Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BF1321

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
08/00459 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BF1321
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Enschedese ontuchtzaak. Herziening. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 456
NJB 2009, 819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 maart 2009

Strafkamer

nr. 08/00459 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 februari 2002, nummer 21/000777-01, ingediend door mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, ten tijde van de aanvrage gedetineerd in het forensisch psychiatrisch centrum "Oldenkotte" te Rekken.

1. Het verloop van de zaak

1.1. De Rechtbank te Almelo heeft de aanvrager bij vonnis van 5 april 2001 (LJN AB0887) ter zake van zes zedendelicten veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf en heeft daarbij gelast dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Dat vonnis is vernietigd door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 20 februari 2002 (LJN AD9410). Het Hof veroordeelde hem ter zake van zeven zedendelicten, begaan in de periode van 1 april 1996 tot 18 mei 1999 in de gemeente Enschede, tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en heeft daarbij tevens gelast dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

De bewezenverklaring en de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen zijn weergegeven in de hierna sub 2.3 te noemen conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 en 6.

Tegen deze uitspraak van het Hof is beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 30 september 2003 (LJN AI0010) heeft de Hoge Raad in verband met een overschrijding van de redelijke termijn de bestreden uitspraak vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft de gevangenisstraf verminderd in die zin dat deze zeven jaren en zeven maanden beloopt. Het beroep is voor het overige verworpen.

1.2. Naar aanleiding van het strafproces tegen de aanvrager heeft prof. dr. H.F.M. Crombag zich, door tussenkomst van de voorzitter van het College van procureurs-generaal, tot de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (hierna: CEAS) gewend met het verzoek tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in art. 2 van het Instellingsbesluit CEAS (hierna: Instellingsbesluit) in de zaak tegen de aanvrager. De Toegangscommissie van de CEAS heeft een onderzoek noodzakelijk geacht. Het College van procureurs-generaal heeft een driemanschap aangewezen, dat is belast met het in art. 2 Instellingsbesluit genoemde onderzoek. In zijn rapport adviseerde het driemanschap het College van procureurs-generaal nader onderzoek te (laten) instellen.

Op 17 december 2007 heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad naar aanleiding van het rapport van het driemanschap het verzoek ontvangen van het College van procureurs-generaal te beoordelen of in dat rapport aanleiding kan worden gezien tot het indienen van een vordering tot herziening als bedoeld in art. 458, eerste lid, Sv of het doen van nader onderzoek. Op de hierna onder 2.2 te noemen terechtzitting van de Hoge Raad heeft de Advocaat-Generaal Schipper medegedeeld dat het verzoek niet is ingewilligd.

2. Herzieningsprocedure

2.1. Op 1 februari 2008 is bij de Hoge Raad ingekomen een door de raadsman van de aanvrager ingediend verzoekschrift, houdende een aanvrage tot herziening van genoemd arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 februari 2002. Aan de aanvrage zijn vijf producties gehecht. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv (hierna aan te duiden als 'novum').

2.2. Ter terechtzitting van de Hoge Raad van 22 april 2008 heeft de raadsman de aanvrage mondeling toegelicht.

Nadien zijn bij de Hoge Raad ingekomen:

- een brief van de raadsman 12 juni 2008 met als productie een nader rapport van prof. dr. H.F.M. Crombag en N. Smeets;

- een brief van de raadsman van 22 augustus 2008 (met een productie);

- een brief van de raadsman van 15 september 2008 (met een productie).

2.3. De Advocaat-Generaal Schipper heeft ter terechtzitting van de Hoge Raad van 23 september 2008 geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening ongegrond zal verklaren.

Na die terechtzitting zijn bij de Hoge Raad nog ingekomen:

- een "schriftelijke reactie" van 7 oktober 2008 van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal;

- een brief van de raadsman van 10 oktober 2008.

3. Beoordeling van de status van het CEAS-rapport

3.1. In hoofdstuk II van de aanvrage wordt aangevoerd dat het CEAS-rapport in de onderhavige zaak als zodanig een novum oplevert. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat het CEAS-rapport heeft te gelden als een nieuw deskundigenrapport, en (ii) dat de CEAS onderdeel is van het openbaar ministerie zodat het oordeel van de CEAS, kort gezegd inhoudende dat de feitelijke basis van de veroordelende uitspraak fragiel is en dat de informatie die door het onderzoek van het driemanschap is toegevoegd die basis nog fragieler maakt, mitsdien aan het openbaar ministerie moet worden toegerekend.

