Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG6551

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
07/11361
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG6551
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid cassatieberoep. Bij de stukken bevindt zich een brief van mr. X aan de strafgriffie van de HR van 13-11-06 waarin hij zich stelt als raadsman van verdachte. Bij de stukken bevindt zich tevens het dubbel van de aanzegging ex art. 435.1 Sv en een daarbij behorende akte van uitreiking, waaruit volgt dat de aanzegging op 14-3-08 aan verdachte in persoon is uitgereikt. Bij brief van 19-3-08 is aan de raadsman bericht dat de stukken op 25-10-07 bij de griffie van de HR zijn ontvangen. A.g.v. een administratieve vergissing is aan de raadsman van verdachte niet meegedeeld dat en wanneer de uitreiking van de aanzegging aan verdachte heeft plaatsgevonden. Namens verdachte heeft mr. X een schriftuur ingediend, die echter eerst na afloop van de bij wet gestelde termijn bij de griffie van de HR is ingekomen. Gelet op genoemde administratieve vergissing is de termijnoverschrijding verontschuldigbaar zodat verdachte in zijn beroep kan worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 891
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 juni 2009

Strafkamer

nr. 07/11361

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 oktober 2006, nummer 23/001084-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Procureur-Generaal Fokkens heeft bij conclusie en bij aanvullende conclusie geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de aanvullende conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van mr. J.F. van der Brugge, voornoemd, aan de strafgriffie van de Hoge Raad van 13 november 2006, die de mededeling inhoudt dat deze de verdachte als raadsman zal bijstaan.

Bij de stukken bevindt zich tevens het dubbel van de aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv en een daarbij behorende akte van uitreiking, waaruit volgt dat de aanzegging op 14 maart 2008 aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Bij brief van 19 maart 2008 is aan de raadsman bericht dat de stukken van het geding op 25 oktober 2007 bij de griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Als gevolg van een administratieve vergissing is aan de raadsman van de verdachte niet meegedeeld dat en wanneer de uitreiking van de aanzegging aan de verdachte heeft plaatsgevonden.

Namens de verdachte heeft mr. J.F. van der Brugge, voornoemd, een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend, die echter eerst na afloop van de bij de wet gestelde termijn, namelijk op 14 mei 2008, bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen.

2.2. De schriftuur is te laat ingediend. Gelet op voornoemde administratieve vergissing is de termijnoverschrijding verontschuldigbaar. Daarom kan de verdachte in zijn beroep worden ontvangen.

3. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zeven maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 30 juni 2009.