Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG4240

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
07/11047
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG4240
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. De appelakte vermeldt als adres van verdachte “X-straat te Y”. Op de dag waarop deze akte is opgemaakt, 17-3-2006, was dit niet het GBA-adres van verdachte. Tevens vermeldt de appelakte: “De griffier heeft comparant er op gewezen dat de mogelijkheid bestaat een adres op te geven dat afwijkt van het GBA-adres van verdachte. Hiervan is geen gebruik gemaakt door de comparant.” De appeldagvaarding is aan de griffier betekend en als gewone brief naar het nieuwe GBA-adres van verdachte verzonden. Het Hof heeft o.g.v. hetgeen in de appelakte staat vermeld, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het in die akte vermelde adres het oude, achterhaalde GBA-adres van verdachte was en dat dat adres niet kan worden beschouwd als een adres a.b.i. art. 588a.1.c Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 588a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 59
RvdW 2009, 192
NBSTRAF 2009/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 januari 2009

Strafkamer

07/11047

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 december 2006, nummer 20/001124-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum], thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden, althans ontoereikend heeft gemotiveerd waarom aanhouding achterwege kon blijven.

2.2. De stukken van het geding houden wat betreft de procesgang in hoger beroep het volgende in:

(i) blijkens een aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep gehecht GBA-overzicht van 6 november 2006 heeft de verdachte van 29 april 2005 tot 31 januari 2006 ingeschreven gestaan op het adres [a-straat 1] ([0000 AA]) [plaats];

(ii) van 31 januari 2006 tot 3 mei 2006 was van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats bekend;

(iii) op 17 maart 2006 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 14 maart 2006, waarbij op de akte rechtsmiddel als adres van de verdachte zijn oude GBA-adres, zijnde [a-straat 1] te [plaats], is vermeld;

(iv) vanaf 3 mei 2006 staat de verdachte ingeschreven op het adres [b-straat 1 ] ([0000 BB]) [plaats];

(v) de appeldagvaarding is op 19 oktober 2006 tevergeefs aangeboden op zijn GBA-adres [b-straat 1 ] te [plaats]; omdat niemand op het adres [b-straat 1 ] te [plaats] werd aangetroffen, is een bericht van aankomst achtergelaten.

Op 27 oktober 2006 is de appeldagvaarding op de voet van art. 588, derde lid aanhef en onder c, (oud) Sv door een baliemedewerker van het postkantoor teruggezonden aan het Ressortsparket te 's-Hertogenbosch, alwaar de appeldagvaarding, na verificatie van het GBA-adres, op 6 november 2006 aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank is uitgereikt. De griffier heeft de appeldagvaarding vervolgens op 6 november 2006 als gewone brief naar het adres [b-straat 1 ] te [plaats] verzonden;

(vi) op 23 november 2006 heeft het Hof de zaak bij verstek behandeld. Ter terechtzitting was de verdachte noch een voor hem verschenen raadsman aanwezig.

2.3. De appelakte vermeldt als adres van de verdachte "[a-straat 1] te [plaats]". Op de dag waarop deze akte is opgemaakt, 17 maart 2006, was dit niet het GBA-adres van de verdachte.

Tevens vermeldt de appelakte: "De griffier heeft comparant er op gewezen dat de mogelijkheid bestaat een adres op te geven dat afwijkt van het GBA-adres van verdachte. Hiervan is geen gebruik gemaakt door de comparant".

2.4. Het Hof heeft op grond van hetgeen in de appelakte staat vermeld, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het in die akte vermelde adres het oude, achterhaalde GBA-adres van de verdachte was, en dat dit adres niet kan worden beschouwd als een adres als bedoeld in het eerste lid onder c van art. 588a Sv.

2.5. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 januari 2009.