3.2. De CEAS is ingesteld door het College van procureurs-generaal bij besluit van 11 april 2006 (Stcrt. 13 april 2006, nr. 74). Niet alle leden van de CEAS behoren tot het openbaar ministerie. De CEAS heeft tot doel door middel van onderzoek na te gaan of zich in een specifieke strafzaak in de opsporing, vervolging en/of de presentatie van het bewijs ter terechtzitting ernstige manco's hebben voorgedaan die een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan. De rol van de rechter moet hierbij buiten beschouwing blijven (art. 2 van het Instellingsbesluit).

De CEAS rapporteert haar bevindingen aan het College van procureurs-generaal en geeft hierbij advies over eventuele vervolgstappen (art. 5 van het Instellingsbesluit). Dat kan zijn het advies een nieuw opsporingsonderzoek te (doen) starten wanneer er tijdens het opsporingsonderzoek aantoonbaar fouten zijn gemaakt die een evenwichtige beoordeling van de zaak door de rechter hebben belemmerd. Het kan ook zijn het advies een herzieningsprocedure te entameren via de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (vgl. Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI, nr. 131, p. 3).

De CEAS kan niet zelf een herzieningsverzoek indienen of een zaak heropenen. Dat is voorbehouden aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en de veroordeelde of zijn raadsman (vgl. art. 458, eerste lid, Sv) respectievelijk de Hoge Raad (art. 467, eerste lid, Sv). De Hoge Raad kan een zaak heropenen als kort gezegd sprake is van een omstandigheid van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstig vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot hetzij vrijspraak van de aanvrager, hetzij ontslag van rechtsvervolging, hetzij niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.3. Gelet op het voorgaande kan een rapport van de CEAS als zodanig niet een novum opleveren. De aan de aanvrage ten grondslag liggende opvatting is in strijd met de hiervoor geschetste, in de wet opgenomen bevoegdheidsverdeling met betrekking tot de herziening. Daarbij kan nog worden aangetekend dat de omstandigheid dat de CEAS door het College van procureurs-generaal is ingesteld en daaraan rapporteert, niet zonder meer leidt tot de conclusie dat de CEAS kan worden aangemerkt als een onderdeel van het openbaar ministerie. Daarbij zij ook nog opgemerkt dat, anders dan de raadsman meent, uit het door de aanvrager als productie 3 bij de aanvrage gevoegde persbericht van 18 december 2007 van het College van procureurs-generaal niet valt op te maken dat dat College de bevindingen van de CEAS integraal heeft overgenomen. Het persbericht houdt slechts in dat het College van procureurs-generaal het rapport van het driemanschap heeft ontvangen en dit aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft gezonden, met het verzoek te bezien of hij in het rapport aanleiding ziet voor een door hem bij de Hoge Raad in te dienen vordering tot herziening dan wel of hij in dit verband nog nader onderzoek gewenst acht.

Het voorgaande sluit overigens niet uit dat een CEAS-rapport nova in de zin der wet kan bevatten.

3.4.1. In de onderhavige zaak heeft het driemanschap, in opdracht van het College van procureurs-generaal, nader onderzoek gedaan naar de vraag:

"Is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden, doordat de processen-verbaal van de verhoren van een aantal slachtoffers/getuigen geen deel uitmaakten van het procesdossier?"

Ter beantwoording van die vraag is het driemanschap nagegaan of alle in de beschikbare stukken voorkomende slachtoffers een plaats hebben gekregen in het dossier dat aan Rechtbank en Hof ter beschikking stond. Na analyse van het dossier en op grond van een aantal in het CEAS-rapport omschreven bevindingen is het driemanschap tot de conclusie gekomen dat alle opgemaakte processen-verbaal van verhoor van slachtoffers/getuigen deel uitmaakten van het procesdossier en dat na de terechtzitting geen verklaringen van slachtoffers en/of "andere kinderen" aan het dossier zijn toegevoegd. Naar de mening van het driemanschap kan derhalve worden geconcludeerd dat in dit opzicht geen informatie aan de rechter is onthouden.

Het driemanschap heeft besloten het onderzoek te verbreden naar de vraag of aan de rechter relevante informatie is onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden. Het driemanschap is van mening dat informatie buiten het dossier is gehouden die daaraan naar zijn mening wel had moeten worden toegevoegd, maar acht zich niet in staat op de verruimde onderzoeksvraag een stellig antwoord te geven. Volgens het driemanschap kan echter niet worden uitgesloten dat, indien men de optelsom maakt van de informatie die volgens hem niet of in onvoldoende mate aan de stukken is toegevoegd, de conclusie kan worden getrokken dat de rechter, als hij van die informatie had kennisgenomen, tot een andersluidend oordeel zou zijn gekomen.

