Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG6443

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
C07/190HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG6443
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9977, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbitragerecht. Vernietiging van een arbitraal vonnis wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst ( art. 1065 lid 1, aanhef en onder a, Rv.) na bevoegdheidsexceptie in arbitraal geding, strekking van art. 1052 lid 2 Rv.; toelaatbaarheid van nieuwe feitelijke of juridische stelling in vernietigingsprocedure bij gewone rechter.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1065
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1052
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 170 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2009, 461
TVA 2009, 50
JWB 2009/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 maart 2009

Eerste Kamer

Nr. C07/190HR

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

2. [Eiseres 2],

3. [Eiser 3],

4. [Eiseres 4],

allen wonende en/of gevestigd te [plaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

RUWA BULBS B.V.,

gevestigd te Lisse,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. Brandt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en Ruwa.

1. Het geding in feitelijke instanties

Ruwa heeft bij exploot van 14 december 2004 [eiser] c.s. gedagvaard voor de rechtbank Haarlem en gevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitspraak van het Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel van 7 oktober 2004 zal vernietigen.

[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft, na een comparitie van partijen te hebben gelast, bij vonnis van 13 juli 2005 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Ruwa hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 1 maart 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het arbitrale vonnis van 7 oktober 2004 vernietigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Ruwa heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De tweede eiser tot cassatie, [eiseres 2], heeft in 2004 bij het Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel een arbitrage aanhangig gemaakt, gericht tegen (onder meer) Ruwa. Daarin is verzocht Ruwa te veroordelen tot betaling van € 49.000,-- met rente ter zake van de koopsom voor een partij bloembollen. Het arbitrageverzoek hield onder meer in:

"4. Met [Ruwa] heeft [eiseres 2] op 3 maart 2003 een koopovereenkomst gesloten voor de verkoop van 7 kg tulpenbollen (...) als nader omschreven in het koopbriefje met nummer 16499 (...), tegen een prijs van € 7.000,00 per kg.

(...)

8. De koopovereenkomsten zijn tot stand gekomen via bemiddeling door SBC. Op de overeenkomsten zijn, zoals gezegd, het reglement van SBC van toepassing.

(...)

In het reglement van SBC wordt verwezen naar het Handelsreglement. Artikel 1.4 van het handelsreglement bepaalt dat Indien van een overeenkomst een koopbriefje is opgemaakt, dan wordt de partij die dat heeft afgegeven of zonder protest heeft behouden vermoed te zijn toegetreden tot een overeenkomst op de in dat briefje omschreven condities.

Verweerders hebben de inhoud van de aan hen verzonden koopbriefjes niet of niet tijdig betwist."

(ii) Ruwa heeft hierop een "verweerschrift tevens houdende exceptie van onbevoegdheid" bij het scheidsgerecht ingediend. Daarin wordt onder meer aangevoerd:

"1. Verweerder, hierna te noemen: Ruwa, ontkent (...) de in het verzoekschrift genoemde koopovereenkomst met verzoekster, hierna: [eiseres 2] te hebben gesloten.

(...)

6. [Eiseres 2] stelt dat het reglement van SBC van toepassing is op deze transactie. Nu er volgens Ruwa geen transactie is, is ook het reglement niet van toepassing.

(...)

10. Nu er geen overeenkomst is tussen partijen, zijn zij ook geen arbitrage overeengekomen, en is Uw College niet bevoegd van deze zaak kennis te nemen."

