Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG5850

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
07/12643
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG5850
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6121, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Goederenrecht. Conservatoir beslag op een registergoed, dat is gelegd en ingeschreven nadat de koop van dat registergoed op de voet van art. 7:3 lid 1 BW is ingeschreven (Vormerkung); beslag kan niet tegen de koper worden vervolgd en komt nadat het beslagen goed het vermogen van de verkoper heeft verlaten, niet automatisch te rusten op de verkoopopbrengst; notaris handelt niet onzorgvuldig door – na voldoening van schuldeisers die hun rechten wél tegen de koper konden inroepen – het restant van de koopsom aan de verkopers uit te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 344 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
RAV 2009, 35
RN 2009, 32
RVR 2009, 47
RvdW 2009, 269
NJB 2009, 403
JWB 2009/37
JBPR 2009/16 met annotatie van mr. L.P. Broekveldt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 februari 2009

Eerste Kamer

07/12643

RM/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel,

t e g e n

[Verweerder],

kantoorhoudende te [plaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ABN AMRO en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

ABN AMRO heeft bij exploot van 5 september 2005 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat [verweerder] jegens ABN AMRO onrechtmatig heeft gehandeld en [verweerder] te veroordelen tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat, met rente en kosten.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 november 2005 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft ABN AMRO hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 12 juli 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft ABN AMRO beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. J.W. Hoekzema, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) hebben op een datum gelegen voor 28 oktober 2004 hun recht van erfpacht betreffende een huis, tuin en schuur aan de [a-straat 1] te [plaats] verkocht. Deze koop is eveneens voor 28 oktober 2004 ingeschreven in de openbare registers.

(ii) Op 28 oktober 2004 heeft ABN AMRO ten laste van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] conservatoir beslag gelegd op genoemd recht van erfpacht en dat beslag in de openbare registers doen inschrijven.

(iii) Op 29 oktober 2004 heeft de levering van het recht van erfpacht aan de koper plaatsgevonden ten overstaan van [verweerder], notaris te [plaats]. [Verweerder] heeft uit de koopsom de hypotheekhouder en een eerdere beslaglegger voldaan. Het restant van de koopsom heeft hij uitgekeerd aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

(iv) Na de levering heeft ABN AMRO het door haar gelegde beslag opgeheven. Bij vonnis van 30 maart 2005 heeft de rechtbank Amsterdam bij verstek [betrokkene 1] en [betrokkene 2] veroordeeld tot betaling aan ABN AMRO van in totaal € 68.566,97 met rente en kosten. ABN AMRO heeft op die vordering nog geen gelden kunnen innen.

3.2 Het gaat in deze zaak om de vraag welke rechtsgevolgen zijn verbonden aan een conservatoir beslag op een registergoed, dat is gelegd en ingeschreven nadat de koop van dat registergoed op de voet van art. 7:3 lid 1 BW is ingeschreven. Daarbij gaat het niet om de bescherming van de koper wiens koop is ingeschreven, tegen wie ingevolge het derde lid onder f van dat artikel een later ingeschreven (conservatoir) beslag niet kan worden ingeroepen, maar om de vraag of de beslaglegger na de levering van het registergoed aan de koper recht kan doen gelden op de koopsom. ABN AMRO heeft aan haar hiervoor onder 1 vermelde vordering ten grondslag gelegd dat zij als beslaglegger recht had in de verkoopopbrengst te delen, en dat [verweerder] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de restant koopsom aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] uit te keren, in plaats van deze onder zich te houden ten behoeve van ABN AMRO. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe het volgende overwogen:

"2.4 De grieven keren zich tegen voormelde overwegingen van de rechtbank en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Partijen zijn verdeeld over de vraag welk het rechtsgevolg is van het na de inschrijving van de koopovereenkomst in het register als bedoeld in art. 7:3 BW ten laste van de verkoper op de te leveren onroerende zaak gelegd (conservatoir) beslag, waarbij de beschermende werking van die inschrijving ten aanzien van de koper niet in het geding is.

2.5 Ter bescherming van de koper van een registergoed, zoals het onderhavige erfpachtrecht, kan onder voorwaarden de koop worden ingeschreven in het register. Tegen de koper kan niet meer worden ingeroepen een executoriaal of conservatoir beslag waarvan het proces-verbaal in het openbaar register is ingeschreven nà de inschrijving van de koop. Daarmee wordt voorkomen dat een beslag op de verkochte zaak na het totstandkomen van de koopovereenkomst de afwikkeling van de overeenkomst frustreert. Deze bescherming verliest met terugwerkende kracht haar werking indien niet binnen zes maanden na de inschrijving van de koop in het register het goed wordt geleverd. Voor de beoordeling van de zaak is van belang dat niet in geding is dat (i) de koop onder de juiste voorwaarden in het register is ingeschreven, (ii) het proces-verbaal van beslaglegging in het register is ingeschreven nadat de koop is ingeschreven en (iii) dat de levering van het goed heeft plaatsgevonden binnen zes maanden na de inschrijving van de koop. Hieruit volgt dat de onroerende zaak na de inschrijving van de koop in het register niet meer voor uitwinning ten laste van de verkopers geschikt is geweest en dat het beslag op de onroerende zaak dan ook geen doel heeft getroffen.

