Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG1648

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
07/10893
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG1648
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Dubbele vervolging? Verdachte is veroordeeld voor de voorbereiding van een roofoverval op een woning in Duitsland. Terwijl verdachte en 3 mededaders op weg waren naar de woning zijn zij gecontroleerd door de Duitse politie, waarna ze van de voorgenomen overval hebben afgezien. Ongeveer 2 weken later is de overval alsnog uitgevoerd door verdachte en 2 van de drie eerdere mededaders. Verdachte is in Duitsland vervolgd en veroordeeld voor die overval. Het Hof heeft met zijn oordeel dat de voorbereidingshandelingen een ander feit is dan het voltooide delict, tot uitdrukking gebracht dat het onder 1 tlg. feit niet kan worden aangemerkt als strekkende ter voorbereiding van de 2 weken later gepleegde overval. Dat oordeel is in het licht van de gang van zaken i.c. onjuist, noch onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft het Hof het verweer dat sprake zou zijn van een “dubbele vervolging” terecht verworpen. Op ’s Hofs oordeel stuit ook af het betoog dat – gelet op het Duitse vonnis – de voortzetting van de strafvervolging in NL in strijd is met art. 54 SUO. Conclusie AG: deels anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 346 met annotatie van A.H. Klip
RvdW 2009, 311
NJB 2009, 514
VA 2010/8 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2009

Strafkamer

nr. 07/10893

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 juli 2007, nummer 23/002281-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Achterhoek, locatie Ooyerhoek" te Zutphen.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. M.J.C. Zuurbier, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

2.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens "dubbele strafvervolging" ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. Het tweede middel behelst de klacht dat, gelet op het overgelegde Duitse vonnis van 7 februari 2008, de verdere vervolging van de verdachte "thans in strijd is met artikel 54 van de Schengen Uitvoerings Overeenkomst" (hierna: SUO). De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.2. Aan de verdachte is onder 1 - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd het op 13 juli 2005 in Nederland ter voorbereiding van een woningoverval te Leer (BRD) tezamen en in vereniging opzettelijk voorhanden hebben van kennelijk tot het begaan van dat misdrijf bestemde bivakmutsen/maskers, tape, boren, schroevendraaiers en tangen alsmede een auto voorzien van niet-bijbehorende kentekenplaten, in welke auto eerdergenoemde voorwerpen lagen en de verdachte en zijn mededaders reden.

2.3. Deze zaak wordt gekenmerkt door het volgende. De vervolging ter zake van feit 1 betreft - kort gezegd - de voorbereiding van een roofoverval op een woning in Duitsland op 13 juli 2005. Terwijl de verdachte en zijn mededaders in een auto naar die woning op weg waren, zijn zij in Duitsland door de politie gecontroleerd, waarna ze van de voorgenomen overval hebben afgezien.

In de nacht van 29 op 30 juli 2005 is de overval alsnog uitgevoerd. Voor die overval is de verdachte in Duitsland vervolgd en inmiddels bij vonnis van 7 februari 2008 veroordeeld.

2.4. Art. 54 SUO (Trb. 1990, 145) luidt:

"Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een Overeenkomstsluitende Partij is berecht, kan door een andere Overeenkomstsluitende Partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende Overeenkomstsluitende Partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden."

2.5. Het Hof heeft het in het eerste middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1

De raadsvrouwe van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd - zakelijk weergegeven -:

Het openbaar ministerie heeft cliënt onder 1 tenlastegelegd de voorbereidingshandelingen op 13 juli 2005 tot het plegen van een overval op een woning te Leer in Duitsland. Voor het voltooide delict, dat heeft plaatsgevonden in de nacht van 29 op 30 juli 2005 te Leer in Duitsland, is de overlevering aan Duitsland door de Nederlandse rechter toegestaan. Cliënt zal voor die overval in Duitsland vervolgd worden. Er wordt dus vanuit gegaan dat het voltooide delict heeft plaatsgevonden. De voorbereidingshandelingen zijn in feite opgegaan in het voltooide delict. Door de voorbereidingshandelingen hier ter zitting te berechten en het voltooide delict op een later tijdstip in Duitsland wordt cliënt onderworpen aan een dubbele strafvervolging met een reële kans op dubbele bestraffing. Gelet hierop ben ik van mening dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer. Ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat het onder 1 tenlastegelegde op hetzelfde wilsbesluit berust als de voltooide woningoverval die in de nacht van 29 op 30 juli 2005 in Duitsland heeft plaatsgevonden en waarvoor de overlevering van verdachte aan Duitsland door de Nederlandse rechter is toegestaan. De overval in Duitsland betreft derhalve een ander strafbaar feit, zodat niet kan worden gezegd dat de voorbereidingshandeling van 13 juli 2005 - die toen niet tot de geplande overval hebben geleid - opgaan in het voltooide feit ruim veertien dagen later in Duitsland. Anders dan de raadsvrouw betoogt kon het openbaar ministerie derhalve beslissen tot vervolging van de onder 1 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen."