In zijn advies aan het College van procureurs-generaal stelt het driemanschap voorop dat het al met al heeft vastgesteld dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden. Wel heeft het driemanschap op diverse punten bevonden dat aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken had moeten worden gevoegd. Deze bevindingen leiden volgens het driemanschap echter niet tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid. Het driemanschap voegt daar evenwel aan toe dat het zich er terdege van bewust is dat de feitelijke basis van de veroordelende uitspraak, gelet op de zware kritiek van alle betrokken deskundigen op de kwaliteit van de verhoren, fragiel is en dat de informatie die door het driemanschap is toegevoegd die basis nog fragieler maakt. Naar zijn eigen mening kan het driemanschap er niet omheen, alles overziende, 'de bange vraag onder ogen te zien of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan bewezenverklaarde feiten'.

Het driemanschap adviseert het College van procureurs-generaal daarom over te gaan tot nader onderzoek, 'zodat tenminste een poging wordt ondernomen de bestaande twijfel weg te nemen'. Dit heeft geleid tot het hiervoor onder 1.2 vermelde verzoek aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad.

3.4.2. De hiervoor onder 3.4.1 kort weergegeven inhoud van het CEAS-rapport kan niet het ernstig vermoeden wekken dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het bekend zou zijn geweest met de inhoud van het rapport. Bedoeld rapport houdt immers als - hiervoren reeds aangeduid - oordeel van de CEAS in:

"Al met al stelt het driemanschap vast dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden. Op diverse punten heeft het driemanschap bevonden dat aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken had moeten worden gevoegd. Deze bevinding leidt niet tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid."

4. Beoordeling van de eerste herzieningsgrond

4.1. De in de aanvrage onder 3.2.1 als herzieningsgrond gepresenteerde omstandigheid heeft betrekking op de resultaten van het CEAS-onderzoek naar mogelijke beïnvloeding van getuigen die voor de aanvrager belastende verklaringen hebben afgelegd. Hiertoe wordt verwezen naar § 3.4.2 van het rapport waarin de CEAS vaststelt dat (a) uit het aan het Hof voorgelegde dossier niet blijkt dat gericht rechercheonderzoek is gedaan naar eventuele beïnvloeding, (b) tussen de negen kinderen die in de tenlastelegging zijn vermeld, een viertal concrete relaties bestaat, waardoor de mate van beïnvloeding ter zake van de afgelegde verklaringen veel groter kan zijn geweest, en (c) niet is uit te sluiten dat onderlinge beïnvloeding van slachtoffers in dit onderzoek een grote rol heeft gespeeld.

4.2. De aard van het buitengewone rechtsmiddel van herziening brengt mee dat de aangevoerde grond voor herziening niet reeds bij een eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is immers geen sprake van een novum, maar van een omstandigheid die de rechter die de veroordeling uitsprak in zijn oordeel heeft kunnen betrekken.

4.3. De onder (a) genoemde omstandigheid levert geen nieuw feitelijk gegeven op. Het Hof heeft immers zelf uit het dossier kunnen opmaken dat geen gericht rechercheonderzoek is verricht naar eventuele beïnvloeding.

4.4.1. Voordat wordt ingegaan op de onder (b) genoemde omstandigheid, kan worden opgemerkt dat het rapport van de door de Rechter-Commissaris als deskundige benoemde psycholoog drs. H.J. Emmelkamp met betrekking tot voorafgaande beïnvloeding van de kinderen die in het kader van dit onderzoek in de studio zijn gehoord, het volgende inhoudt:

"Een complicerende factor bij dit onderzoek naar hetgeen de gehoorde kinderen in de "zaak [slachtoffer 1 en 2]" is overkomen, is dat deze kinderen achtereenvolgens gehoord zijn in een tijdsverloop van twee maanden. De kinderen komen allen min of meer uit dezelfde wijk als waar [slachtoffer 1 en 2] woonden. Dit is ook een van de selectiecriteria geweest bij het vaststellen van de onderzoeksgroep: kinderen die door [slachtoffer 1 en 2] zijn aangewezen als slachtoffer van hun handelen. (...) Onderlinge beïnvloeding van de kinderen voorafgaande aan deze verhoren is derhalve onvermijdelijk. Het is niet moeilijk om zich daarvan een voorstelling te maken. (rapportage pro justitia met betrekking tot [slachtoffer 3], p. 1)

(...)

