Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG6151

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
02-02-2009
Zaaknummer
07/10870 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG6151
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslag. Art. 134.1 Sv. De beschikking van de R-C houdt als - klaarblijkelijk tijdens een doorzoeking ter inbeslagneming a.b.i. art. 110 Sv genomen - beslissing in om "de ongeordende stapel papieren mee te nemen naar het kabinet om daar te bezien wat wel en niet voor beslag vatbaar is". Aangenomen moet worden dat die papieren aldus - met het oog op het in art. 94.1 Sv bedoelde aan de dag brengen van de waarheid in te stellen onderzoek - aan de feitelijke macht van de beslagene/klager zijn onttrokken en in de macht van de R-C zijn gekomen. Gelet daarop getuigt het oordeel van de Rb dat geen sprake is van een inbeslagneming a.b.i. art. 134 Sv, van een onjuiste rechtsopvatting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94
Wetboek van Strafvordering 94a
Wetboek van Strafvordering 110
Wetboek van Strafvordering 134
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 85
RvdW 2009, 257
JOW 2010, 21
NJB 2009, 407
NBSTRAF 2009/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2009

Strafkamer

nr. 07/10870 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 4 juli 2007, nummer RK 07/716, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Amsterdam, locatie Het Schouw" te Amsterdam.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. A. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen de reeds aan hem teruggegeven stukken, dat de bestreden beschikking wat betreft de overige stukken wordt vernietigd en dat de zaak wordt teruggewezen naar de Rechtbank teneinde in zoverre op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift strekkende tot opheffing van het door de Rechter-Commissaris gelegde beslag op gedeelten van kopieën van het procesdossier van de klager, met last tot teruggave van deze stukken aan de klager. Uit door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen blijkt dat een aantal stukken inmiddels is teruggegeven aan de klager. Dit betekent dat de klager wat betreft die stukken geen belang meer heeft bij zijn beroep tegen de beschikking van de Rechtbank, zodat hij daarin in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in diens beklag, althans die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2.1. Bij de stukken bevindt zich een beschikking van de Rechter-Commissaris van 27 april 2007. Deze beschikking houdt het volgende in:

"Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] hebben opsporingsambtenaren in een vuilniszak een ongeordende grote stapel papieren aangetroffen. In deze stapel bevonden zich kennelijk brieven afkomstig van de advocaat van verdachte en kennelijk delen uit het procesdossier.

De officier van justitie had verzocht in beslag te nemen het procesdossier in deze zaak als dat in de woning zou worden aangetroffen.

De rechter-commissaris heeft tijdens de zoeking besloten tot de maatregel de ongeordende stapel papieren mee te nemen naar het kabinet om daar te bezien wat wel en niet voor beslag vatbaar is.

Aangenomen moet worden dat het procesdossier dat in de woning van verdachte is aangetroffen, aan hem is toegezonden door zijn advocaat.

Tot de vertrouwelijke correspondentie behoren en onder de geheimhoudingsplicht vallen brieven en andere schriftelijke stukken die door of aan de geheimhouder zijn geschreven. Indien deze bij de cliënt thuis worden aangetroffen, betekent dat niet dat zij niet onder de geheimhoudingsplicht vallen.

In de ongeordende stapel papieren heeft de rechter-commissaris aangetroffen:

- (deels gevulde) enveloppen van raadsman aan cliënt;

- brieven van raadsman aan cliënt;

- kopieën van gedeelten van het procesdossier;

- en enkele losse andere papieren.

Beslist:

- In beslag te nemen de enkele losse andere papieren als hierboven genoemd en deze ter hand te stellen aan de opsporingsambtenaren;

- Aan verdachte ter hand te stellen de (deels gevulde) enveloppen van raadsman aan cliënt, brieven van raadsman aan cliënt, kopieën van gedeelten van het procesdossier."

3.2.2. De Rechtbank heeft haar hiervoor onder 2 vermelde niet-ontvankelijkverklaring als volgt gemotiveerd:

"Blijkens haar beschikking van 27 april 2007 heeft de rechter-commissaris tijdens de doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] de beslissing genomen om een daar aangetroffen ongeordende stapel papieren mee te nemen naar het kabinet teneinde daar te beoordelen wat wel en wat niet voor beslag vatbaar zou zijn. Vervolgens heeft zij een deel van die stukken in beslaggenomen en ten aanzien van de overige stukken, hierna: de stukken, heeft zij bepaald dat deze aan klager ter hand gesteld dienden te worden.