(iii) Bij uitspraak van 7 oktober 2004 heeft het scheidsgerecht het verzoek van [eiseres 2] toegewezen. Na eerst te hebben geoordeeld dat de door [eiseres 2] gestelde overeenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen omdat zij mocht vertrouwen dat Ruwa werd vertegenwoordigd door SBC, overwoog het scheidsgerecht omtrent zijn bevoegdheid dat Ruwa het beroep op onbevoegdheid uitsluitend gegrond heeft op de stelling dat zij nimmer zou zijn toegetreden tot de door SBC met voormeld koopbriefje bevestigde transactie en niet heeft betwist dat, indien aangenomen zou moeten worden dat die overeenkomst wel tot stand zou zijn gekomen, daarop het reglement van SBC van toepassing is, welk reglement het Handelsreglement voor de Bloembollenhandel van toepassing verklaart, en dat laatstgenoemd reglement een arbitraal beding bevat op grond waarvan het scheidsgerecht bevoegd is het geschil te beoordelen.

3.2.1 In de onderhavige procedure vordert Ruwa de vernietiging van de uitspraak van het scheidsgerecht op grond van (voor zover in cassatie van belang) art. 1065 lid 1, onder a, Rv. Daartoe stelt Ruwa dat het scheidsgerecht zich ten onrechte bevoegd heeft geacht

(a) omdat er geen overeenkomst tussen partijen is zodat zij ook geen arbitrage zijn overeengekomen, en - kennelijk subsidiair -

(b) omdat het koopbriefje waarop [eiseres 2] c.s. zich ten bewijze van de overeenkomst beroepen geen verwijzing naar het reglement van SBC, noch een rechtstreekse verwijzing naar de eventuele bevoegdheid van het scheidsgerecht bevat, zodat er geen geschrift bestaat waaraan het scheidsgerecht zijn bevoegdheid kan ontlenen.

De rechtbank heeft de vordering van Ruwa afgewezen, onder meer overwegende dat Ruwa het thans gevoerde verweer (b) niet in de arbitrageprocedure heeft gevoerd.

3.2.2 Het hof heeft de vordering van Ruwa alsnog toegewezen, en overwoog daartoe als volgt.

Ruwa heeft in de arbitrale procedure het verweer gevoerd dat, nu er geen overeenkomst is tussen partijen, zij ook geen arbitrage zijn overeengekomen en het scheidsgerecht niet bevoegd is van deze zaak kennis te nemen. Zij heeft aldaar niet als verweer gevoerd dat het koopbriefje waarop [eiser] c.s. zich in die procedure hebben beroepen, geen verwijzing bevat naar het reglement van SBC, welk reglement het Handelsreglement voor de Bloembollenhandel van toepassing verklaart dat een arbitraal beding bevat op grond waarvan het scheidsgerecht bevoegd zou zijn het onderhavige geschil te beoordelen. (rov. 4.5-4.6).

Omdat Ruwa zich in het arbitraal geding overeenkomstig art. 1052 lid 2 Rv. voor alle weren op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht heeft beroepen op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, is haar recht om bij de gewone rechter een beroep te doen op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage niet vervallen. Uit art. 1052 lid 2 volgt niet dat Ruwa in de onderhavige procedure, daargelaten of sprake is van een overeenkomst, niet alsnog het verweer zou mogen voeren dat het genoemde koopbriefje geen verwijzing bevat naar het reglement van SBC. (rov. 4.7)

Nu vast staat dat het koopbriefje waarop [eiser] c.s. zich in de arbitrale procedure hebben beroepen geen verwijzing naar het reglement van SBC (of een ander reglement) bevat, en gesteld noch gebleken is dat het reglement van SBC op een andere wijze van toepassing is verklaard, ontbreekt een rechtsgeldige overeenkomst tot arbitrage en moet het arbitraal vonnis op die grond worden vernietigd. Daarbij kan in het midden blijven of de koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. (rov. 4.8)

3.3 Middel 1 strekt naar de kern genomen ten betoge dat de gronden voor onbevoegdheid van arbiters uiterlijk bij het eerste gedingstuk in de arbitrage naar voren gebracht moeten worden, en dat in de vernietigingsprocedure voor de gewone rechter geen stellingen ter onderbouwing van de onbevoegdheid van het scheidsgerecht naar voren gebracht mogen worden die niet ook in de arbitrage naar voren zijn gebracht. Het hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat, nu Ruwa zich in de arbitrageprocedure had beroepen op het ontbreken van een arbitrale overeenkomst, zij in de vernietigingsprocedure alsnog het verweer mag voeren dat het koopbriefje geen verwijzing bevat naar het reglement van SBC.

