Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG9142

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
01939/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG9142
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuld i.d.z.v art. 6 WVW 1994. Verdachte is met een trekker met oplegger een voorrangskruising opgereden zonder voorrang te verlenen aan een van links komend personenbusje. Met zijn overweging dat verdachte het personenbusje voorrang had moeten geven en om die reden zijn snelhei d had moeten aanpassen, heeft het Hof niet alleen tot uitdrukking gebracht dat verdachte ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan het naderende personenbusje, maar ook dat hij bij het naderen van het kruispunt – ongeacht de vraag of er verkeer van links kwam en of hij dat had gezien – gegeven de omstandigheden ter plaatse en het feit dat hij een trekker met oplegger bestuurde een lagere snelheid had dienen aan te houden en die snelheid had dienen aan te passen aan de mogelijkheid van van links komend verkeer. Dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 209
RvdW 2009, 599
VR 2009, 63
NJB 2009, 1057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 april 2009

Strafkamer

nr. 01939/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 oktober 2006, nummer 22/005703-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaarde schuld aan het verkeersongeval.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 11 augustus 2003 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig trekker met oplegger, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Magallanesstraat en de kruising van die weg en de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Malakkastraat, welk onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag hierin heeft bestaan dat verdachte toen daar, terwijl

- die wegen ter plaatse waren gelegen buiten de bebouwde kom en voor motorvoertuigen een maximumsnelheid gold van 80 kilometer per uur en

- de Malakkastraat ter plaatse bestond uit twee, door middel van een groenstrook gescheiden, rijbanen en

- aan het verkeer naderend voormeld kruispunt over de door verdachte bereden Magallanesstraat, door middel van een bord van het model B6 van Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en op het wegdek aangebrachte haaientanden, werd kenbaar gemaakt dat het voorrang diende te verlenen aan bestuurders op de kruisende weg de Malakkastraat en

- een over de noordelijke rijbaan van de Malakkastraat rijdend, voor verdachte van links komend motorvoertuig, zijnde een personenbusje, dat kruispunt dicht was genaderd, dat kruispunt is genaderd met een gelet op de situatie ter plaatse en de op hem, verdachte, rustende voorrangsplicht te hoge snelheid en aldus rijdend genoemd van links komend, op een voorrangsweg rijdend personenbusje niet heeft opgemerkt en voornoemd kruispunt is opgereden en is gaan oversteken teneinde linksaf de zuidelijke rijbaan van de Malakkastraat op te rijden en daarbij geen voorrang heeft verleend aan dat van links komende voertuig, zulks op een zodanig moment dat een aanrijding met dat van links komende voertuig onvermijdelijk was, zijnde verdachte toen met het door hem bestuurde voertuig tegen de rechterzijkant van meergenoemd personenbusje aangereden, ten gevolge waarvan dat busje is omgeslagen en over de kop is gegaan, waardoor een in dat busje aanwezig kind, genaamd [slachtoffer 1] werd gedood, en drie andere inzittenden van dat busje, genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, (te weten:

* [slachtoffer 2] een gescheurde milt en kneuzingen van de lever en een gebroken rib en

* [slachtoffer 3] een gebroken bekken en een hoofdwond en

* [slachtoffer 4] een gebroken been en een hersenschudding)."

2.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2005, voor zover inhoudende:

"Ik was op 11 augustus 2003 om 5.00 uur begonnen. Ik reed mijn laatste rit. Ik reed over de Magallanesstraat. Ik kende de situatie daar een beetje. De situatie aldaar is overzichtelijk te noemen. Ik heb niet stilgestaan bij het kruispunt, omdat hier geen stopbord stond. Op het kruispunt kon ik goed naar links kijken. Ik heb het busje echter niet gezien. Pas toen ik het busje in de flank raakte, zag ik het busje. Ik heb toen geremd en ben uit de auto gestapt om te gaan kijken bij het busje. Op de vraag van de oudste raadsheer om op de kaart in het dossier (X-Polnr: 2003290581) aan te wijzen wanneer ik voor het eerst keek of ik het kruispunt kon oversteken, kan ik u dit als volgt aanwijzen. Ik wijs u aan, bezien vanuit de richting van de Madoerastraat, dat ik halverwege de verbreding van de weg, maar wel vóór de zogeheten 'haaientanden' heb gekeken. Terwijl ik keek heb ik het busje niet gezien. Als u mij zegt dat er verklaringen zijn van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] die zeggen dat ik naar rechts heb gekeken, dan kan ik u zeggen dat ik uit automatisme even naar rechts heb gekeken. Ik ben al 22 jaar chauffeur van beroep. Ik kan niet verklaren waarom ik het busje niet heb gezien. Ik kan mij alles van het ongeluk herinneren, maar ik heb het busje niet gezien. Het was de dag van het ongeluk mooi weer."

