Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG3554

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
07/13323 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG3554
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslag. Art. 3:86 BW (revindicatie), verkrijger te goeder trouw. Geklaagd wordt dat de Rb heeft miskend dat de revindicatiemogelijkheid van art. 3:86.3 BW i.c. door tijdsverloop is vervallen en dat ontoereikend is gemotiveerd waarom de geluidsbanden niet aan klager als verkrijger te goeder trouw dienden te worden teruggegeven. HR: In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de 3-jr-termijn a.b.i. art. 3:86.3 BW t.t.v. de beoordeling door de Rb was verstreken. Gelet op de wetsgeschiedenis brengt dat mee dat lid 1 zijn volle werking heeft hernomen zodat geen betekenis meer toekomt aan de in lid 3 als uitzondering geformuleerde regel. Dat betekent dat voor de beantwoording van de vraag of klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd, beslissend is of hij de desbetreffende geluidsbanden anders dan om niet en te goeder trouw heeft verkregen. Nu de Rb daaromtrent onvoldoende heeft vastgesteld, is de bestreden beschikking niet naar behoren met redenen omkleed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 552a
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 229
NBSTRAF 2009/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2009

Strafkamer

07/13323 B

BIV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 24 mei 2007, nummer RK 07/805, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing of terugwijzing van de zaak, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag en klaagt onder meer erover dat de Rechtbank heeft miskend dat de revindicatiemogelijkheid van art. 3:86, derde lid, BW in deze zaak door tijdsverloop is vervallen en dat ontoereikend is gemotiveerd waarom de geluidsbanden niet aan de klager als verkrijger te goeder trouw dienden te worden teruggegeven.

2.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Inhoud klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de op 10 januari 2003 inbeslaggenomen banden met geluidsopnamen van The Beatles.

Feiten

Uit de stukken is het volgende gebleken.

Op 23 december 2002 is een Engels rechtshulpverzoek ingediend in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de diefstal en/of heling van voornoemde geluidsbanden in de periode 1973-1995. Uit gesprekken die de Engelse politie met één van de verdachten in de strafzaak, genaamd [betrokkene 1], heeft gehad, blijkt dat op 10 januari 2003 een geïnfiltreerde Engelse politieagent met de andere verdachte in de strafzaak, [betrokkene 2], naar Nederland zou komen. De bedoeling was om de twee Nederlandse personen die de banden in hun bezit hadden te ontmoeten en om de banden tegen betaling van een hoog geldbedrag te kopen. Bij die ontmoeting in het pand [a-straat 1] te [plaats] zijn [klager 2] en klager aangehouden. In het pand zijn voornoemde banden aangetroffen en inbeslaggenomen.

Klager heeft op 11 januari 2003 verklaard dat hij via [betrokkene 1] aan de banden was gekomen, die hem had verteld dat hij de banden van John Lennon had gekregen in de tijd dat [betrokkene 1] in de Apple studio's van The Beatles werkte.

[klager 2] heeft op 11 januari 2003 verklaard dat hij in 1992 is benaderd door [betrokkene 1] die vertelde dat hij de banden te koop had en dat hij die banden van John Lennon had gekregen. Voorts heeft [klager 2] verklaard dat hij en klager op naam van hun bedrijf de banden voor £ 30.000,- hadden gekocht. Later hadden ze nóg een partij banden van deze [betrokkene 1] gekocht. In de zomer van 2002 is klager door [betrokkene 1] benaderd omdat [betrokkene 1] de banden terug wilde hebben. Klager heeft [klager 2] verteld dat [betrokkene 1] £ 100.000,- voor de banden geboden had. Uiteindelijk zouden de banden weer voor £ 125.000,- verkocht worden aan [betrokkene 1].

Op 29 april 2003 is de vordering van de officier van justitie, om op grond van artikel 552p Sv de inbeslaggenomen banden aan haar ter beschikking te stellen ter overdracht aan de Britse autoriteiten, toegewezen.

Het openbaar ministerie heeft bij brief van 22 juli 2005 aan klager laten weten voornemens te zijn de inbeslaggenomen banden aan Apple Films Limited terug te geven.