3.4.1 Op grond van art. 1052 lid 1 Rv. is het scheidsgerecht gerechtigd zelf over zijn bevoegdheid te oordelen. Daarbij geldt evenwel dat de gewone rechter daarover het laatste woord heeft, aangezien hij (voor zover thans van belang) ingevolge art. 1065 lid 1, aanhef en onder a, Rv. het arbitrale vonnis kan vernietigen indien hij - in afwijking van de beslissing van het scheidsgerecht - oordeelt dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt. Art. 1052 lid 2 bepaalt echter dat een partij die in het arbitraal geding is verschenen, een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren moet doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen. In het verlengde daarvan bepaalt lid 2 van art. 1065 dat de in lid 1 onder a bedoelde vernietigingsgrond (dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt), in het in art. 1052 lid 2 genoemde geval niet tot vernietiging van het arbitrale vonnis kan leiden.

Dit samenstel van bepalingen strekt ertoe te bewerkstelligen dat, indien een partij de bevoegdheid van het scheidsgerecht wil betwisten vanwege het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, daarover door het scheidsgerecht in een vroeg stadium van de procedure een beslissing kan worden genomen, waardoor zoveel mogelijk voorkomen wordt dat onnodige proceshandelingen verricht zouden worden indien een later (in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) gedaan beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, alsnog zou moeten leiden tot het oordeel dat het scheidsgerecht onbevoegd is.

3.4.2 In het licht van deze strekking moet beoordeeld worden of en in hoeverre toelaatbaar is dat een partij die in het arbitraal geding voor alle weren een beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage heeft gedaan, het beroep daarop in het verdere verloop van het arbitraal geding dan wel in de vernietigingsprocedure met nieuwe feitelijke of juridische stellingen onderbouwt. Gelet op de over en weer in het geding zijnde belangen kan niet als algemene regel aanvaard worden dat daartoe nimmer ruimte zou bestaan. Zo is denkbaar dat een partij die voor alle weren een beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage heeft gedaan, pas naar aanleiding van een daartegen door de wederpartij gevoerd verweer reden heeft om haar beroep op deze grond (later in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) met nieuwe feitelijke of juridische stellingen te onderbouwen. Anderzijds kan ook niet als algemene regel aanvaard worden dat onbeperkt ruimte bestaat voor het naderhand aanvoeren van geheel nieuwe feitelijke of juridische stellingen ter onderbouwing van een tijdig aangevoerde grond, omdat zulks de wettelijke regeling te zeer kan ondergraven. Daarom zal telkens in een concreet geval beoordeeld moeten worden of een nieuwe feitelijke of juridische stelling, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, in strijd komt met de hiervoor weergegeven strekking van de wettelijke regeling. Daarvoor zal onder meer van belang kunnen zijn in welke mate de nieuwe stellingen aansluiten bij de eerdere (in het arbitraal geding ingenomen) stellingen, wat de reden is voor het niet eerder aanvoeren van de nieuwe stellingen, en of de desbetreffende partij in het arbitraal geding al dan niet werd bijgestaan door een advocaat.

3.4.3 Nu middel 1 geheel gebaseerd is op het uitgangspunt dat bij de gewone rechter ter onderbouwing van de aangevoerde grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, geen stellingen naar voren mogen worden gebracht die niet ook in de arbitrage naar voren zijn gebracht, gaat het blijkens het bovenstaande uit van een onjuiste, te beperkte rechtsopvatting en kan het daarom niet tot cassatie leiden.

3.5 De in middel 2 aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ruwa begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 27 maart 2009.