Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG1874

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
09-01-2009
Zaaknummer
C07/177HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG1874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ruilverkaveling; bezwaren tegen lijst der geldelijke regelingen; verrekening waardevermindering van eerder toegedeelde gronden die grenzen aan natuurgebied en grondwaterbeschermingsgebied.

Wetsverwijzingen
Landinrichtingswet 178
Landinrichtingswet 182
Landinrichtingswet 213
Landinrichtingswet 212
Landinrichtingswet 214
Landinrichtingswet 217
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 42
RvdW 2009, 174
NJB 2009, 191
Module Pacht en landelijk gebied 2009/90
JWB 2009/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 2009

Eerste Kamer

Nr. C07/177HR

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING "MARSHOEK-HOONHORST",

zetelende te Zwolle,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Landinrichtingscommissie.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft als reclamant in de ruilverkaveling "Marshoek-Hoonhorst" bij brief van 13 december 2005 vijf bezwaren tegen de lijst der geldelijke regelingen ingediend. De bezwaren zijn op 22 februari en 26 juni 2006 behandeld door de Landinrichtingscommissie. Die behandeling heeft ten aanzien van het eerste en het vijfde bezwaar niet tot overeenstemming tussen partijen geleid. Ook de rechter-commissaris, die deze bezwaren heeft behandeld op 18 september 2006, heeft ten aanzien daarvan geen overeenstemming tussen partijen kunnen bewerkstelligen, waarna hij partijen heeft verwezen naar de zitting van de Rechtbank Zwolle-Lelystad.

De rechtbank heeft bij vonnis van 18 april 2007 de bezwaren ongegrond verklaard.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Landinrichtingscommissie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Landinrichtingscommissie mede door R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, met verwijzing naar het hof van het ressort.

De advocaat van de Landinrichtingscommissie heeft bij brief van 6 november 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Middel I betreft het bezwaar van [eiser] dat bij de tweede schatting ten onrechte de waardevermindering van zijn bedrijf als gevolg van de komst van Vitens in het blok buiten beschouwing is gelaten. [Eiser] heeft ter toelichting van dat bezwaar, onder meer, betoogd dat hij schade lijdt als gevolg van het waterwingebied van Vitens en het grondwaterbeschermingsgebied. De toedeling ligt geheel in het grondwaterbeschermingsgebied en grenst bovendien over een lengte van een kilometer aan natuurgebied, waardoor de exploitatie van de grond wordt belemmerd. De hierdoor veroorzaakte minderwaarde van de aan hem toegedeelde gronden wil [eiser] bij de lijst der geldelijke regelingen vergoed zien. De rechtbank heeft dit betoog verworpen op grond van haar oordeel dat de gestelde waardevermindering, wat daarvan zij, niet is veroorzaakt door de ruilverkaveling. De beslissing tot aanwijzing van het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied is genomen door het provinciebestuur buiten het landinrichtingsplan om. Dat de Landinrichtingscommissie haar medewerking heeft verleend aan de uitvoering van die beslissing door middel van de toedeling aan Vitens in het aangewezen waterwingebied, leidt niet tot een ander oordeel. Er mag immers van worden uitgegaan dat de realisering van het waterwingebied zonder ruilverkaveling ook was doorgegaan, aldus de rechtbank.

3.2 Dit oordeel is in zoverre juist, dat met de gestelde waardevermindering inderdaad geen rekening behoeft te worden gehouden voor zover aan [eiser] gronden zijn toegedeeld ter vervanging van door hem ingebrachte gronden die eveneens in het - naar de Hoge Raad begrijpt op het tijdstip van de terinzagelegging van het plan van toedeling reeds vastgestelde of voorzienbare - grondwaterbeschermingsgebied lagen onderscheidenlijk die aan het door [eiser] bedoelde natuurgebied grensden. In zoverre zou [eiser] de gestelde schade wegens waardevermindering van zijn gronden immers ook zonder ruilverkaveling hebben geleden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank is echter onjuist, en in zoverre slaagt de rechtsklacht van het middel, voor zover het gaat om waardevermindering die daaraan valt toe te schrijven dat aan [eiser] ter vervanging van door hem ingebrachte gronden die buiten het grondwaterbeschermingsgebied liggen, gronden zijn toegedeeld die binnen dat gebied liggen, en daaraan dat [eiser] als gevolg van de ruilverkaveling meer grond heeft gekregen die aan het door hem bedoelde natuurgebied grenst. Indien die waardeverminderingen zich inderdaad voordoen zijn dat nadelen voor [eiser] die wel degelijk door de ruilverkaveling zijn veroorzaakt. Daaraan behoort bij de tweede schatting niet te worden voorbijgegaan en de lijst van geldelijke regelingen behoort te voorzien in een verrekening daarvan. De door de rechtbank vermelde omstandigheid dat de beslissing tot aanwijzing van het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied is genomen door het provinciebestuur buiten het landinrichtingsplan om maakt dit niet anders.

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

3.4 Middel II kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten van dat middel niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 april 2007;

verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Landinrichtingscommissie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,50 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, C.A Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 januari 2009.