In een eerdere passage heeft onderzoeker al een enkele opmerking gemaakt over de voorafgaande beïnvloeding van de kinderen die in het kader van dit onderzoek in de studio zijn verhoord. Die periode van beïnvloeding is al zo langdurig (ruim anderhalf jaar) en zo veelzijdig (buurt, school, gezin, de media enzovoort) dat de betrouwbaarheid van de verklaringen die nu alsnog zijn afgelegd wel erg te lijden hebben gehad (rapportage pro justitia met betrekking tot [slachtoffer 5], p. 5)."

Dit rapport bevond zich bij de stukken die aan het Hof zijn voorgelegd.

4.4.2. Wat betreft de onder (b) genoemde omstandigheid dat tussen de negen kinderen die in de tenlastelegging zijn vermeld, een viertal concrete relaties bestaat, waardoor de mate van beïnvloeding ter zake van de afgelegde verklaringen veel groter kan zijn geweest, wijst de aanvrage - met een beroep op het rapport van de CEAS (p. 15) - op de omstandigheid:

(i) dat [slachtoffer 1 en 2] slachtoffer zijn van seksueel misbruik door de aanvrager, zijn echtgenote en zijn zwager, en dat zij daarnaast andere kinderen, hetzij uit de buurt, hetzij van school voor dat doel mee naar huis hebben genomen;

(ii) dat [slachtoffer 3] (dossier C) en [slachtoffer 7] (dossier D) in een andere buurt woonden maar op dezelfde school voor moeilijk lerende kinderen zaten als waarop [slachtoffer 2] tot voor kort had gezeten;

(iii) dat [slachtoffer 4] - die in de wijk [...] woonde, de wijk waar de aanvrager en zijn vrouw van 1 november 1994 tot 13 november 1997 hebben gewoond - ook evengenoemde school bezocht;

(iv) dat [slachtoffer 5], [betrokkene 17] en een kleuter - gedoeld wordt op [slachtoffer 7] - in de wijk [...] woonden, de wijk waar de aanvrager en zijn vrouw van 13 november 1997 tot 1 januari 1999 hebben gewoond, alsmede dat [slachtoffer 6] voor wie hetzelfde geldt, ook de eerdergenoemde school bezocht.

4.4.3. Met het aldus aangevoerde was het Hof echter bekend, zodat een en ander geen novum oplevert. De Hoge Raad verwijst wat betreft de omstandigheid sub (i) naar 's Hofs strafmotivering, wat betreft de omstandigheid sub (ii) naar de daar aangeduide dossiers die zich bevinden bij de stukken die aan het Hof zijn voorgelegd, wat betreft de omstandigheid sub (iii) naar de zich in het dossier bevindende verklaring van de moeder van [slachtoffer 4] van 20 april 2000 (dossier E, p. 104a), en wat betreft de omstandigheid sub (iv) naar de bij de processtukken gevoegde processen-verbaal inzake de aangiften van de ouders van [slachtoffer 5] (dossier F, p. 32 e.v.), [betrokkene 17] (dossier G, p. 46 e.v.) onderscheidenlijk [slachtoffer 6] (dossier H, p. 19 e.v.) alsmede naar het proces-verbaal betreffende de start van het onderzoek van 21 september 1999 (dossier G, p. 38 e.v.).

4.4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat en waarom de onder (b) aangevoerde omstandigheid geen novum oplevert.

4.5.1. De onder (c) genoemde omstandigheid betreft de constatering van de CEAS dat

"naar aanleiding van deze bevindingen (...) niet is uit te sluiten dat onderlinge beïnvloeding van slachtoffers in dit opsporingsonderzoek een grote rol heeft gespeeld."

4.5.2. De vraag of getuigen beïnvloed zouden kunnen zijn, is tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde geweest. Het Hof heeft een door de verdediging aldaar gevoerd verweer met betrekking tot die eventuele beïnvloeding als volgt samengevat en verworpen:

"Namens verdachte is betoogd dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat:

(...)

c. de verklaringen afgelegd in deze strafzaken zijn beïnvloed door de publiciteit die de strafzaken "[van aanvrager]", zijnde de strafzaken tegen [slachtoffer 1 en 2], teweeg hebben gebracht, waardoor niet meer te achterhalen is wat getuigen uit eigen wetenschap hebben verklaard, terwijl deze publiciteit mede door het optreden van politie en justitie is veroorzaakt;

(...)

Het hof oordeelt over een en ander als volgt.

(...)

