevoegdheid ingesteld. De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de sector handels- en familierecht van dezelfde rechtbank.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 29 juni 2005, alleen ten laste van [verweerster], de vordering voor een belangrijk deel toegewezen.

Tegen het eindvonnis hebben zowel [eiseres] als [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 8 maart 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, verstaan dat de vorderingen voor zover gericht tegen [betrokkene 1] niet worden gehandhaafd, [verweerster] veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.273,70 ter zake van indexering van de aan haar over de periode 1 juli 2003 t/m 1 juli 2006 gedane pensioenbetalingen en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld.

[Verweerster] heeft (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiseres] mede door mr. R.L. Bakels, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper in het principale beroep strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, en in het (voorwaardelijk) incidentele beroep tot verwerping.

De advocaat van [verweerster] heeft bij brief van 23 januari 2009 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] en [betrokkene 1] zijn op 1 november 1963 gehuwd. Het huwelijk is op 29 augustus 1996 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) [Betrokkene 1] is directeur/grootaandeelhouder van [verweerster]

(iii) Bij pensioenbrieven van 24 april 1992 zijn door aan [verweerster] gelieerde vennootschappen aan [betrokkene 1] en [eiseres] pensioentoezeggingen gedaan. In die pensioenbrieven is telkens aangegeven dat de pensioenregeling in eigen beheer zal worden uitgevoerd. Deze pensioenverplichtingen zijn in 2003 door [verweerster] overgenomen. Het betreft verplichtingen ter zake van ouderdoms- en nabestaandenpensioen jegens [eiseres] en jegens [betrokkene 1].

(iv) Het ouderdomspensioen van [eiseres] en van [betrokkene 1] is in 2002 ingegaan. [Eiseres] heeft vanaf 1 juli 2002 pensioenuitkeringen ontvangen, welke betalingen vanaf 1 januari 2004 door [verweerster] zijn gedaan. In verband met de tussen [eiseres] en [betrokkene 1] bestaande pensioenvereveningsplicht ontvangt [eiseres] 50% van het haar toekomende pensioen en 50% van het pensioen waarop [betrokkene 1] aanspraak kan maken.

3.2 [Eiseres] heeft in de onderhavige procedure gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat door (onder meer) [verweerster] onder een solide pensioenverzekeraar bedragen worden afgestort, berekend naar de contante waarde (na verevening en conversie) van de ten opzichte van haar geldende pensioenverplichtingen, met nevenvorderingen.

3.3 Nadat de vorderingen van [eiseres] in eerste aanleg voor een belangrijk deel waren toegewezen, heeft het hof in het door beide partijen ingestelde hoger beroep haar vordering tot afstorting afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

"4.8 Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de B.V. niet gehouden is tot afstorting van haar pensioenverplichtingen jegens [eiseres] over te gaan.De B.V. heeft in de eerste plaats uitdrukkelijk betwist dat zij [eiseres] heeft toegezegd om tot afstorting van haar pensioenverplichtingen over te gaan en het bestaan van overeenstemming over afstorting kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet worden afgeleid uit de kennelijk door [betrokkene 1] in het kader van een alimentatieprocedure gedane mededeling dat hij bereid is afstorting van de pensioenvoorzieningen "in onderling overleg" te regelen. Het betalen van de door [eiseres] onder de noemer "afstorten" gevorderde bedragen is bovendien iets anders dan in het algemeen onder "afstorten" van pensioenrechten wordt verstaan, te weten het storten onder een derde van het ter nakoming van pensioenverplichtingen jegens degene met wie afstorting wordt overeengekomen opgebouwde kapitaal. [Eiseres] gaat blijkens de bedragen, waarop haar vordering betrekking heeft, immers uit van conversie van de door beide partijen opgebouwde pensioenrechten, waarbij de ouderdomspensioenen die [betrokkene 1] en [eiseres] voor zichzelf hebben opgebouwd samen met het bij die respectieve pensioenvoorzieningen behorende bijzonder nabestaandenpensioen bij helfte worden gedeeld en worden omgezet in een eigen ouderdomspensioen voor ieder van hen. Dat is een andere verevening van de pensioenrechten dan de standaard verdeling waartoe gewezen echtelieden na ontbinding van hun huwelijk op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding gehouden zijn. Die afwijkende verdeling behoeft een uitdrukkelijke overeenkomst tussen partijen. Gesteld noch gebleken is dat tussen [eiseres] en [betrokkene 1] overeenstemming over een dergelijke afwijkende regeling is bereikt.