2.6. Het Hof heeft geoordeeld dat de voorbereidingshandeling van 13 juli 2005 een ander feit is dan het voltooide delict. Daarmee heeft het tot uitdrukking gebracht dat het onder 1 tenlastegelegde feit niet kan worden aangemerkt als strekkende ter voorbereiding van de in de nacht van 29 op 30 juli 2005 gepleegde overval. Dat oordeel geeft in het licht van de hiervoor onder 2.3 geschetste gang van zaken geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarvan uitgaande heeft het Hof het verweer dat sprake zou zijn van "dubbele vervolging" terecht verworpen.

Op 's Hofs oordeel stuit ook af het betoog dat - gelet op het overgelegde, ten aanzien van het voltooide delict gewezen Duitse vonnis - de voortzetting van de strafvervolging in Nederland in strijd is met art. 54 SUO.

2.7. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het zesde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 7 ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezenverklaard dat:

"hij op 1 juli 2005 te Buitenpost, gemeente Achtkarspelen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst rijbewijs, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij dit rijbewijs op naam van [betrokkene 1] aan personeel van [A] B.V. heeft overgelegd, teneinde een auto mee te kunnen nemen voor een proefrit en bestaande die vervalsing hierin dat in dit rijbewijs een foto van hem, verdachte, was aangebracht, terwijl het rijbewijs op naam stond van een ander, te weten [betrokkene 1];

en dat

hij op 1 juli 2005 te Buitenpost, gemeente Achtkarspelen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een listige kunstgreep, personeel van [A] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van een auto van het merk Volkswagen, type Polo met kenteken [AA-00-BB], immers heeft verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid verzocht een proefrit met voornoemde auto te mogen maken en daartoe een rijbewijs, dat niet op zijn naam stond, overhandigd, waardoor personeel van [A] B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Ik ben werkzaam bij [A] gevestigd te [vestigingsplaats].

[A] is eigenaar van een grijze Volkswagen, type Polo. Deze auto heeft normaliter het kenteken [AA-00-BB], maar omdat er vandaag, 1 juli 2005, een potentiële koper een proefrit met genoemde auto wilde maken zijn er groene handelskentekenplaten op de auto gezet: [CC-00-DD].

Vandaag omstreeks 15.30 uur kwam er een onbekende man bij onze zaak die een proefrit wilde maken. Hij zou een proefrit maken van een halfuur en dan weer bij ons terugkomen. De verkoper maakte een kopie van zijn rijbewijs. Na een halfuur kwam de man niet terug. Wij hebben in ons systeem aan de hand van het rijbewijsnummer nagekeken of we erachter konden komen waar deze man vandaan kwam. Het systeem gaf echter aan dat het een ongeldig document betreft."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 7 februari 2005 te Lelystad deed [betrokkene 1] aangifte van diefstal van zijn rijbewijs.

Op 12 juli 2005 te Rotterdam legitimeerde een manspersoon zich bij een autobedrijf als [betrokkene 1] met gebruikmaking van diens rijbewijs. Deze man wilde een proefrit maken met een Jaguar waarop [betrokkene 3], verkoper van dat autobedrijf een fotokopie van dat rijbewijs maakte en dit in zijn administratie bewaarde. Uit nader onderzoek van de fotokopie bleek dat de foto van dat rijbewijs niet langer die van eigenaar [betrokkene 1] betrof maar die van de klant van het autobedrijf. [Betrokkene 3] heeft later tijdens de fotoconfrontatie verklaard dat de man die hij bij de fotoconfrontatie selecteerde dezelfde persoon betrof die zich op 12 juli 2005 als klant legitimeerde als [betrokkene 1]. Het betreft hier de mij ambtshalve bekende: [Verdachte], geboren [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] en verblijvende [a-straat 1] te [plaats]."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Ik hoorde de man vragen wat de auto moest kosten zonder inruil. Vervolgens heb ik met [betrokkene 5] overlegd over de prijs en heb ik die prijs aan die man doorgegeven. Toen hoorde ik hem vragen of hij een proefrit met genoemde auto kon maken. Vervolgens heb ik een kopie van zijn rijbewijs gemaakt. De man op de foto van het rijbewijs is honderd procent zeker de man die op vrijdag 1 juli 2005 genoemde auto voor een proefrit heeft meegenomen en niet meer heeft teruggebracht."

