Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG4968

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
07/13273
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG4968
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art 36f Sr. Overgangsrecht. Art. 36f is ingevolge art IX.1 van de Wet van 23 december 1992 (Stb. 1993, 29) niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan vóór het tijdstip van de inwerkingtreding op 1-1-1995. HR herstelt zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 289
NJB 2009, 460
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2009

Strafkamer

Nr. 07/13273

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2007, nummer 20/002807-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Merksplas" (België).

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij schadevergoedings-maatregelen zijn opgelegd en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte schadevergoedingsmaatregelen heeft opgelegd, nu deze maatregelen zijn opgelegd ter zake van schade geleden als gevolg van feiten die voor de inwerkingtreding van art. 36f Sr zijn begaan.

3.2. Het Hof heeft aan de verdachte ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 6) schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, telkens ten bedrage van € 680,67, subsidiair 13 dagen hechtenis. De onder 1 en 6 bewezenverklaarde feiten zijn respectievelijk gepleegd op 2 oktober 1990 en 12 juli 1991.

3.3. Art. 36f Sr is in onder meer het arrondissement Maastricht, waar de zaak in eerste aanleg is berecht, in werking getreden op 1 april 1995 (Besluit van 30 maart 1995, Stb. 1995, 160). Art. 36f Sr is ingevolge art. IX, eerste lid, van de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan vóór het tijdstip van de inwerkingtreding. In aanmerking genomen dat de feiten ter zake waarvan de schadevergoedingsmaatregelen zijn opgelegd, zijn gepleegd vóór 1 april 1995, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover daarbij op de voet van art. 36f Sr aan de verdachte een betalingsverplichting, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis, is opgelegd. Het middel treft dus doel.

3.4. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat hetgeen hiervoor is overwogen geen verandering brengt in de beslissingen van het Hof op de door de slachtoffers ingediende civiele vorderingen.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover daarbij aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen zijn opgelegd;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 3 februari 2009.