De mededeling van [betrokkene 1] op meergenoemde terechtzitting houdt, zoals de B.V. ook heeft aangevoerd, niet meer in dan dat [betrokkene 1] bereid was over afstorting van pensioenrechten te overleggen in het kader van een regeling ("in onderling overleg") over de pensioenverevening. Dat betekent dat er nog geen verbintenisscheppende overeenkomst ten aanzien van afstorting van pensioenrechten bestond zolang geen overeenstemming was bereikt over andere essentiële punten die in het kader van de verevening van de pensioenrechten geregeld moesten worden zoals de vraag welke pensioenrechten moesten worden afgestort (alleen de pensioenverplichtingen jegens [eiseres] of de geconverteerde pensioenrechten) en hoe die afstorting zou worden verwerkt in de pensioenverevening tussen [eiseres] en [betrokkene 1]. Dat [eiseres] en [betrokkene 1] daarover nog geen overeenstemming hadden, blijkt ook uit het feit dat [eiseres] kennelijk conversie van alle opgebouwde pensioenrechten voor ogen had, terwijl [betrokkene 1] slechts over "afstorting" heeft gesproken. Grief 1 in het door de B.V. ingestelde appel slaagt derhalve.

4.9 Ook de twee andere door [eiseres] aan haar vordering ten grondslag gelegde stellingen kunnen niet tot toewijzing van haar vordering leiden. Noch het feit dat zij het "schrijnend" vindt haar pensioen van een met [betrokkene 1] gelieerde BV te moeten ontvangen noch het feit dat het mogelijk in haar belang is dat haar pensioenaanspraken uit de sfeer van [betrokkene 1] worden gehaald leiden tot een (rechtens afdwingbare) verplichting van de B.V. tot storting van de door [eiseres] opgebouwde pensioenrechten onder een derde. De vordering tot afstorting van pensioenrechten wordt dus afgewezen."

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Onderdeel 1.1 van het middel richt zich tegen rov. 4.8 en 4.9 van het hof met de klacht dat zijn oordeel dat [verweerster] niet gehouden is tot afstorting van haar pensioenverplichtingen jegens [eiseres] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

4.2 Het onderdeel neemt tot uitgangspunt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen - welke eisen ook mede bepalend kunnen zijn voor hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid in de verhouding tussen de vereveningsgerechtigde en de vennootschap meebrengen - in het algemeen meebrengen dat de tot verevening verplichte echtgenoot, die als directeur/grootaandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting door die rechtspersoon bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel

van de pensioenaanspraak. Dat uitgangspunt is juist (vgl. HR 9 februari 2007, nr. R06/021, NJ 2007, 306 en HR 12 maart 2004, nr. C02/319, NJ 2004, 636).

4.3 De bestreden overwegingen laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat het hof ervan is uitgegaan dat eerst dan een verplichting tot zodanige afstorting op [verweerster] kan rusten, indien zulks uitdrukkelijk is overeengekomen. Aldus heeft het hof miskend dat het bij zijn beoordeling van de vordering tot afstorting het hiervoor bedoelde uitgangspunt in aanmerking had te nemen. Onderdeel 1.1 slaagt dus.

4.4 De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling meer.

5. Beoordeling van het middel in het (voorwaardelijk) incidentele beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

in het principale beroep en in het incidentele beroep voorts:

compenseert de kosten van de gedingen in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 maart 2009.