Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG7755

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
07/13328 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG7755
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Verstekverlening. ’s Hofs oordeel dat in deze zaak tegen verdachte verstek kon worden verleend, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof o.g.v. de f&o als weergegeven in het p-v van de tz heeft kunnen aannemen dat verdachte op de hoogte was van de tz en dat hij desalniettemin geweigerd heeft om met de parketpolitie mee te gaan toen die hem kwam ophalen voor de tz. Die weigering is immers in beginsel een keuze die voor rekening van verdachte komt, waaraan niet afdoet de omstandigheid dat die keuze mogelijk werd ingegeven door het feit dat hij nog niet had gegeten. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering, mede gelet op de opstelling van de wel ttz verschenen raadsvrouwe die immers het Hof verzocht de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van verdachte voort te zetten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 280
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 346
NBSTRAF 2009/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 2009

Strafkamer

nr. 07/13328 A

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 13 november 2007, nummer H-113/2005, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd op Sint Maarten.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, verstek heeft verleend tegen de verdachte.

2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2007 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"verstek

De voorzitter merkt op dat de zaak aanvankelijk op de rol van gisteren stond. Verdachte was toen aangevoerd. Toen het Hof in de ochtenduren aan de behandeling van deze zaak niet toekwam, is de zaak op verzoek van de raadsvrouw - die 's middags verhinderd was - verschoven naar heden. De voorzitter merkt op dat van de procureur-generaal is vernomen dat verdachte heden weigert met de parketpolitie mee te gaan naar de Courthouse voor de behandeling van zijn zaak.

(...)

De procureur-generaal merkt het volgende op:

Ik heb de parketpolitie gisteren verzocht om verdachte heden om 13:00 uur wederom aan te voeren. Het is nu 13:30 uur. Ik heb van de officier van justitie, mr. D. Sarian vernomen dat verdachte niet met de parketpolitie mee wil gaan, omdat hij nog geen eten heeft gekregen.

(...)

De voorzitter merkt op dat het gerucht gaat dat er momenteel wordt gestaakt in het huis van bewaring, in ieder geval door het keukenpersoneel.

(...)

De procureur-generaal merkt op dat hij ervan uit gaat dat verdachte bewust heeft gekozen om niet bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn en verzoekt het Hof om tegen de niet verschenen verdachte verstek te verlenen.

(...)

De raadsvrouw verzoekt het Hof om de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte voort te zetten.

Tegen de niet-verschenen verdachte wordt verstek verleend, waarna het onderzoek wordt voortgezet."

2.3. Het oordeel van het Hof dat in deze zaak tegen de verdachte verstek kon worden verleend, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof op grond van de feiten en omstandigheden als weergegeven in het hiervoor weergegeven gedeelte van het proces-verbaal van de terechtzitting heeft kunnen aannemen dat de verdachte op de hoogte was van de terechtzitting en dat hij desalniettemin geweigerd heeft om met de parketpolitie mee te gaan toen die hem kwam ophalen voor de terechtzitting. Die weigering is immers in beginsel een keuze die voor rekening van de verdachte komt, waaraan niet afdoet de omstandigheid dat die keuze mogelijk werd ingegeven door het feit dat hij nog niet had gegeten. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering, mede gelet op de opstelling van de wel ter terechtzitting verschenen raadsvrouwe die immers het Hof verzocht de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte voort te zetten.

2.4. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 17 februari 2009.