Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG5978

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
07/11101
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG5978
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het bezigen tot bewijs van op 19-2-05 door verdachte afgelegde verklaring terwijl Hof heeft overwogen dat geen verklaring van verdachte afgelegd tussen 18-2-05 en 20-2-05 voor het bewijs wordt gebruikt, leidt niet tot cassatie, in aanmerking genomen ’s Hofs vaststelling dat verdachte op 27-10-06 tegenover de RC een aan de verklaring van 19-2-05 gelijkluidende verklaring heeft afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 423
NJB 2009, 722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 maart 2009

Strafkamer

Nr. 07/11101

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 mei 2007, nummer 20/000836-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. S.T. van Berge Henegouwen, mr. C.W.J. Faber en mr. C.P. van Dijk, advocaten te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden mr. S.T. van Berge Henegouwen en mr. C.W.J. Faber, voornoemd, op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

2. Beoordeling van het derde middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat de motivering van de bewezenverklaring van de in de zaak met parketnummer 03/703086-05 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten innerlijk tegenstrijdig is, althans niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, omdat het Hof de verklaring die de verdachte bij de politie op 19 februari 2005 heeft afgelegd als bewijsmiddel heeft gebruikt, hoewel het Hof heeft overwogen de in de periode van 18 februari tot 20 februari 2005 afgelegde verklaringen niet voor het bewijs te zullen bezigen.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder parketnummer 03/703086-05 bewezenverklaard dat

"1.

hij op 2 augustus 2002 te Born opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste cheque van de Banco Central Hispanoamericano, S.A. (nummer [001]), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die cheque bij (een medewerk(st)er van) de Coöperatieve Rabobank Swentibold U.A. heeft ingeleverd om de waarde van die cheque, te weten 183.000 euro, met zijn, verdachtes, bankrekening (nummer [002]) te verrekenen en bestaande die vervalsing hierin dat die cheque van origine een particuliere cheque op naam van [betrokkene 1] was en valselijk was gewijzigd (door een ondertekening die moest doorgaan voor een ondertekening namens Banco Central Hispanoamericano) in een gegarandeerde bankcheque, althans een op een gegarandeerde bankcheque gelijkende cheque;

2.

hij omstreeks de periode van 30 juli 2002 tot en met 11 oktober 2002 te Born, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels ((een) medewerk(st)er(s) van) de Coöperatieve Rabobank Swentibold U.A. heeft bewogen tot de afgifte door middel van bijboeking op bankrekening [002] van hem, verdachte, van 183.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk bij ((een) medewerker(s) van) die bank een op een echte en op een geldige gelijkende cheque ten name van de Banco Central Hispanoamericano, S.A. (ter waarde van 183.000 euro) ingeleverd en verteld dat hij, verdachte, een huis had verkocht en dat dat geld de opbrengst van de verkoop van een huis betrof, waardoor ((die bankmedewerk(st)er(s) van) die Coöperatieve Rabobank Swentibold U.A. werd(en) bewogen tot bovenomschreven bijboeking op verdachtes bankrekening".

2.2.2. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het Hof als bewijsmiddel gebezigd de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie op 19 februari 2005, voor zover inhoudende:

"Ik heb bij de Rabobank te Born een cheque ter verzilvering aangeboden met een bedrag van EUR 183.000,00. De cheque was afkomstig van een Spaanse bank."

2.2.3. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft de verdediging een uitgebreid verweer gevoerd dat in een aantal onderdelen uit te splitsen is.

(...)

Het openbaar ministerie wordt derhalve ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.

Aan het vorenstaande wordt reeds thans toegevoegd dat ook bewijsuitsluiting geen passende reactie zou opleveren, nu het hof geen verklaring van verdachte afgelegd in de periode tussen 18 februari 2005 en 20 februari 2005 voor het bewijs gebruikt."

(...)

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

I. De raadsman heeft ten aanzien van het bij parketnummer 03/703086-05 onder 1. ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet bewezen is dat verdachte zich bewust was van de valsheid van de door hem aan de Rabobank te Born ter verzilvering aangeboden cheque ten bedrage van EUR 183.000,-.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft op 27 oktober 2006 tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht ter zake verklaard dat het klopt dat hij begin augustus 2002 een cheque heeft afgegeven bij de Rabobank te Born, echter niet wetende dat die cheque vervalst was. Deze cheque kreeg hij via [betrokkene 2] en was volgens verdachte uitgeschreven door [betrokkene 1], die door [betrokkene 2] bij hem als klant was aangebracht.

Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig.

Vast staat dat de cheque in kwestie valselijk op naam is gesteld van verdachte, hetgeen noodzakelijkerwijs hetzij door verdachte zelf hetzij door een derde is geschied.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is het daadwerkelijke bestaan van [betrokkene 1] niet gebleken, doch is wel naar voren gekomen dat verdachte zich ook, naast het gebruik van enkele andere valse identiteiten zoals [...], valselijk heeft uitgegeven voor [betrokkene 1] en zich daarbij bediende van een op die naam gesteld Belgisch paspoort ten name van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] en wonende te [0000 plaats], [a-straat 1], welk paspoort was voorzien van een foto waarop de contouren van verdachte zijn te ontwaren zoals deze door het hof zijn waargenomen op andere ter zitting aan verdachte getoonde foto's.

Hiervan vindt het hof bevestiging in de verklaring van de getuige [betrokkene 2], vastgelegd in het proces-verbaal van het kernkorps Limburg-Noord, Interregionaal Bureau geld- en waardeverkeer Zuid-Nederland nr. 2002138581/22-11-2006, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie, d.d. 22 november 2006 - kort weergeven - ter zake inhoudende dat hij nooit klanten heeft aangedragen bij verdachte, dat de naam [betrokkene 1] hem niets zegt en dat verdachte van hem nooit een cheque heeft gekregen.

Het hof neemt hierbij bovendien in aanmerking dat verdachte, hoewel hiertoe in de gelegenheid gesteld, heeft nagelaten om zijn stelling met betrekking tot de herkomst van het geld en het bestaan van meergenoemde [betrokkene 1] aannemelijk te maken.

Gelet op het vorenstaande gaat het hof er van uit dat de hiervoor bedoelde "[betrokkene 1]" als zodanig niet bestaat maar een alias van verdachte is.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat verdachte wist dat de door hem gebruikte cheque vals was."

2.3. Het middel klaagt terecht dat het bezigen als bewijsmiddel van de verklaring die de verdachte op 19 februari 2005 bij de politie heeft afgelegd, in strijd is met de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven overweging van het Hof dat geen verklaring van de verdachte afgelegd in de periode tussen 18 februari 2005 en 20 februari 2005 voor het bewijs wordt gebruikt. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, in aanmerking genomen dat het Hof in de "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" heeft vastgesteld dat de verdachte op 27 oktober 2006 tegenover de Rechter-Commissaris een verklaring heeft afgelegd, inhoudende dat hij begin augustus 2002 een cheque heeft afgegeven bij de Rabobank te Born, welke verklaring in de kern gelijkluidend is aan de verklaring van de verdachte afgelegd op 19 februari 2005 bij de politie.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 10 maart 2009.