Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG4260

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
08-01-2009
Zaaknummer
07/12115
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG4260
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in h.b. Gelet op de inhoud van de brief van de raadsman is het kennelijke oordeel van het Hof dat zich i.c. een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting verdachte tevoren bekend was a.b.i. art. 408.1.c Sv zodat het h.b. binnen 14 dgn na de einduitspraak had moeten worden ingesteld, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 408
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 181
NJB 2009, 243
NBSTRAF 2009/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 januari 2009

Strafkamer

07/12115

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 maart 2007, nummer 22/006661-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V. Kortenbach, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Schipper heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans op onjuiste gronden, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

2.2.1. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang.

(i) Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van mr. V. Kortenbach, advocaat te 's-Gravenhage, gedateerd

29 augustus 2006 en gericht aan de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage en aldaar ingekomen op 20 september 2006, inhoudende:

"Betreft: [Verdachte]/OM

Geachte heer/mevrouw,

Cliënt [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] heeft zich tot mij gewend in verband met de ontvangst van een bericht van aankomst van een dagvaarding in bovenvermelde zaak. Cliënt was niet in de mogelijkheid om het bericht binnen de gestelde termijn af te halen.

Ik laat u weten dat ik mij hierbij als advocaat van cliënt stel en ik verzoek u om spoedige toezending van het strafprocesdossier."

(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 28 september 2006 houdt onder meer in:

"De verdachte is ter terechtzitting niet verschenen en ook de gemachtigde mr. V. Kortenbach is niet verschenen. De kantonrechter verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte."

2.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Mijn raadsman mr. Kortenbach komt niet. Ik heb tegen hem gezegd dat ik wel alleen zou gaan. Ik was niet aanwezig ter terechtzitting in eerste aanleg; ik had geen stukken ontvangen.

Toen ik bericht kreeg dat ik mijn rijbewijs moest inleveren ben ik naar mijn raadsman gegaan en heeft hij hoger beroep ingesteld. Ik weet niet of mijn raadsman wel wist van de zitting in eerste aanleg. Hij was uitdrukkelijk gemachtigd."

2.3. Het Hof heeft omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep het volgende overwogen en beslist:

"Uit de brief d.d. 29 augustus 2006 van de raadsman van de verdachte, mr. V. Kortenbach, blijkt dat de - volgens mededeling van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep - door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte had derhalve volgens de wet hoger beroep dienen in te stellen binnen veertien dagen na de op 28 september 2006 in eerste aanleg gegeven einduitspraak.

Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld op 21 november 2006 dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard."

2.4. Gelet op de inhoud van de brief van de raadsman, is het kennelijke oordeel van het Hof dat zich in de onderhavige zaak een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was als bedoeld in art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv zodat het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak had moeten worden ingesteld, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 6 januari 2009.