Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG8925

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
08-01-2009
Zaaknummer
08/01984 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG8925
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 182
NJB 2009, 246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 januari 2009

Strafkamer

nr. 08/01984 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Alkmaar van 12 februari 2007, nummer 14/515997-06, ingediend door:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969" veroordeeld tot een geldboete van 350 euro, subsidiair 7 dagen hechtenis.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. In de aanvrage wordt een beroep gedaan op een voorafgaand aan de terechtzitting aan een parketsecretaris door de leerplichtambtenaar, die van de hiervoor onder 1 genoemde overtreding proces-verbaal had opgemaakt, gericht "verzoek tot intrekking bij de rechtbank", als gevolg waarvan de aanvrager ervan is uitgegaan dat de behandeling van de zaak geen doorgang zou vinden en hij niet ter terechtzitting is verschenen.

3. De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage zal afwijzen.

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

4.2. Het hiervoor bedoelde verzoek van de leerplichtambtenaar maakte geen deel uit van de gedingstukken die door de Rechtbank aan de Hoge Raad zijn gestuurd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat ook de Kantonrechter daarover niet beschikte ten tijde van het onderzoek van de zaak ter terechtzitting. Niettemin kan de door de aanvrager gestelde omstandigheid niet het ernstig vermoeden wekken dat de rechter met kennis van dit verzoek een uitspraak zou hebben gedaan als hiervoor onder 4.1 vermeld. Daarbij verdient opmerking dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv niet de oplegging van een andere (minder zware) strafsanctie wordt verstaan doch een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt.

4.3. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 6 januari 2009.