Ten aanzien van het onder c gevoerde verweer stelt het hof voorop dat in strafzaken als de onderhavige (een zedenzaak met een groot aantal (jonge) slachtoffers), niet is te voorkomen dat nadat de delicten in de openbaarheid zijn gekomen ten aanzien van slachtoffers en/of getuigen die naar aanleiding van publicaties over deze strafzaak aangifte doen of een verklaring afleggen, de mogelijkheid van beïnvloeding door deze publiciteit bestaat.

Voorts hebben politie en justitie zowel bij het onderzoek in "[aanvrager]", de strafzaken tegen [slachtoffer 1 en 2], als bij het onderzoek in de zaken tegen verdachte en zijn medeverdachten, naast het opsporingsonderzoek, onder meer door samenwerking met hulpverleners en door voorlichting op scholen, ook aandacht besteed aan de ernstige gevolgen die seksueel misbruik kan hebben voor de slachtoffers van dit misbruik.

Het hof erkent dat bij deze werkwijze een belangenafweging is gemaakt tussen enerzijds het belang dat de verdachten hebben bij het achterwege blijven van beïnvloeding van mogelijke getuigen en/of slachtoffers en anderzijds de belangen die de kwetsbare, jeugdige slachtoffers en hun ouders hebben bij tijdige hulpverlening. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat als gevolg van voormelde belangenafweging sprake is geweest van een onaanvaardbare relevante beïnvloeding van verklaringen van getuigen en slachtoffers."

4.5.3. Ook de onder (c) genoemde omstandigheid vormt dus een omstandigheid die reeds bekend was bij de behandeling van de zaak door het Hof.

4.6. In de aanvrage worden in dit kader nog twee als nova te beschouwen omstandigheden genoemd, te weten (i) zich niet in het dossier bevindende politiejournaals, waartoe de CEAS toegang heeft gekregen, inhoudende dat oud-buren van de aanvrager aan de [b-straat] op 22 juni 1999 tegenover de politie hebben verklaard dat [betrokkene 27], een buurtbewoner uit de tijd dat de aanvrager en zijn gezin aan de [b-straat] te Enschede woonde, naar de nieuwe buren van de aanvrager aan de [c-straat] is gegaan om het gedrag van [slachtoffer 1 en 2] bekend te maken, en (ii) een onlangs aan de raadsman verstrekte verklaring van een getuige waarvan de CEAS in haar rapport stelt dat

"als dit klopt, (...) het minder onwaarschijnlijk [wordt] dat informatie uit de nieuwe woonomgeving van vader en moeder is overgedragen naar hun oude woonomgeving".

4.7. Gelet op de daaromtrent door de aanvrager zelf afgelegde verklaringen alsmede de getuigenverklaringen van de ouders van [slachtoffer 5] ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 september 2000 inzake de mededelingen en waarschuwingen van [betrokkene 27] inzake het "knoeien met kinderen", welke verklaringen zich bevinden in het dossier dat aan het Hof is voorgelegd, is wat betreft de stelling sub (i) geen sprake van een nieuwe omstandigheid in de zin van art. 457 Sv.

De onder (ii) bedoelde verklaring levert evenmin een novum op. Deze verklaring, afgelegd door [betrokkene 28] en als productie 4 gevoegd bij de aanvrage, heeft betrekking op [betrokkene 29]. Zij houdt geen verband met de eventuele beïnvloeding van informatie die voor de bewezenverklaring relevant is.

5. Beoordeling van de tweede herzieningsgrond

5.1. In de aanvrage wordt onder 3.2.2 aangevoerd dat het nader onderzoek door de CEAS naar de verschillen tussen de verhoren van de slachtoffers en hetgeen uiteindelijk hiervan in de processen-verbaal van politie terecht is gekomen, een nieuw feitelijk gegeven oplevert. Volgens de raadsman is door het CEAS-rapport duidelijk geworden dat het Hof op dit punt van een onvolledige voorstelling van zaken is uitgegaan.

5.2. Het CEAS-rapport houdt in:

"§ 3.4.3 De transcripties van de op video-/geluidsband opgenomen verhoren

De heer Crombag en de psycholoog hebben in hun respectievelijke rapportages gewezen op een aantal opmerkelijke verschillen tussen hetgeen slachtoffers tijdens hun verhoor hebben gezegd en hetgeen daarover aan het papier is toevertrouwd.

Het driemanschap heeft deze significante verschillen eveneens waargenomen.