b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik reed op 11 augustus 2003 met mijn trekker met oplegger op kruising van de Magallanesstraat met de Malakkastraat te Rotterdam. Ik naderde die kruising in de wetenschap dat het een voorrangskruising was waarbij ik het kruisend verkeer voorrang moest verlenen. Ik wilde linksaf de Malakkastraat opdraaien. Ik kon de kruising goed overzien. Er kwam een vrachtwagen van rechts aan en ik wilde naar het tussenstuk rijden en daar wachten tot die vrachtwagen was gepasseerd. Ik moest eerst twee rijbanen met dezelfde rijrichting oversteken om op het middenstuk te komen. Ik ben overgestoken. Ik heb helemaal geen van links komend verkeer gezien. Ik reed tegen dat busje, dat voor mij van links kwam, aan. Nadat ik het busje heb geraakt, ben ik gaan remmen. Ik zag het busje over de kop slaan, ik zag van alles door de lucht vliegen. Ik had direct in de gaten dat het flink ernstig was."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] en een andere bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 11 augustus 2003 vond een ongeval plaats op de Malakkastraat te Rotterdam. Het ongeval heeft plaatsgevonden op de T-kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Malakkastraat met de Magallanesstraat te Rotterdam. De Malakkastraat is ter plaatse van de aanrijding middels een grasstrook verdeeld in een noordelijke en een zuidelijke rijbaan. De noordelijke rijbaan bestaat voor het kruisingsvlak met de Magallanesstraat uit twee rijstroken en een voorsorteerstrook voor rechtsafslaand verkeer. De genoemde wegen zijn voor het openbaar verkeer openstaande wegen en zijn gelegen buiten de bebouwde kom in de gemeente Rotterdam. De maximum toegestane snelheid is ter plaatse 80 km/h voor motorvoertuigen. De Malakkastraat is middels borden model Bl van bijlage I van het RVV 1990 aangeduid als voorrangsweg, met dien verstande dat de bestuurders rijdende op de Magallanesstraat voorrang dienen te verlenen aan de bestuurders rijdende op de Malakkastraat. Daartoe is op de Magallanesstraat duidelijk zichtbaar geplaatst bord model B6 van de bijlage 1 R W 1990 (verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg) en zijn op het wegdek haaientanden aangebracht. Voor zover door ons kon worden nagegaan waren ten tijde van het ongeval de navolgende factoren van belang:

Lichtgesteldheid: daglicht

Weersgesteldheid: droog

De bestuurder van voertuig 1 (trekker met oplegger, merk Daf, kenteken [AA-00-BB]) heeft gereden op de Magellanesstraat. De bestuurder van voertuig 2 (personenbusje, merk Volkswagen, type Combi B62) heeft gereden op de Malakkastraat, komende vanuit de richting van de Europaweg en gaande in die van de Dardanellestraat. Op het kruisingsvlak van de noordelijke rijbaan van de Malakkastraat en de westelijke rijbaan van de Magallanesstraat botste voertuig 1 tegen voertuig 2. Aan de hand van de snelheidscurve op de tachograaf van de vrachtauto (trekker met oplegger) zagen wij dat de bestuurder van de vrachtauto kort voor het punt van botsing moet hebben gereden met een snelheid van ongeveer 80 km/h. De botsing met voertuig 2, personenbusje, heeft plaatsgevonden met een snelheid van ongeveer 32 km/h. Na de botsing voerde de bestuurder van de vrachtauto pas een noodremming uit. Wij zagen aan voertuig 2 (het personenbusje) de volgende schade: deuken en zware deformatie van plaatwerk aan de rechterzijkant van het voertuig. Het registratieblad van de in de vrachtauto aanwezige tachograaf is door ons in bewaring genomen."

d. de eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2006 met betrekking tot de situatiefoto's nummer 17, 18, 19 en 20:

"Deze foto's betreffen (...) alle het blikveld

vanuit de Magallanesstraat in de richting vanwaar voertuig 2 (het personenbusje) het kruisingsvlak naderde. Meer in het bijzonder tonen zij, zakelijk weergegeven:

Foto 17: het zicht kort voor de bocht naar rechts, vóór het kruisingsvlak Magallanesstraat/Malakkastraat, bezien vanuit de Magallanesstraat.

