Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG8955

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
07/10690
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG8955
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2007:BA1406, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Grondslagverlating. De tll is toegesneden op art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Zij behelst telkens het verwijt dat verdachte in de tenlastegelegde periode als houder van de in die tll genoemde dieren aan die dieren de nodige (diergeneeskundige) verzorging heeft onthouden. In dat verband behelst die tll telkens een omschrijving van de toestand waarin die dieren verkeerden. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de redactie van die tll dwingt tot de uitleg dat die dieren gedurende de gehele tenlastegelegde periode in die toestand verkeerden. Die uitleg is evenwel met die bewoordingen van de tll niet te verenigen, omdat die bewoordingen immers de mogelijkheid insluiten dat die dieren op enig moment in de tenlastegelegde periode in die toestand verkeerden (zulks ten gevolge van het onthouden van de nodige verzorging). Aldus heeft het Hof de grondslag van de tll verlaten en verdachte van iets anders vrijgesproken dan is tenlastegelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 261
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 339
NJB 2009, 572
VA 2010/9 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 2009

Strafkamer

nr. 07/10690

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 23 maart 2007, nummer 24/000875-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak van het onder 1, het onder 2 primair en het onder 3 primair tenlastegelegde feit - is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsvrouwe van de verdachte, mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Montfoort, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Schipper heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

1.2. De raadsvrouwe van de verdachte heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat 's Hofs motivering van de vrijspraak van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feit berust op een onjuiste lezing van de tenlastelegging en ook overigens onbegrijpelijk is.

2.2. Aan de verdachte is onder 2 subsidiair respectievelijk onder 3 subsidiair tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks de periode van februari t/m december 2004, te Tjuchem, althans in de gemeente Slochteren, als houder van een of meer dieren, te weten 17, althans een aantal, paarden en/of pony's, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij toen aldaar die paarden en/of pony's, welke te mager en/of ondervoed waren, althans in een slechte/matige conditie verkeerden, te weinig (voedselrijk) voedsel verstrekt en/of geen, althans onvoldoende (diergeneeskundige) hulp/verzorging verstrekt en/of doen verstrekken."

En dat:

"hij in of omstreeks de periode van februari t/m december 2004, te Tjuchem, althans in de gemeente Slochteren, als houder van een of meer dieren, te weten 7, althans een aantal, honden, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij toen aldaar die honden, welke vermagerd waren, onvoldoende (voedselrijk) voedsel verstrekt en/of onvoldoende (diergeneeskundig) verzorgd."

2.3. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, in:

"Ten aanzien van de feiten 2 en 3 primair en subsidiair

Naar het oordeel van het hof bieden de resultaten van de door de dierenartsen Peutz, Schutrups en Van Goederen kort voor, respectievelijk kort na, de inbeslagname op 13 december 2004 verrichte onderzoeken voldoende grondslag voor het oordeel dat de 17 paarden en/of pony's en de zeven honden op dat moment te mager en/of ondervoed waren, respectievelijk vermagerd waren.

Voor de periode gelegen vóór 13 december 2004 is het hof van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor de toestand van de dieren als hiervoor omschreven.

Derhalve ligt - mede gelet op de redactie van de tenlastelegging onder 2 en 3, telkens primair en subsidiair - ter beoordeling van het hof de vraag voor of de toestand waarin de dieren op 13 december 2004 verkeerden, kan worden toegeschreven aan het handelen van dan wel nalaten door verdachte op die datum.

Uit de stukken, noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de toestand waarin de paarden en/of pony's en de honden op 13 december 2004 verkeerden enkel kan zijn veroorzaakt door een gebrek aan voedsel en/of een onvoldoende geneeskundige verzorging op die 13e december 2004. Op grond daarvan kan naar 's hofs oordeel noch het onder 2 en 3 telkens primair, noch het onder 2 en 3, telkens subsidiair, tenlastegelegde feit, bewezen worden verklaard."

2.4. Art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren luidt:

"Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden."

2.5. De tenlastelegging is toegesneden op art. 37 Gezondheids-en welzijnswet voor dieren. Zij behelst telkens het verwijt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode als houder van de in die tenlastelegging genoemde dieren aan die dieren de nodige (diergeneeskundige) verzorging heeft onthouden. In dat verband behelst die tenlastelegging telkens een omschrijving van de toestand waarin die dieren verkeerden. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de redactie van die tenlastelegging dwingt tot de uitleg dat die dieren gedurende de gehele tenlastegelegde periode in die toestand verkeerden. Die uitleg is evenwel met die bewoordingen van de tenlastelegging niet te verenigen, omdat die bewoordingen immers de

mogelijkheid insluiten dat die dieren op enig moment in de tenlastegelegde periode in die toestand verkeerden (zulks ten gevolge van het onthouden van de nodige verzorging). Aldus heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten en de verdachte van iets anders vrijgesproken dan is tenlastegelegd. Voor zover het middel daarover bedoelt te klagen is het terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 17 februari 2009.