Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG2191

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
07/11283 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG2191
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklagzaak. Omvang art. 552 Sv. Begrip “zaak” in artt. 591 en 591a Sv. Rb heeft klager deels n-o verklaard, nu a) vermeerdering met wettelijke rente b) verlenen van akte van de aansprakelijkstelling en c) kosten raadsman buiten art. 552a Sv vallen. Ad a en b. Art. 552a Sv voorziet noch in de mogelijkheid om te doen vaststellen dat een recht bestaat op de uitkering van wettelijke rente noch in de mogelijkheid akte te vragen van een aansprakelijkstelling. V.w.b. het verzoek om vermeerdering van de terug te geven geldbedragen met wettelijke rente verdient nog opmerking dat de daaraan ten grondslag liggende opvatting dat i.c. op de Staat de plicht rust om de “wettelijke rente” te vergoeden geen steun vindt in art. 6:119 BW noch in enig andere wetsbepaling. O.g.v. art. 6:119 BW is voor vergoeding van (gefixeerde) wettelijke rente eerst plaats indien schadevergoeding verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Tevens verdient in dit verband opmerking van de Aanwijzing ontneming 2005 inhoudt dat de Staat sinds 01-01-1998 rente vergoedt over door het OM inbeslaggenomen geld volgens een percentage gelijk aan dat van de heffingsrente a.b.i. art. 30f.6 AWR. Ad c. Artt. 591.2 en 5 en 591a.2 en 4 Sv voorzien in de mogelijkheid van vergoeding van de kosten van een raadsman voor het indienen van een klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv. Een verzoek tot toekenning van een dergelijke vergoeding kan, gelet op het van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 591.2 Sv, worden ingediend “binnen drie maanden na het eindigen van de zaak”. Onder het eindigen van de zaak dient in dit verband te worden verstaan het onherroepelijk worden van de beslissing op het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift. Daarbij verdient nog opmerking dat in gevallen als i.c. o.g.v. het eveneens van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 591a.2 Sv in dit verband moet worden gedacht aan zaken die eindigen met een gegrondverklaring van het klaagschrift. Conclusie AG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 89
Wetboek van Strafvordering 94
Wetboek van Strafvordering 94a
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 591
Wetboek van Strafvordering 591a
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 99
RvdW 2009, 285
JOW 2010, 11
NJB 2009, 464
O&A 2009, 41
NBSTRAF 2009/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2009

Strafkamer

nr. S 07/11283

BLF/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 24 mei 2007, nummer RK 07/396, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de beschikking voor zover daarbij de teruggave aan de klager is gelast van een geldbedrag van ƒ 25.900,- en een geldbedrag van £ 16.920 - is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. P. Garretsen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde deze op het bestaande beklag wat betreft het verzoek tot betaling van de gekweekte rente opnieuw te berechten en af te doen en om op de voet van art. 591a Sv te beslissen op het verzoek tot vergoeding van de proceskosten.

2. De procesgang

2.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Op 23 maart 2001 zijn bij een doorzoeking van de woning van de klager op de voet van art. 94 Sv onder meer geldbedragen van fl. 25.900,- en £ 16.920 in beslag genomen. Het voortduren van dit beslag is nadien gegrond op art. 94a Sv. De strafvervolging in het kader waarvan de inbeslagneming plaatsvond, is geëindigd door het onherroepelijk worden van het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 9 november 2006, onder parketnummer 13/077039-01, waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging.