Hierbij plaatst het driemanschap nog de kanttekening dat in de verbatim uitwerkingen van de verhoren van [slachtoffer 2] d.d. 31 mei en 25 juni 1999 de meeste antwoorden van [slachtoffer 2] als 'onverstaanbaar' worden omschreven. Het driemanschap heeft daarentegen vastgesteld dat die antwoorden wel degelijk verstaanbaar zijn.

Het hof heeft hierover overwogen dat er verschillen bestaan tussen de weergave van verklaringen in processen-verbaal, de transcripties in de verbatim-verslagen en de bandopnamen van de verhoren, maar naar het oordeel van het hof zijn deze verschillen niet zodanig van omvang of aard dat de processen-verbaal die in deze strafzaak zijn opgemaakt daarom niet voor het bewijs zijn te gebruiken. Voorts is niet aannemelijk geworden dat politie of justitie doelbewust onjuistheden in de processen-verbaal hebben (doen) opnemen teneinde de rechter verkeerd in te lichten en/of bewijsmateriaal tegen de verdachten te "produceren".

De psycholoog merkt in een aantal van zijn rapportages over de door hem bekeken videoverhoren van jonge kinderen op, dat een rechter zich naar zijn mening uitsluitend een goed beeld van een verhoor kan vormen aan de hand van de daarvan gemaakte beelden en geluidsopnames. Het driemanschap sluit zich bij die opvatting aan. Ook het driemanschap heeft in dit onderzoek moeten vaststellen dat met het niet meekrijgen van non-verbaal gedrag en intonatie van de gegeven antwoorden veel voor de interpretatie van de verklaring van belang zijnde informatie verloren gaat.

Dat klemt temeer als de bewijsvoering in een strafzaak vrijwel uitsluitend berust op verklaringen van zeer jeugdige slachtoffers."

5.3. Blijkens het hiervoor onder 5.2 weergegevene heeft ook de CEAS de door prof. dr. H.F.M. Crombag en de psycholoog drs. H.J. Emmelkamp geconstateerde "opmerkelijke" verschillen waargenomen tussen hetgeen slachtoffers blijkens de daarvan gemaakte video- en/of geluidsopnamen tijdens hun verhoren hebben verklaard en hetgeen daarover in de daarvan opgemaakte processen-verbaal is weergegeven. Het rapport van de CEAS houdt in dat het driemanschap zich aansluit bij de opvatting van Emmelkamp dat een rechter zich uitsluitend een goed beeld van een verhoor kan vormen aan de hand van de daarvan gemaakte beelden en geluidsopnames. Ook het driemanschap heeft in zijn "onderzoek moeten vaststellen dat met het niet meekrijgen van non-verbaal gedrag en intonatie van de gegeven antwoorden veel voor de interpretatie van de verklaring van belang zijnde informatie verloren gaat".

5.4. De rapporten van Crombag en Emmelkamp maakten deel uit van het aan het Hof voorgelegde procesdossier. Voorts hebben Crombag en Emmelkamp in hun ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001 afgelegde verklaringen nogmaals gewezen op de verschillen die zij hebben vastgesteld. Anders dan de aanvrage meent, bevat het rapport van de CEAS mitsdien geen omstandigheid die het Hof niet bekend was.

5.5. Ook deze grond kan mitsdien niet tot herziening leiden.

6. Beoordeling van de derde herzieningsgrond

6.1. De in de aanvrage onder 3.2.3 voorgestelde herzieningsgrond betreft de rol van het openbaar ministerie. Volgens de aanvrager vormen de door de CEAS vastgestelde feiten, zoals neergelegd in § 3.4.4 van haar rapport, een nieuw feitelijk gegeven dat niet alleen een ander licht werpt op de bewezenverklaring van het Hof, maar tevens doorwerkt in de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van deze zaak.

6.2. § 3.4.4 van het CEAS-rapport houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Het driemanschap constateert dat de wijze waarop de zaaksofficier leiding heeft gegeven aan het opsporingsonderzoek ook het risico van te grote betrokkenheid en te weinig distantie met zich heeft meegebracht. Het driemanschap baseert deze constatering allereerst op de wijze waarop de zaaksofficier gedurende het onderzoek persoonlijk contact heeft gehad met de halfzus van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en in de tweede plaats op de wijze waarop de zaaksofficier is omgegaan met de kritiek die een tweetal op verzoek van het [A] team geraadpleegde CRI-deskundigen hebben geuit over het opsporingsonderzoek. In plaats van het gesprek aan te gaan met deze deskundigen is onder haar verantwoordelijkheid besloten hiervan af te zien."