Foto 18 en 19: het zicht op de weg links in de bocht naar rechts voor het kruisingsvlak Magallanesstraat/ Malakkastraat, bezien vanuit de Magallanesstraat.

Foto 20: het zicht op de weg links op het kruisingsvlak Magallanesstraat/Malakkastraat, bezien vanuit de Magallanesstraat."

e. de eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2006 met betrekking tot de luchtfoto's nummer 1, 2 en 4, inhoudende:

"Foto 1 en 2: tweemaal een opname van het kruisingsvlak Magallanesstraat/Malakkastraat, waarbij de rode pijl de rijrichting van voertuig 1 (de vrachtauto) aangeeft en de blauwe pijl de rijrichting van voertuig 2 (het personenbusje).

Foto 4: een opname van de sporen op het wegdek."

f. een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door de deskundige ing. W.J. Makkinga, voor zover inhoudende:

"Kenmerk: Xpol 2003 290581.

Vraagstelling: Wat was de snelheid van de Volkswagen personenbus op het moment van de botsing met de Daf vrachtautocombinatie?

Conclusie: Er is een kans van 99 procent op een botssnelheid hoger dan circa 46 km/h en een kans van 99 procent dat de botssnelheid lager was dan circa 81 km/h."

g. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Betrokkene: een vrachtauto, trekker met oplegger, kenteken [AA-00-BB]. Kenmerk: x-pol nr. 2003.290581. Stukken van overtuiging: een tachograafschijf [AA-00-BB].

Vraagstelling: Wat was het rijgedrag kort voorafgaand aan het ongeval.

Ons onderzoek richtte zich op het laatste deel van de registratie tussen 15.25 en 17.07 uur. Vanaf de kruising Magallanesstraat/Koerilenstraat werd zonder onderbrekingen rechtstreeks over de Magallanesstraat naar de ongevalplaats gereden. Aan de hand van het tachograafschijf onderzoek is het volgende gevonden: De tachograaf kan na de laatste ijking enkele kilometers per uur zijn gaan afwijken. De onnauwkeurigheid van de geregistreerde snelheden mag maximaal 6 km/u zijn. De combinatie trok vanuit stilstand op een rustige en gelijkmatige wijze op naar 75 km/u. Vanaf deze snelheid werd er een vertraging ingezet die tussen de 75 en 62 km/u geleidelijk overging van het niveau van het gas minderen tot die van maximaal het gas loslaten. Kort voor de bocht naar rechts, voor het kruisingsvlak Magallanestraat/Malakkastraat, ving een lichte remming tussen 62 en 31 km/u aan, die doorliep tot aan de botsplaats. De botssnelheid van de vrachtauto was 31 km/u."

h. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Op 11 augustus 2003 ging ik met mijn gezin en het gezin [A] gezamenlijk in mijn volkswagenbusje een dagje naar het strand. Het gezin [A] bestaat uit vier personen, te weten [betrokkene 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Mijn gezin bestaat uit mijzelf, [betrokkene 3 t/m 7]. Wij reden op de Malakkastraat. Ik reed op de rechterrijbaan. Toen ik de kruising met de Magallanestraat naderde, zag ik van rechts een vrachtauto naderen. Ik zag dat de vrachtauto langzaam reed. Ik had de indruk dat de vrachtauto niet ging stoppen. Daarna ging alles heel snel. Ik ben naar de linkerbaan gegaan om de afstand tot de vrachtwagen te vergroten. Ik zag de vrachtwagen steeds dichterbij komen. Toen ik ongeveer ter hoogte van de vrachtwagen was, voelde ik dat deze ons raakte. Ik voelde dat de bus op zijn linkerkant ging en dat we over de kop gingen."

i. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] en een andere bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Ongeval op 11 augustus 2003 omstreeks 17.10 uur op de kruising Malakkastraat met de Magallanesstraat. Gewonden:

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1966;

[slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1997;

[slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 1999."

j. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"[Slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]-1993) was als inzittende van een personenauto betrokken bij een aanrijding met een trekker met oplegger, welke heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2003. Tengevolge van deze aanrijding werd het slachtoffer met ernstige verwondingen opgenomen in het Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. Op 13 augustus 2003 is het slachtoffer aldaar overleden aan zijn verwondingen."

k. een schrijven van J.R. van Leeuwen, lijkschouwer, van 14 augustus 2003, voor zover inhoudende:

