Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG8781

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
07/11948
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG8781
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Schadevergoeding bij overlijden op de voet van art. 6:108 lid 1, aanhef en onder a, BW; schadeberekening, maatstaf; behoeftigheid nabestaande.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2009, 55
RvdW 2009, 514
NJ 2009, 386 met annotatie van J.B.M. Vranken
NJB 2009, 816
JWB 2009/133
JA 2009/91 met annotatie van A. de Groot
PS-Updates.nl 2019-0254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 april 2009

Eerste Kamer

07/11948

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

PHILIP MORRIS HOLLAND B.V.,

gevestigd te Bergen op Zoom,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. N.T. Dempsey en mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

2. [Verweerster 1], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [de dochter],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Philip Morris en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerster] heeft bij exploot van 29 maart 2005 Philip Morris gedagvaard voor de kantonrechter te Breda. Na wijziging van eis heeft [verweerster] gevorderd Philip Morris te veroordelen tot vergoeding van

1. een bedrag van € 145.453,99 aan [verweerster] (pro se) wegens gederfd levensonderhoud, met wettelijke rente;

2. een bedrag van € 93.976,93 aan [verweerster], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de dochter], wegens gederfd levensonderhoud, met rente;

3. de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 26.702,59, waarop op de voet van art. 6:44 BW in mindering strekken de namens Philip Morris gedane betalingen voor buitengerechtelijke kosten, met rente;

4. de verschenen en toekomstige accountantskosten ter hoogte van € 11.581,--, met wettelijke rente.

Philip Morris heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 21 december 2005 een mondelinge behandeling gelast, teneinde alsnog een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven. De kantonrechter heeft voorts bepaald dat van zijn vonnis hoger beroep kan worden ingesteld en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij (tussen)arrest van 29 mei 2007 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de zaak terugverwezen naar de kantonrechter te Bergen op Zoom, om met inachtneming van de in rov. 4.3.6 van zijn arrest gegeven maatstaf de zaak verder te beoordelen. Bij arrest van 25 september 2007 heeft het hof bepaald dat tegen het arrest van 29 mei 2007 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van 29 mei 2007 heeft Philip Morris beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. M.E.M.G. Peletier, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Philip Morris heeft bij brief van 2 januari 2009 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 15 juni 1998 is de echtgenoot van [verweerster], tevens vader van [de dochter], als gevolg van een bedrijfsongeval om het leven gekomen. Zijn werkgever Philip Morris heeft aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend.

(ii) Ten tijde van het ongeval was [verweerster] gedurende 28 uur per week werkzaam als assistent van het hoofd administratie van de regionale scholengemeenschap Professor Zeeman te Zierikzee. Zij zou per 1 augustus 1998 tevens drie lesuren Duits gaan geven, en was al in deze functie benoemd. Deze taakuitbreiding heeft echter geen doorgang gevonden ten gevolge van het overlijden van de echtgenoot van [verweerster]. Op 10 april 2002 is [verweerster] uit dienst van de scholengemeenschap getreden.

(iii) Met ingang van 9 september 2002 is [verweerster] werkzaam als medewerker kinderopvang bij de dienst bedrijfsvoering van de politie Zeeland voor 15 uur per week. Per 1 januari 2004 is haar functie gewijzigd in personeelsfunctionaris A voor 12 uur per week. Met ingang van 1 januari 2005 is zij voor hetzelfde aantal uren werkzaam als vakadviseur C. Per 1 juni 2006 heeft [verweerster] die werkzaamheden uitgebreid tot 16 uur per week.

3.2.1 [Verweerster] heeft aan haar hiervoor in 1 weergegeven vorderingen mede ten grondslag gelegd dat bij de berekening van haar schade op de voet van art. 6:108 lid 1 BW, rekening moet worden gehouden met het feit dat haar arbeidsinkomen is verminderd doordat zij na het overlijden van haar echtgenoot minder is gaan werken. Dit was noodzakelijk omdat de bijdrage die haar overleden man leverde aan de huishouding en aan de opvoeding van [de dochter], is weggevallen. Philip Morris heeft betwist dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het bij de schadeberekening in aanmerking te nemen inkomen van [verweerster] is het inkomen dat zij zou hebben gehad als dit overlijden niet had plaatsgevonden.