6.3. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid waarop zij steunt met opgave van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken. De aanvrage bevat niet een opgave van bewijsmiddelen waaruit kan blijken dat de zaaksofficier gedurende het onderzoek persoonlijk contact heeft gehad met [betrokkene 4], de halfzuster van [slachtoffer 1 en 2].

6.4. Voorts kan de enkele omstandigheid dat de wijze waarop de zaaksofficier leiding zou hebben gegeven aan het opsporingsonderzoek, het risico meebracht van te grote betrokkenheid en te weinig distantie niet het ernstig vermoeden wekken dat het Hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard indien het daarmee bekend was geweest.

6.5. Deze grond kan mitsdien niet tot herziening leiden.

7. Beoordeling van de vierde herzieningsgrond

7.1. De in de aanvrage onder 3.2.4 genoemde herzieningsgrond betreft de vaststelling van de CEAS dat na de inlevering van het proces-verbaal in de onderhavige zaak op 11 april 2000 door het onderzoeksteam nog een aantal onderzoekshandelingen is verricht waarvan de resultaten niet bij het dossier zijn gevoegd. Het gaat hier in het bijzonder om opsporingshandelingen die zijn verricht met betrekking tot de halfzuster van [slachtoffer 1 en 2] en twee meisjes, leerlingen van de eerder genoemde school voor moeilijk lerende kinderen, die op 30 januari 2001 in een studio zijn gehoord. Volgens de aanvrage "kan niet ontkend worden dat het feit dat uit andere gerechtelijke vooronderzoeken die verband houden met de strafzaak tegen de aanvrager, geen belastend materiaal is voortgekomen dat het vermoeden van seksueel misbruik van de kinderen ondersteunt, een ander licht op de door het Openbaar Ministerie neergelegde bewijsconstructie zou hebben geworpen en het Hof tot een ander oordeel zou hebben gebracht". Tijdens de mondelinge toelichting van de aanvrage heeft de raadsman daaraan toegevoegd dat de omstandigheid dat deze stukken geen deel uitmaakten van het dossier, betekent dat de aanvrager in hoger beroep geen eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM heeft gehad. Ook dit levert volgens de raadsman een novum op omdat, indien het Hof bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat ontlastend materiaal aan het strafdossier is onthouden, het Hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging.

7.2. Het CEAS-rapport houdt het volgende in:

"§ 3.4.5 Onderzoeksactiviteiten na overdracht van het proces-verbaal aan het Openbaar Ministerie (11 april 2000)

Na inlevering van het proces-verbaal heeft het [A]-team nog een aantal onderzoekshandelingen verricht, in het bijzonder met betrekking tot het subdossier "spuiten en prikken", waarin het mogelijk gebruik van injectienaalden op de slachtoffers onderwerp van onderzoek is geweest. Voor zover voor het onderzoek tegen de verdachten relevant, zijn de ter zake van deze onderzoekshandelingen opgemaakte processen-verbaal door de officier van justitie toegevoegd aan de processtukken, alsmede een rapportage in deze opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen NFI). Het betreft hier een rapportage over een door het NFI verricht onderzoek van haren van slachtoffers waaruit mogelijk kon blijken dat bewelmende stoffen waren toegediend of ingenomen35.

Op 13 mei 2000 wordt Enschede getroffen door de vuurwerkramp. Deze ramp is er de reden van dat voor het [A]-team nog slechts de dagelijks teamleider en twee politieambtenaren beschikbaar zijn. Enkele maanden later worden weer enkele medewerkers aan het team toegevoegd.

In 2000 is in Almelo een experiment begonnen dat tot doel had meer aandacht te schenken aan de positie van het slachtoffer in een strafzaak. De bedoeling hiervan is dat in een schriftelijke rapportage, in de vorm van een proces verbaal, vastgelegd wordt wat de impact van het delict op het slachtoffer is. Dit zogenaamde Victim Impact Statement vormt een onderdeel van de stukken die ter zitting worden behandeld, zodat de rechter hiervan kennis kan nemen. Augustus 2000 zijn de slachtofferverklaringen van de ouders van kinderen die op de tenlastelegging stonden, door de politie opgenomen en door de officier van justitie aan de processtukken toegevoegd.

In opdracht van de officier van justitie wordt op 31 oktober 2000 een eerder op 18 november 1999 in de studio gehoord jonger zusje van slachtoffer F. opnieuw in de studio gehoord. Ook de uitwerking van dit verhoor is aan de processtukken toegevoegd.

