Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG4012

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
07/13284
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG4012
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Bewijsrecht; bewijsvermoeden in een tussenbeslissing omtrent valsheid in geschrift. Onpartijdig gerecht in zin van art. 6 EVRM als rechter in eerdere fase van procedure in nadeel van partij heeft beslist? Cassatie, rechtsklacht over eerlijk proces na afgewezen wrakingsverzoek.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 39
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 155
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 562 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2009, 186
NJB 2009, 241
JWB 2009/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 januari 2009

Eerste Kamer

07/13284

RM/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. C.J.J.C. van Nispen, thans mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

De stichting [verweerster] (Stichting Nederlands Instituut voor het Arabisch Cultuurgebied),

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie.

advocaat: mr. G. Snijders.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in voorgaande instanties

Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 14 januari 2000, nr. C98/237, NJ 2000, 236. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het door [eiser] ingestelde cassatieberoep tegen het tussenarrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 mei 1998 verworpen.

Nadat de zaak bij het hof is voortgezet heeft [eiser] de leden van de desbetreffende kamer van het hof gewraakt. Het hof heeft het wrakingsverzoek van [eiser] bij beslissing van 7 juni 2000 afgewezen. [Eiser] is door de Hoge Raad bij beschikking van 26 januari 2001, nr. R00/107, NJ 2001, 177, niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep.

Hierna heeft het hof bij tussenarresten van 24 april 2003 en 31 maart 2005 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. [Eiser] heeft getuigen doen horen en deskundigenrapporten overgelegd. Bij tussenarrest van 22 februari 2007 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen als in zijn arrest bedoeld.

Bij eindarrest van 16 augustus 2007 heeft het hof:

- in het principaal beroep het bestreden vonnis van 12 mei 1993, voor zover in conventie gewezen, vernietigd behoudens de toewijzing van de bedragen van ƒ 27.000,--, ƒ 3.924,60 en ƒ 7.873,06, met rente;

- opnieuw rechtdoende: in conventie het meer of anders gevorderde afgewezen;

- het vonnis voor zover gewezen in reconventie bekrachtigd;

- in het incidentele beroep het beroep verworpen;

- ten aanzien van het in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis gevorderde: [eiser] veroordeeld aan [verweerster] de som van € 1.439.248,63 te betalen, met rente.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie

Tegen de tussenarresten van 24 april 2003, 31 maart 2005 en 22 februari 2007 en tegen het eindarrest van 16 augustus 2007 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. K. Teuben, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 20 november 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Middel I klaagt dat het hof de zaak heeft behandeld in een samenstelling die wat betreft twee van de drie raadsheren gelijk was aan die waarin het hof het tussenarrest van 7 mei 1998 had gewezen. Volgens het middel is aldus het recht van [eiser] op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onpartijdig gerecht geschonden, in het bijzonder omdat de arresten van 22 februari 2007 en 16 augustus 2007 zijn meegewezen door deze twee raadsheren die in het tussenarrest van 7 mei 1998 voorshands als vaststaand hadden aangenomen dat [eiser] de facto meermalen valsheid in geschrift had gepleegd op grond van stellingen of omstandigheden die niet op de totstandkoming van de desbetreffende geschriften betrekking hadden maar op de onwaarschijnlijkheid van de door [eiser] aangevoerde stellingen. In elk geval gaven de overwegingen van dit tussenarrest, aldus het middel, grond te vrezen dat het hun aan onpartijdigheid zou ontbreken indien zij zouden beoordelen of [eiser] in het leveren van tegenbewijs was geslaagd.

3.2 De in het middel aangevoerde bezwaren van [eiser] zijn door hem ook al aangevoerd in zijn, door de wrakingskamer van het hof te 's-Gravenhage afgewezen, verzoek tot wraking van beide raadsheren. Anders dan [verweerster] heeft doen aanvoeren, stuit het middel niet reeds af op het bepaalde in art. 39 lid 5 Rv. Tegen de afwijzing van het verzoek tot wraking staat ingevolge deze bepaling weliswaar geen rechtsmiddel open, doch dit ontneemt een partij niet de mogelijkheid in hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat wegens het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter(s) geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in art. 6 EVRM.

3.3 Voor zover het middel berust op het uitgangspunt dat de rechter die eenmaal heeft geoordeeld dat een bewijsvermoeden bestaat ten gunste van de ene partij waartegen de andere partij tegenbewijs mag leveren, niet meer onbevangen en onpartijdig dit tegenbewijs kan waarderen en beoordelen omdat hij al ten nadele van deze partij heeft geoordeeld en zich niet van dit oordeel kan losmaken, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het enkele feit dat de rechter in een eerdere fase van de procedure een beslissing in het nadeel van een der partijen heeft genomen, brengt niet mee dat sprake is van partijdigheid waartegen art. 6 EVRM bescherming biedt. Het is immers de taak van de rechter in een civiele procedure over de juistheid dan wel aannemelijkheid van de vaak talrijke stellingen en standpunten van partijen te oordelen. Het uitspreken van een vermoeden ten gunste van een van partijen in een tussenbeslissing kan evenmin grond zijn voor de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bij de betrokken rechters. Grond voor zodanige vrees kan ten slotte ook niet worden gevonden in het enkele feit dat de partij in wiens nadeel dat vermoeden is aangenomen zich met het desbetreffende oordeel niet kan verenigen. Het is juist in overeenstemming met de eisen van een behoorlijke rechtspleging dat de rechter die op grond van het voorhanden materiaal een oordeel heeft gegeven over de noodzaak van (tegen)bewijslevering, in dezelfde instantie vervolgens zoveel als mogelijk ook (mee)beslist over de vraag of dit (tegen)bewijs is geleverd (vgl. art. 155 Rv.).

Op dit een en ander stuiten alle klachten van het middel af.

3.4 Middel II faalt eveneens. Anders dan het middel betoogt, behoefde het hof in de omstandigheid dat een van de gronden die het hof voor het aannemen van een vermoeden had gebruikt, onjuist bleek te zijn, geen aanleiding te vinden de verdeling van de bewijslast opnieuw te beoordelen en nader te motiveren waarom het aan dit vermoeden vasthield. Het hof, dat zeer uitvoerig en aan de hand van concrete feiten en omstandigheden heeft gemotiveerd waarom het eerder aangenomen vermoeden niet is ontzenuwd, heeft daarmee tevens voldoende tot uitdrukking gebracht dat voor het vasthouden aan dit vermoeden voldoende grond bestond. Het hof heeft in rov. 17 van zijn tussenarrest van 22 februari 2007 nog overwogen dat de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van [eiser] wordt vergroot door een aantal in deze overweging vermelde omstandigheden. Daarmee heeft het hof niet een verrassingsbeslissing gegeven, nu de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat al deze omstandigheden al eerder in het processuele debat van partijen waren betrokken.

3.5 De in de middelen III en IV aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 5.987,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 januari 2009.