Op 14 juli 2006 is in de zaak tegen [betrokkene 1] door de Engelse rechter vonnis gewezen waarbij de ondertoezichtstelling van [betrokkene 1] is bevolen voor de duur van twee jaar. In het vonnis is te lezen dat de jury heeft vastgesteld dat de banden gestolen waren en dat deze toebehoren aan Apple Films Limited. In het kader van die strafzaak zijn de banden op echtheid onderzocht door een aantal Britse deskundigen. Hun conclusie luidt dat de banden authentiek zijn. De zaak tegen [betrokkene 2] is op 17 juli 2006 afgedaan, waarbij hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk.

De zaken tegen [klager 2] en klager zijn op 6 januari 2007 geseponeerd waarbij als reden is opgegeven dat de benadeelden voldoende schadeloos zijn gesteld.

Standpunten

De raadsman van de belanghebbende heeft onder meer het volgende aangevoerd. Apple Films Limited is belanghebbende in deze procedure nu de geluidsbanden eigendom zijn van Apple Films Limited en omdat de officier van justitie krachtens artikel 116, derde lid, Sv zijn voornemen tot teruggave van de banden aan haar te kennen heeft gegeven. Klager dient niet ontvankelijk te worden verklaard nu de banden niet bij hem zijn inbeslaggenomen en hij geen eigendomsrechtelijke aanspraak kan maken en heeft gemaakt ten aanzien van de banden. Voorts dient klager niet ontvankelijk te worden verklaard nu hij afstand heeft gedaan van de banden. Er is geen strafvorderlijk belang meer dat zich tegen teruggave zou kunnen verzetten. Klager heeft verklaard dat de banden door Silverlux Music S.à.r.l. zijn aangeschaft en Silverlux Music S.à.r.l. heeft zich niet op de goede trouw beroepen. Apple Films Limited betwist de goede trouw van klager. Zo hebben klager en [klager 2] geen duidelijkheid gegeven over de wijze, datum en doel van verkrijging. Klager heeft zelfs geweigerd antwoord te geven op bepaalde vragen omtrent de wijze van verkrijging. Tevens hebben klager en [klager 2] geen inzicht gegeven in de handelingen die zij met de banden hebben verricht. De levering aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in 2003 heeft onder dubieuze omstandigheden plaatsgevonden. Voorts stond de hoogte van het aankoopbedrag in geen verhouding tot de waarde van de banden. De banden zouden in die periode een waarde van (ruim) £ 500.000,- moeten vertegenwoordigen. Er is sprake van een situatie waarin het maatschappelijk niet onverantwoord en redelijk is om de banden aan de belanghebbende terug te geven. De belanghebbende heeft een cultureel historisch en commercieel belang bij teruggave van de banden. De geluidsbanden zijn van belang voor het Britse muziek erfgoed en zijn onderdeel van de "The Beatles legacy".

Namens en door klager is onder meer het volgende aangevoerd. Het belang van strafvordering verzet zich niet meer tegen de teruggave van de inbeslaggenomen banden. Het bedrijf Silverlux Music S.à.r.l. bestaat niet meer. De banden zijn eigendom van klager en [klager 2]. De koop van de banden betrof een koop tussen natuurlijke personen. De zaak tegen klager is geseponeerd. Derhalve moet in rechte worden aangenomen dat klager zich niet aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dat klager de banden anders dan door misdrijf heeft verkregen en dat klager niet wist, dan wel had moeten vermoeden, dat het zou gaan om van misdrijf verkregen goederen. Het Engelse vonnis is niet in kracht van gewijsde gegaan. Klager betwist dat de banden zijn gestolen. Dat [betrokkene 1] de banden te koop heeft aangeboden, zoals door klager is verklaard, is geenszins ongewoon, waarbij wordt gewezen op hetgeen wordt opgemerkt in een catalogus van Sotheby's, een catalogus van Phillips en een publicatie in het tijdschrift Goldmine. Niet anders kan worden beslist dan dat de banden door klager te goeder trouw werden verkregen. Het is dan ook niet redelijk de banden te doen teruggeven aan een derde. Derhalve gaat de uitzondering van artikel 116 Sv niet op. De voorwerpen dienen, ingevolge de hoofdregel, te worden teruggegeven aan klager. Als al sprake zou zijn van diefstal, dient de belanghebbende Apple Films Limited niet ontvankelijk te worden verklaard nu zij de banden ingevolge artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), niet binnen drie jaar na de diefstal heeft opgeëist.