"[Slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]-1993): de dood is niet ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Uit informatie van het Sophia kinderziekenhuis blijkt dat er sprake was van diverse breuken in de schedel, breuken in beide oogkassen, gebroken rechterbovenbeen en ernstige schade aan de hersenen."

l. een geneeskundige verklaring van E. Molenaar, forensisch arts, van 7 november 2003, voor zover inhoudende:

"Auto ongeval 11 augustus 2003. Letselbeschrijving [slachtoffer 2]: gescheurde milt en kneuzing van de lever, gebroken rib. Genezing zal nog een paar maanden duren."

m. een geneeskundige verklaring van E. Molenaar, forensisch arts, van 7 november 2003, voor zover inhoudende:

"Vanaf 11 augustus 2003 opgenomen. Letselbeschrijving [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum] 1999): hersenschudding en een gebroken bovenbeen. Genezingsduur minimaal 6 weken."

n. een geneeskundige verklaring van P.P.M. Bender, forensisch arts, van 21 juni 2004, voor zover inhoudende:

"Letselbeschrijving [slachtoffer 3], (geboren [geboortedatum]-1997).

Auto-ongeval 11 augustus 2003. Hoofdwond en hersenschudding, bekkenbreuk met urineblaasbeschadiging en leverkneuzing. Geschatte genezingsduur 6 maanden."

2.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring in het verkorte arrest voorts het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte primair het verweer gevoerd - kort gezegd - dat verdachte niet onoplettend en/of onvoorzichtig heeft gereden, laat staan aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig. Als subsidiair verweer voert de raadsvrouw aan dat het rijgedrag van de bestuurder van het busje, het feit dat niet alle inzittenden in het busje een riem droegen en de omstandigheid dat er te veel mensen in het busje zaten van invloed kan zijn geweest op het ongeluk, zodat de vraag gerechtvaardigd is of het ongeval redelijkerwijs aan de culpoze gedraging van de verdachte is toe te rekenen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan onder meer het volgende worden vastgesteld. De verdachte is met een snelheid van 75 km/uur aan komen rijden in de richting van een hem bekende kruising met een voorrangsweg. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur voor beide kruisende wegen. Bij nadering van de kruising heeft hij door gas terug te nemen c.q. los te laten die snelheid verminderd en voordat hij de kruising opreed heeft hij verder afgeremd, maar hij is niet gestopt voor de kruising. Zijn snelheid beliep 32 km/uur op het moment van de botsing met het hierna nog nader te noemen busje. Wat betreft de snelheid van het busje op het moment van de botsing is gebleken dat er een kans is van 99% dat deze meer dan 46 km/uur, c.q. dat deze minder dan 81 km/uur beliep. De kruising van de door de vrachtwagen en het busje bereden wegen en de omgeving daarvan waren overzichtelijk. Voor verkeer komend uit dezelfde richting als verdachte was er goed en vrij zicht op van links de kruising naderend verkeer. Er waren geen het zicht belemmerende obstakels, het was daglicht en droog weer. Verdachte bevond zich op de bestuurdersplaats van een vrachtwagen, derhalve relatief hoog boven het wegdek, hetgeen zijn uitzicht op de omgeving nog ten goede moet zijn gekomen. Het voertuig waarmee de vrachtwagen in botsing is gekomen betrof een busje, merk Volkswagen type Combi B62, derhalve een voertuig van aanmerkelijke hoogte en omvang. De weg waarlangs dit busje de kruising is genaderd bestond uit twee rijbanen, een noordelijke en een zuidelijke, met onderling tegengestelde rijrichtingen. Deze rijbanen bestonden beide uit twee rijstroken met dezelfde rijrichting. De rijbanen waren van elkaar gescheiden door een strook van zodanige breedte dat de vrachtwagen van verdachte daarop zonder enige hinder voor het verkeer waaraan hij voorrang diende te verlenen kon staan na de eerste (de noordelijke) rijbaan te zijn overgestoken en alvorens de tweede (de zuidelijke) op te rijden. In de door het busje bereden noordelijke rijbaan was, gezien vanuit de rijrichting van het busje, kort voor het kruisingsvlak een bocht naar links gelegen. Gelet op al deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat het de kruising naderende busje voor de verdachte vanaf grote afstand zichtbaar is geweest, alsmede dat het, gelet op de breedte van de tussenstrook, ook juist en allereerst het eventuele, voor kruisend verkeer zoals van links komend verkeer was dat de aandacht vergde. De verdachte heeft evenwel consequent verklaard dat hij het busje niet heeft waargenomen voordat zijn vrachtwagen ermee in botsing kwam. Nu er geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die erop duiden dat deze verklaring onjuist is en meer in het bijzonder ook de tachograafschijf geen aanwijzing daarvoor oplevert gaat het hof van de juistheid van deze verklaring uit. Dit noopt tot de conclusie dat de verdachte, anders dan hij voorts heeft verklaard, niet of slechts ontijdig of slechts onoplettend naar links gekeken heeft alvorens de kruising op te rijden. Door in de genoemde omstandigheden het naderende busje niet op te merken respectievelijk de voorrangskruising op te rijden zonder zich ervan te vergewissen dat dit veilig was heeft de verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gehandeld en is het dientengevolge ontstane ongeval aan zijn schuld te wijten.

