Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG5977

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
07/10799
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG5977
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aftrek voorarrest in hoofdzaak bij tul eerdere straf? Verdachte is veroordeeld tot 1 wk gs, met aftrek. Verdachte heeft echter 103 dgn in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft het Hof de tul gelast van een eerder opgelegde gs. De opvatting dat in een dergelijk geval het Hof niet vrijstond de tul te gelasten is onjuist. HR maakt n.a.v. de conclusie AG de volgende opmerking: in een geval als i.c. waarin op de voet van art. 361a Sv bij de uitspraak in de hoofdzaak tevens de tul wordt gelast, is een bevel tot aftrek voorarrest ondergaan in de hoofdzaak op de straf waarvan de tul wordt gelast niet mogelijk, nu de wet daarin niet voorziet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 14g
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 361a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 139
RvdW 2009, 399
NJB 2009, 614
NBSTRAF 2009/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 maart 2009

Strafkamer

nr. S 07/10799

AH/SM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 december 2006, nummer 22/003263-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De middelen zijn schriftelijk toegelicht.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij ten aanzien van de straf, waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen, niet is bepaald dat de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis daarop in aftrek dienen te worden gebracht, en tot bevel dat de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis op de straf, waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen, in aftrek worden gebracht voor zover deze niet reeds in aftrek kunnen worden gebracht op de straf voor het feit waarvoor de verdachte is veroordeeld, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte is bij het bestreden arrest vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en ter zake van (de subsidiair tenlastegelegde) mishandeling veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van het ondergane voorarrest. De duur van die in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd beliep, naar in cassatie moet worden aangenomen, 103 dagen.

Voorts is bij het bestreden arrest de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week, opgelegd bij vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 23 februari 2003.

3.2. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat het het Hof niet vrijstond de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van een week te bevelen nu de duur van de in de hoofdzaak ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis de duur van de in die zaak opgelegde gevangenisstraf met meer dan een week overstijgt. Die opvatting is onjuist zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

3.3. Opmerking verdient nog het volgende. In een geval als het onderhavige waarin op de voet van art. 361a Sv bij de uitspraak in de hoofdzaak tevens de tenuitvoerlegging wordt gelast van een voorwaardelijke straf, is een bevel tot aftrek op die laatste straf van de in de hoofdzaak ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis niet mogelijk, nu de wet daarin niet voorziet.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van een week en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 3 maart 2009.