De officier van justitie heeft het volgende verklaard. Het strafvorderlijk belang verzet zich niet (langer) tegen opheffing van het beslag, doch de inbeslaggenomen banden dienen niet aan klager te worden teruggegeven. Apple Films Limited is de rechthebbende en het is redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord om de banden aan Apple Films Limited terug te geven. Klager is ontvankelijk nu de banden onder hem en [klager 2] in beslag zijn genomen. De sepotbeslissing is genomen in de veronderstelling dat klager zou instemmen met afgifte van de banden aan Apple Films Limited. Nu dat niet is gebeurd, is het openbaar ministerie aan het nadenken over de gevolgen daarvan. Apple Films Limited dient ontvankelijk te worden verklaard nu zij, vrij snel na het ontdekken van de diefstal van de banden, dit heeft gemeld. Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling

De rechtbank overweegt het volgende.

Klager is ontvankelijk in zijn beklag nu hij in raadkamer heeft gesteld belanghebbenderechthebbende, te weten eigenaar van de geluidsbanden, te zijn.

De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet (langer) verzet tegen opheffing van het beslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven.

Nu er sprake is van meer dan één belanghebbende, dient de rechtbank bij de beoordeling van de vraag aan wie de geluidsbanden dienen te worden teruggegeven zich te laten leiden door hetgeen op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is.

Gelet op de stukken in het dossier, waaronder voornoemd Engels vonnis van 14 juli 2006, gaat de rechtbank er in het kader van deze procedure van uit dat de inbeslaggenomen geluidsbanden afkomstig zijn van diefstal. Het enkele feit dat in een veilingcatalogus staat vermeldt dat de aanbieder stelt dat de goederen zijn verkregen middels schenking, vormt geen bewijs dat de goederen ook daadwerkelijk aan de aanbieder zijn geschonken.

De rechtbank overweegt dat klager de geluidsbanden niet heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte. Daarom wordt klager - gelet op het bepaalde in artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek - in beginsel niet beschermd tegen revindicatie door de oorspronkelijke eigenaar, dan wel degene die in zijn rechten is getreden.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet gezegd kan worden dat teruggave van de inbeslaggenomen geluidsbanden aan klager op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is.

Op grond hiervan kan dan ook geen teruggave aan klager volgen. Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."

2.3. In een geval als het onderhavige, dat er door wordt gekenmerkt dat de Officier van Justitie van oordeel is dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, dient de Rechtbank de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd (vgl. HR 25 september 2001, LJN AD5966, NJ 2002, 109 en HR 8 juli 2008, LJN BC6734). In zoverre heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd.

2.4. Voor de beoordeling van het middel is art. 3:86 BW van belang. Die bepaling luidt als volgt:

"1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.

2. (...)

3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:

a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of

b. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.

4. Op de in het vorige lid bedoelde termijn zijn de artikelen 316, 318 en 319 betreffende de stuiting van een rechtsvordering van overeenkomstige toepassing."

2.5. De geschiedenis van de totstandkoming van art. 3:86 BW houdt onder meer het volgende in:

"Het nieuwe derde lid is geformuleerd als een uitzondering op de voorafgaande leden. (...) In de tweede plaats volgt uit deze opzet dat na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn de voorafgaande leden hun volle werking hernemen, zodat iemand die intussen de zaak te goeder trouw en anders dan om niet verkreeg, van het tijdstip van het verstrijken van de termijn af volledig beschermd wordt en aldus, ook jegens de bestolene, met terugwerkende kracht tot het tijdstip van zijn verkrijging de eigendom verwerft." (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6) blz. 1223)

2.6. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de termijn van drie jaren als bedoeld in art. 3:86, derde lid, BW ten tijde van de beoordeling van het klaagschrift door de Rechtbank was verstreken. Gelet op de wetsgeschiedenis brengt dat mee dat het eerste lid zijn volle werking heeft hernomen zodat geen betekenis meer toekomt aan de in het derde lid als uitzondering geformuleerde regel. Dat betekent dat - gelet op art. 3:86, eerste lid, BW - voor de beantwoording van de vraag of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd, beslissend is of hij de desbetreffende geluidsbanden anders dan om niet en te goeder trouw heeft verkregen. Nu de Rechtbank daaromtrent onvoldoende heeft vastgesteld, is de bestreden beschikking niet naar behoren met redenen omkleed.

2.7. Voor zover het middel hierover klaagt, is het gegrond.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2009.