3.2.2 De kantonrechter heeft in het voordeel van Philip Morris beslist. Hij overwoog dat de keuze van [verweerster] om minder te gaan werken, haar eigen keuze is (hoe begrijpelijk wellicht ook). Zij beperkt hiermee echter haar financiële middelen en vergroot hierdoor haar behoeftigheid en daarmee de schade. Dit leidt tot een niet in rechte te honoreren oprekking van het systeem van overlijdensschadebegroting. Het hof heeft dit vonnis vernietigd.

3.3.1 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel dient tot uitgangspunt dat ingevolge art. 6:108 lid 1, aanhef en onder a, BW, degene die aansprakelijk is voor een gebeurtenis ten gevolge waarvan iemand overlijdt, verplicht is tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan (onder anderen) de achterblijvende echtgenoot tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud.

3.3.2 Deze verplichting tot schadevergoeding heeft een gemengd karakter. Enerzijds dient, zoals in het algemeen gebruikelijk is bij het bepalen van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, de omvang van die plicht - die in beginsel strekt tot volledige schadevergoeding - te worden bepaald door de bijdrage die de overleden echtgenoot zou hebben geleverd in het levensonderhoud van de achterblijvende partij te vergelijken met de positie waarin de nabestaande door dat overlijden daadwerkelijk is komen te verkeren (afgezien van nu niet terzake dienende gevallen waarin de schade abstract dient te worden berekend). Daarbij dient in beginsel de gehele financiële positie van de nabestaande in aanmerking te worden genomen (vgl. HR 4 februari 2000, nr. R98/132, NJ 2000, 600). Voor de vaststelling van het schadebedrag dient te worden uitgegaan van hetgeen de overledene aan de nabestaande feitelijk placht te verstrekken, met dien verstande dat in dit verband mede de wijzigingen dienen te worden verdisconteerd - zowel wat betreft de omvang van de bijdrage van de overledene, als van de behoefte van de nabestaande - die op het moment van het overlijden redelijkerwijs waren te verwachten (vgl. de MvA II bij art. 6:108, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 397).

Anderzijds heeft deze verplichting mede een - kort gezegd - alimentatierechtelijk karakter. Hieruit volgt onder meer dat de nabestaande aan art. 6:108 slechts een vordering kan ontlenen voor zover bij deze sprake is van behoeftigheid, gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan de overledene en de nabestaande deel uitmaakten (HR 16 december 2005, nr. C04/276, NJ 2008, 186).

3.4 Tegen deze achtergrond spitst de beoordeling van het middel zich erop toe of onder "hetgeen de overledene aan de nabestaande feitelijk placht te verstrekken" als hiervoor in 3.3.2 bedoeld, uitsluitend financiële bijdragen moeten worden begrepen, of ook bijdragen kunnen vallen van andere aard, zoals het verrichten van huishoudelijke taken en het leveren van een bijdrage aan de opvoeding van de minderjarige kinderen. Zoals al ligt besloten in het hiervoor in 3.3.2 aangehaalde arrest van 16 december 2005, is deze laatste opvatting de juiste. De andere, in deze zaak door Philip Morris verdedigde, opvatting miskent dat het vaak voorkomt - en onbetwist ook bij [verweerster] en haar overleden echtgenoot het geval was - dat beide echtelieden zowel in financiële zin als door het verrichten van zorgtaken, een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke huishouding, en daardoor mede aan elkaars levensonderhoud. Valt deze bijdrage van een van de echtelieden weg door diens overlijden, dan lijdt de achterblijvende echtgenoot daardoor schade. Is dat overlijden veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, en beperkt de achterblijvende echtgenoot deze schade door minder te gaan werken om zelf die zorgtaken te gaan verrichten, dan dient in beginsel de gehele inkomensschade die deze daardoor lijdt, te worden betrokken bij de berekening van de omvang van de in art. 6:108 bedoelde schadevergoedingsplicht.

3.5 Het middel faalt voor zover het op een andere rechtsopvatting is gebaseerd dan hiervoor uiteengezet. De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Philip Morris in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 april 2009.