Gelet op het feit dat het door verdachte bestuurde voertuig een vrachtwagen was, dat deze vrachtwagen met een snelheid van circa 32 km/uur tegen het busje is gebotst, dat het busje op dat moment een snelheid had van tussen 46 en 81 km/uur, dat de bestuurder van het busje nog naar links heeft gestuurd om zoveel mogelijk in dezelfde rijrichting als de vrachtwagen te komen, dat het busje ten gevolge van de botsing over de kop is geslagen en voorts gelet op het feit dat als gevolg van het ongeval acht van de tien inzittenden van het busje gewond zijn geraakt, van wie een persoon dermate ernstig dat hij is overleden en van wie ook anderen ernstig letsel opliepen, doet de aangevoerde omstandigheid dat niet alle inzittenden van het busje een veiligheidsgordel droegen en dat er meer dan acht personen in het busje zaten niet af aan het oordeel van het hof dat het ontstane zwaar lichamelijk letsel, in één geval geleid hebbend tot de dood van het slachtoffer, redelijkerwijs als gevolg van de door verdachte veroorzaakte aanrijding aan hem kan worden toegerekend, zodat aan het dubbele causaliteitsvereiste van art. 6 WVW is voldaan. Het hof verwerpt het (primaire en het subsidiaire) verweer."

2.3.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring in de aanvulling op het verkorte arrest voorts nog het volgende overwogen:

"Uit bewijsmiddel 2 blijkt dat de verdachte met zijn vrachtauto op het kruispunt Magallanesstraat/Malakkastraat afreed in de wetenschap dat het een voorrangskruising was waarbij hij voorrang zou dienen te verlenen aan van links komend verkeer. Uit bewijsmiddel 3 blijkt dat zich ter plaatse een verkeersbord model B1 bevindt en dat de verdachte derhalve het kruisingsvlak zou hebben mogen oprijden indien er geen verkeer van links was gekomen. Uit bewijsmiddelen 3, 6 en 8 blijkt dat op hetzelfde moment dat de vrachtauto op het kruispunt Magallanesstraat/Malakkastraat afreed een personenbusje naar voornoemd kruisingsvlak reed dat voorrang had op de vrachtwagen. Nu de verdachte, gelet op dit naderende personenbusje, dit personenbusje voorrang had moeten geven en om die reden zijn snelheid aan had moeten passen is de verdachte het kruispunt genaderd met een gelet op de situatie ter plaatse en de op hem, verdachte, rustende voorrangsplicht te hoge snelheid, welke op het moment van de botsing - gelet op bewijsmiddel 7 - nog meer dan 30 km/u beliep."

2.4. Het middel klaagt meer in het bijzonder dat de overweging van het Hof dat de verdachte, gelet op het naderende personenbusje, dat personenbusje voorrang had moeten geven en om die reden zijn snelheid had moeten aanpassen, niet te verenigen is met de vaststelling van het Hof dat de verdachte het personenbusje niet heeft opgemerkt.

2.5. Met zijn overweging dat de verdachte het personenbusje voorrang had moeten geven en om die reden zijn snelheid had moeten aanpassen, heeft het Hof niet alleen tot uitdrukking gebracht dat de verdachte ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan het naderende personenbusje, maar ook dat hij bij het naderen van het kruispunt - ongeacht de vraag of er verkeer van links kwam en of hij dat had gezien - gegeven de omstandigheden ter plaatse en het feit dat hij een trekker met oplegger bestuurde een lagere snelheid had dienen aan te houden en die snelheid had dienen aan te passen aan de mogelijkheid van van links komend verkeer.

2.6. Het middel berust dus op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak zodat het niet tot cassatie kan leiden.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 240 uren.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 228 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 21 april 2009.