2.2. Op 22 januari 2007 is door de raadsman van de klager bij de Rechtbank te Amsterdam het klaagschrift ingediend waarop door de Rechtbank de beschikking is gegeven waartegen het onderhavige cassatieberoep zich richt. Op 29 januari 2007 zijn door de raadsman van de klager voorts verzoekschriften ingediend op de voet van de art. 89 en 591a Sv. Deze verzoekschriften zijn door de Rechtbank op dezelfde dag en in een gelijke samenstelling in openbare raadkamer behandeld als het op de voet van art. 552a Sv ingediende beklag.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel komt op tegen de beslissing van de Rechtbank voor zover de klager daarbij niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoeken tot (i) vermeerdering van de terug te geven geldbedragen met wettelijke rente vanaf de dag van de inbeslagneming, (ii) vergoeding van de kosten van de raadsman voor het indienen van het klaagschrift en (iii) het verlenen van akte van de aansprakelijkstelling van de Staat ter zake van de vordering die de klager op de Staat meent te hebben van € 52.781,88, bestaande uit de terug te ontvangen geldbedragen, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Standpunten

De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen aan klager. Het verzoek tot toekenning van wettelijke rente, het verzoek tot akte [vragend] van de aansprakelijkheidstelling en het verzoek tot veroordeling van de staat in de kosten wegens het indienen en behandelen van het klaagschrift, dienen te worden afgewezen, nu deze niet onder de reikwijdte van artikel 552a Sv vallen.

De raadsman van klager heeft aangevoerd dat de geldbedragen onder klager zijn inbeslaggenomen en aan hem dienen te worden teruggegeven. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie niet gehandeld heeft conform het bepaalde in artikel 116 Sv, ondanks zijn toezegging ter terechtzitting van 9 november 2006 tot teruggave over te zullen gaan.

Beoordeling

De rechtbank overweegt het volgende.

Nu de officier van justitie zich niet verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen aan klager, dient het beklag gegrond te worden verklaard.

De rechtbank verklaart het meer of anders verzochte niet ontvankelijk daar dit buiten de reikwijdte van artikel 552a Sv valt."

3.3. Het middel faalt voor zover daarin wordt opgekomen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn verzoeken tot vermeerdering van de terug te geven geldbedragen met wettelijke rente en tot het verlenen van akte van de aansprakelijkstelling van de Staat. Art. 552a Sv voorziet noch in de mogelijkheid om te doen vaststellen dat een recht bestaat op de uitkering van wettelijke rente noch in de mogelijkheid akte te vragen van een aansprakelijkstelling, zodat de Rechtbank de klager in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Wat betreft het verzoek om vermeerdering van de terug te geven geldbedragen met wettelijke rente verdient nog opmerking dat de daaraan kennelijk ten grondslag liggende opvatting dat in een geval als het onderhavige op de Staat de plicht rust om de "wettelijke rente" te vergoeden, geen steun vindt in art. 6:119 BW noch in enige andere wetsbepaling. Op grond van art. 6:119 BW is voor vergoeding van (gefixeerde) wettelijke rente eerst plaats indien schadevergoeding verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom.

Tevens verdient in dit verband opmerking dat de Aanwijzing ontneming 2005 in § 4.4.2 inhoudt dat de Staat sinds 1 januari 1998 rente vergoedt over door het Openbaar Ministerie inbeslaggenomen geld volgens een percentage gelijk aan dat van de heffingsrente als bedoeld in art. 30f, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3.4. Voor zover het middel klaagt over de niet-ontvankelijk-verklaring van de klager in zijn verzoek tot veroordeling van de Staat in de kosten wegens de indiening en behandeling van het klaagschrift, geldt het volgende. De art. 591, tweede en vijfde lid, in verbinding met art. 591a, tweede en vierde lid, Sv voorzien in de mogelijkheid van vergoeding van de kosten van een raadsman voor het indienen van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv. Een verzoek tot toekenning van een dergelijke vergoeding kan, gelet op het van overeenkomstige toepassing verklaarde tweede lid van art. 591 Sv, worden ingediend "binnen drie maanden na het eindigen van de zaak". Onder het eindigen van de zaak dient in dit verband te worden verstaan het onherroepelijk worden van de beslissing op het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift.

De klacht faalt derhalve. Daarbij verdient nog opmerking dat in gevallen als de onderhavige op grond van het eveneens van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 591a, tweede lid, Sv in dit verband moet worden gedacht aan zaken die eindigen met een gegrondverklaring van het klaagschrift.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2009.