2.6 ABN-AMRO betoogt dat - hoewel zij erkent dat het beslag in zakenrechtelijke zin de zaak volgt - desondanks het beslag rechtsgevolgen heeft jegens de verkopers en dat ABN-AMRO om deze reden dient mee te delen in het restant van de koopsom na voldoening aan de hypotheekhouder en eventuele andere bij voorrang te voldoene schuldeisers. De zorgplicht van [verweerder] als notaris brengt mee dat hij niet voorbij mocht gaan aan het door ABN-AMRO ten laste van de verkopers gelegde beslag. [Verweerder] had de restant koopsom onder zich moeten houden tot dat meer duidelijkheid zou zijn ontstaan over de gerechtigdheid tot dit geld. Door tot onverwijlde uitkering over te gaan heeft [verweerder] de zorgplicht jegens ABN-AMRO geschonden en onrechtmatig jegens haar gehandeld.

2.7 Dit betoogt faalt voor zover het is gestoeld op de gedachte dat het onroerend goed ondanks de inschrijving van de koop in de registers nog geschikt zou zijn voor uitwinning ten laste van de verkopers. Die inschrijving - gevolgd door tijdige levering - onttrekt het onroerend goed nu juist aan die uitwinning. Voor zover ABN-AMRO wil betogen dat het beslag desondanks moet worden beschouwd als een geslaagde uitwinning voor wat betreft de koopsom, miskent zij dat het beslag op het onroerend goed niet tevens is een beslag onder de notaris op de koopsom. Gelijk ABN-AMRO erkent, kan van conversie van het ene beslag naar het andere geen sprake zijn. Dat de beslaglegger van vòòr de inschrijving van de koopovereenkomst in het register wel deelt in de opbrengst (de koopsom) is het gevolg van de omstandigheid dat wel een geslaagde uitwinning van het onroerend goed had kunnen plaatsvinden, hetgeen in het onderhavige geval echter niet aan de orde is.

2.8 Geen rechtsregel tast de verplichting van de notaris aan om het restant van de koopsom aan de verkoper uit te keren als de hypotheekhouder en beslagleggers ten behoeve van wie is uitgewonnen of die konden uitwinnen zijn voldaan. Een zorgplicht van de notaris zoals door ABN-AMRO bepleit valt niet af te leiden, ook niet naar analogie, uit de artikelen 551 Rv en 3:268 BW. ABN-AMRO miskent dat beide genoemde artikelen handelen over de schuldeisers die doeltreffend beslag hebben gelegd, terwijl de aard van die regelingen zich verzetten tegen een extensieve interpretatie, in dier voege dat beslag dat geen doel heeft getroffen alsnog als doeltreffend zou moeten worden behandeld. Dat ABN-AMRO een andere - en dus onjuiste - interpretatie van het recht op dit punt voorstaat, maakt niet dat [verweerder] onzorgvuldig jegens ABN-AMRO heeft gehandeld door zijn verplichting tot uitkering aan de verkopers na te komen ondanks de wetenschap van een beweerdelijke vordering van de Bank.