Tegen dit laatste onderdeel van die beslissing heeft de officier van justitie zich verzet, in die zin dat hij in hoger beroep is gekomen bij de meervoudige raadkamer van deze rechtbank van de beslissing van de rechter-commissaris om de stukken niet in beslag te nemen. Hij vorderde daarbij dat de stukken alsnog in beslag zouden worden genomen en aan de politie ter hand gesteld.

Bij beschikking van 23 mei 2007 heeft de rechtbank in meervoudige raadkamer het beroep gegrond verklaard, de beschikking van de rechter-commissaris vernietigd en laatstgenoemde opgedragen de stukken te onderwerpen aan een onderzoek aan de hand van het door de rechtbank in haar beschikking geformuleerde criterium. Afhankelijk van het resultaat van dit onderzoek dienen, aldus de rechtbank in die beschikking, de desbetreffende pagina's weer in handen van verdachte te worden gesteld dan wel conform de vordering van de officier van justitie in beslag te worden genomen opdat zij later in handen kunnen worden gesteld van het onderzoeksteam.

Intussen dienen de stukken bewaard te worden op het kabinet van de rechter-commissaris, teneinde een eventueel beroep in cassatie van de officier van justitie of een beklag van de zijde van klager als bedoeld in artikel 552a Wetboek van Strafvordering niet illusoir te doen zijn.

Blijkens het namens klager ingediende klaagschrift en de toelichting daarop tijdens de behandeling in raadkamer, is klager van mening dat de stukken geacht moeten worden ten behoeve van strafvordering in beslag genomen te zijn, nu de rechter-commissaris deze feitelijk onder zich heeft genomen en zij deze dient te onderzoeken. (...).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag prematuur is omdat op dit moment (nog) geen sprake is van inbeslagneming van de stukken.

De rechtbank overweegt dat uit de beschikking van de rechter-commissaris noch uit de beschikking van de rechtbank van 23 mei 2007 en evenmin uit de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de stukken afgeleid kan worden dat deze op enig moment in beslag zijn genomen als bedoeld in de definitiebepaling van artikel 134 Wetboek van Strafvordering, waarop klager zich beroept. De rechter-commissaris heeft diverse stukken onder zich genomen, maar alleen om te bezien of deze voor beslag vatbaar zijn. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat de rechter-commissaris dit onderzoek ten aanzien van de stukken opnieuw dient te verrichten, aan de hand van een door haar aangereikte maatstaf. Het doel van dit onderzoek was en bleef derhalve de beoordeling of de stukken, of een gedeelte daarvan, vatbaar zijn voor de door de officier van justitie gevorderde

inbeslagneming.

Het onder zich nemen en houden van de stukken voor een dergelijk onderzoek, waarbij de in de artikelen 94 en 94a Wetboek van Strafvordering genoemde doeleinden niet in het geding zijn, kan niet worden beschouwd als het onder zich nemen en houden ten behoeve van de strafvordering, als bedoeld in artikel 134 van dit Wetboek."

3.3. Art. 134, eerste lid, Sv luidt als volgt:

"Onder inbeslagneming van eenig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering."

3.4. De beschikking van de Rechter-Commissaris houdt als - klaarblijkelijk tijdens een doorzoeking ter inbeslagneming als bedoeld in art. 110 Sv genomen - beslissing in om "de ongeordende stapel papieren mee te nemen naar het kabinet om daar te bezien wat wel en niet voor beslag vatbaar is". Aangenomen moet worden dat die papieren aldus - met het oog op het in art. 94, eerste lid, Sv bedoelde aan de dag brengen van de waarheid in te stellen onderzoek - aan de feitelijke macht van de beslagene/klager zijn onttrokken en in de macht van de Rechter-Commissaris zijn gekomen. Gelet daarop getuigt het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van een inbeslagneming als bedoeld in art. 134 Sv, van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5. Voor zover het middel daarover klaagt, is het gegrond.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep voor zover het de inmiddels aan hem teruggegeven stukken betreft;

vernietigt de bestreden beschikking voor het overige;

verwijst de zaak in zoverre naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande beklag opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2009.

Mr. Splinter-van Kan is buiten staat deze beschikking te ondertekenen.