3.4. Aangezien de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover deze inhoudt dat het de verdachte is geweest die op 1 juli 2005 het op naam van [betrokkene 1] gestelde rijbewijs aan personeel van [A] B.V. heeft overgelegd, teneinde een auto mee te kunnen nemen voor een proefrit, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.5. Het middel slaagt.

4. Beoordeling van het zevende middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 8 ontoereikend is gemotiveerd.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 8 bewezenverklaard dat:

"hij op 24 juni 2005 te Dronten, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst rijbewijs, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij dit rijbewijs, op naam van [betrokkene 1], aan personeel van autobedrijf [B] heeft overgelegd, teneinde een auto mee te kunnen nemen voor een proefrit en bestaande die vervalsing hierin dat in dit rijbewijs een foto van hem, verdachte, was aangebracht, terwijl het rijbewijs op naam stond van een ander, te weten [betrokkene 1];

en dat

hij op 24 juni 2005 te Dronten met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een listige kunstgreep, personeel van [B] heeft bewogen tot de afgifte van een auto van het merk Renault, type Laguna met kenteken [EE-00-FF], immers heeft verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid verzocht een proefrit met voornoemde auto te mogen maken en daartoe een rijbewijs, dat niet op zijn naam stond, overhandigd, waardoor personeel van [B] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

4.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Op 24 juni 2005 was ik als verkoopmedewerker aanwezig in het pand van autobedrijf [B] gevestigd te [vestigingsplaats]. Omstreeks 16.10 uur zag ik een manspersoon de showroom binnenkomen. Hij vertelde mij dat hij op zoek was naar een Renault Laguna met weinig kilometers. Ik vertelde hem dat wij zo'n auto inderdaad hadden staan. Het betreft een personenauto van het merk Renault, type Laguna. Deze auto is voorzien van het kenteken [EE-00-FF]. De man vroeg of hij even met de auto kon proefrijden. De man vertelde mij dat hij zijn rijbewijs bij zich had. Omstreeks 16.40 uur is de man weggereden met de auto. Op het proefritformulier staat dat we de afspraak gemaakt hadden dat hij de auto om 17.15 uur weer terug zou brengen. Dat heeft hij tot op heden niet gedaan."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 7 februari 2005 te Lelystad deed [betrokkene 1] aangifte van diefstal van zijn rijbewijs.

Op 12 juli 2005 te Rotterdam legitimeerde een manspersoon zich bij een autobedrijf als [betrokkene 1] met gebruikmaking van diens rijbewijs. Deze man wilde een proefrit maken met een Jaguar waarop [betrokkene 3], verkoper van dat autobedrijf een fotokopie van dat rijbewijs maakte en dit in zijn administratie bewaarde. Uit nader onderzoek van de fotokopie bleek dat de foto van dat rijbewijs niet langer die van eigenaar [betrokkene 1] betrof maar die van de klant van het autobedrijf. [Betrokkene 3] heeft later tijdens de fotoconfrontatie verklaard dat de man die hij bij de fotoconfrontatie selecteerde dezelfde persoon betrof die zich op 12 juli 2005 als klant legitimeerde als [betrokkene 1]. Het betreft hier de mij ambtshalve bekende: [Verdachte], geboren [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] en verblijvende [a-straat 1] te [plaats]."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 26 oktober 2005 heb ik naar aanleiding van een diefstal van een auto gepleegd op 24 juni 2005 te Dronten een confrontatie gehouden, waarbij de getuige werd geconfronteerd met 11 foto's van personen, waaronder een foto van de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]. Het betrof de getuige [getuige 1]. In een eerder verhoor had deze getuige een signalement gegeven van degene die hij als betrokkene bij het misdrijf had gezien.

De foto van de verdachte en enkele foto's van de figuranten verwisselde ik op willekeurige plaatsen op het fototoonbord. De foto van verdachte kwam daarbij op nr. 9. Vervolgens werd de fotoselectie getoond aan de getuige [getuige 1].

Deze verklaarde: "Ik denk hem wel te hebben herkend. Nummer 9"."

4.4. Aangezien de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover deze inhoudt dat de verdachte op 24 juni 2005 een op naam van [betrokkene 1] gesteld rijbewijs aan personeel van autobedrijf [B] heeft overgelegd, teneinde een auto mee te kunnen nemen voor een proefrit, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.5. Het middel slaagt.

5. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 7 en 8 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, de vice-president A.J.A. van Dorst en de raadsheer J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 10 februari 2009.