2.9 De grieven die alle van andere opvattingen uitgaan falen."

3.3 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel wordt het volgende vooropgesteld. De Advocaat-Generaal heeft in de conclusie onder 2.1 tot en met 2.9 inleidende beschouwingen gegeven over de hier aan de orde zijnde (ook wel als "Vormerkung" aangeduide) rechtsfiguur, neergelegd in art. 7:3 BW, die de mogelijkheid opent tot inschrijving van de koop van een registergoed in de openbare registers met het rechtsgevolg dat tegen de koper wiens koop is ingeschreven de in lid 3 van dat artikel onder de letters a tot en met g vermelde rechtsfeiten niet kunnen worden ingeroepen. Uit de aldaar vermelde gegevens met betrekking tot de inhoud en totstandkomingsgeschiedenis van deze regeling moet worden afgeleid dat met deze regeling is beoogd de koper van een registergoed tijdelijk (gedurende zes maanden na inschrijving van de koop) bescherming te bieden in zijn recht op daadwerkelijke nakoming van de koopovereenkomst, en hem in het bijzonder te beschermen tegen wanprestatie van de verkoper hierin bestaande dat deze het goed (onbelast) levert aan een derde, alsmede tegen beslaglegging op het goed ten laste van de verkoper en tegen een faillissement van de verkoper. De wetgever heeft de voor de bescherming van het persoonlijk recht van de koper op onbelaste verkrijging noodzakelijk geachte zakelijke werking van de inschrijving van de koop nauwkeurig omschreven door in het derde lid van art. 7:3 onder de letters a tot en met g precies te bepalen welke rechtsfeiten niet tegen de koper kunnen worden ingeroepen. Voorts kan uit de door de Advocaat-Generaal vermelde gegevens worden afgeleid dat met de woorden "niet kunnen worden ingeroepen", die overeenkomen met de bewoordingen van de artikelen waarin de gevolgen van een beslag worden bepaald, daarop wordt gedoeld dat inschrijving van de koop op vergelijkbare wijze als beslaglegging niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper, en dus ook niet in de weg staat aan overdracht van het verkochte goed aan een derde, maar wél meebrengt dat een vervreemding of bezwaring, tot stand gekomen na de inschrijving van de koop, ingevolge art. 7:3 lid 3 BW niet tegen de koper kan worden ingeroepen. Wat het onder letter f vermelde executoriaal of conservatoir beslag betreft, brengt het voorgaande mee dat de inschrijving van de koop niet in de weg staat aan een latere beslaglegging ten laste van de verkoper en dat een dergelijk beslag in beginsel ook doel treft, maar dat het beslagen goed, mits het binnen zes maanden na inschrijving van de koop aan de koper wordt geleverd, niet door deze beslaglegger kan worden uitgewonnen. De wetgever heeft onderkend dat door toekenning van zakelijke werking aan het persoonlijk recht op levering de gelijkheid van de schuldeisers van de verkoper in het gedrang kan komen. Hij heeft echter gemeend dat met de regeling een juist evenwicht is gevonden doordat de, ook in de tijd beperkte, zakelijke werking van de inschrijving nauwkeurig is omschreven en niet verder gaat dan nodig is ter bescherming van de koper, terwijl de schuldeisers van de verkoper de mogelijkheid hebben om onder de koper of de notaris beslag te leggen op de koopprijs.

3.4 Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de met de regeling beoogde bescherming van de koper in diens recht op daadwerkelijke onbezwaarde verkrijging van het registergoed wordt bereikt wanneer de - op zichzelf na de inschrijving van de koop nog steeds mogelijke - beslaglegging niet tegen de koper kan worden ingeroepen. Dit brengt mee dat na (tijdige) levering van het beslagen goed aan de koper, de beslaglegger het beslag niet tegen de koper kan vervolgen. Een verdergaande werking van de inschrijving is niet vereist om de beoogde bescherming van de koper te bereiken. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft dat echter niet tot gevolg dat het beslag nadat het beslagen goed het vermogen van de verkoper heeft verlaten, komt te rusten op de verkoopopbrengst. Uit de parlementaire geschiedenis, aangehaald in de conclusie onder 2.9 en 3.6, moet veeleer worden afgeleid dat zulks in de visie van de wetgever juist niet het geval is, en dat de schuldeisers van de verkoper beslag op de koopsom onder de koper of onder de notaris dienen te leggen om te bereiken dat zij in de opbrengst van het verkochte kunnen delen. Dat vindt steun in de literatuur, zoals is uiteengezet in de conclusie onder 3.9, en strookt ook met het stelsel van het beslagrecht waarin een beslag op een goed slechts op grond van een uitdrukkelijke wetsbepaling wordt geconverteerd in een beslag op een ander goed.

3.5 In het onderhavige geval heeft ABN AMRO op 28 oktober 2004, derhalve na de inschrijving van de koop in de openbare registers, ten laste van de verkopers beslag gelegd op het verkochte goed, en is vervolgens, binnen de termijn van zes maanden van art. 7:3 lid 4 BW, het registergoed aan de koper geleverd. Door te oordelen dat - in deze situatie - het beslag op de onroerende zaak geen doel heeft getroffen (rov. 2.5), en dat de onroerende zaak na de (tijdige) levering niet meer geschikt was voor uitwinning ten laste van de verkopers (rov. 2.7), heeft het hof, gezien het hiervoor overwogene, een juiste toepassing gegeven aan de in art. 7:3 lid 3, aanhef en onder f, BW neergelegde regeling. Het hof heeft voorts terecht geoordeeld dat [verweerder] in deze situatie, waarin geen beslag op de koopsom was gelegd, niet onzorgvuldig heeft gehandeld door - na voldoening van de hypotheekhouder en een eerdere beslaglegger die hun rechten wél tegen de koper konden inroepen - het restant van de koopsom aan de verkopers uit te betalen. Op het voorgaande stuiten de klachten van het middel in hun geheel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt ABN AMRO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 februari 2009.