In paragraaf 3.2 van dit hoofdstuk is melding gemaakt van een tweede aanhouding, na een terechtzitting op 21 december 1999, van vader, moeder en oom als verdachten van het vervaardigen c.q. in het bezit hebben van kinderporno. Op 14 november 2000 zijn vader, moeder en oom, eveneens na een terechtzitting, voor de derde keer aangehouden, nu terzake van verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een in dit rapport nog niet eerder genoemd meisje door toediening van bedwelmende stoffen36. Voor beide zaken zijn gerechtelijke vooronderzoeken geopend. Het driemanschap heeft vastgesteld dat in het kader van die gerechtelijke vooronderzoeken verscheidene opsporingshandelingen zijn verricht, onder andere met betrekking tot de halfzus van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] Voorts zijn op 30 januari 2001 nog twee meisjes, leerlingen van de eerder genoemde school voor moeilijk lerende kinderen, in de studio gehoord.

Van deze laatste opsporingsactiviteiten bevinden zich geen documenten in het [A]-dossier. Het driemanschap wil hierover opmerken, dat geen van deze documenten, waarvan het gedurende zijn onderzoek kennis heeft kunnen nemen, met betrekking tot de verdachten aanvullende informatie bevat, die het vermoeden van seksueel misbruik door de drie verdachten jegens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] of andere kinderen ondersteunen.

35 In het hoofdhaar van één meisje (de hoofdpersoon in subdossier L) wordt één segment van de stof diazepam aangetoond. In het hoofdhaar van [slachtoffer 2] werd in één segment een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van diazepam. De uitslag met betrekking tot bij de overige op de tenlastelegging genoemde slachtoffers uitgevoerde haaronderzoeken is negatief.

36 Dit meisje werd eerder, op 19 juli 1999, in het kader van het [A]-onderzoek als verdachte aangehouden en verhoord."

7.3. Vooropgesteld moet worden dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376, rov. 3.6.5).

7.4. De enkele omstandigheid dat na de inlevering van het proces-verbaal door het onderzoeksteam in het kader van de opsporing nog een aantal activiteiten is verricht waarvan zich geen verslaglegging in het dossier bevindt, is niet voldoende om de slotsom te wettigen dat aldus jegens de aanvrager ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van zijn belangen aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het aangevoerde kan mitsdien niet het ernstig vermoeden wekken dat het Hof, ware het hiermee bekend geweest, het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk zou hebben verklaard.

7.5. Ook de door de CEAS vastgestelde inhoud van genoemde stukken, waarop de aanvrage zich beroept, levert geen grond voor herziening op. De CEAS heeft immers geconstateerd dat geen van deze stukken, waarvan de CEAS gedurende haar onderzoek kennis heeft kunnen nemen, met betrekking tot de aanvrager en zijn mededaders aanvullende informatie bevat die het vermoeden ondersteunt van door hen jegens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] of andere kinderen begane seksuele misdrijven. Anders dan de raadsman kennelijk meent, kan uit die constatering niet zonder meer worden afgeleid dat de desbetreffende stukken voor de aanvrager ontlastende informatie bevatten. De constatering van de CEAS wekt in elk geval niet het ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het destijds met deze informatie bekend zou zijn geweest.

7.6. Ook deze grond kan dus niet tot herziening leiden.

8. Beoordeling van de vijfde herzieningsgrond

8.1.1. In de aanvrage worden onder 3.3 vijf aspecten vermeld die zijn gebaseerd op de resultaten van het onderzoek door de CEAS in het kader van de door de CEAS zelf verruimde onderzoeksvraag. Het eerste aspect betreft - aldus de aanvrage onder 3.3.2 - de vraag of de aanvrager "in de bewezenverklaarde perioden fysiek aanwezig is geweest op de plaatsen waar de beweerdelijke ontucht zou hebben plaatsgevonden".

8.1.2. Het CEAS-rapport houdt het volgende in:

"§ 7.2.1 De pleegplaatsen [c-straat] en [d-straat]

Op één uitzondering na40 hebben alle door vader, moeder en oom gepleegde gevallen van seksueel misbruik van andere kinderen dan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich afgespeeld in een relatief korte periode (gedurende enkele maanden van 1998) in een tweetal woningen, namelijk in de woning van vader en moeder aan de [c-straat] te Enschede en in de woning van oom aan de [d-straat] in Enschede.

Zo verklaart C. acht keer en F. zes keer in de woning aan de [c-straat] te zijn misbruikt.

Waar in het [A]-onderzoek nog sprake was van verscheidene pleegplaatsen, ook buiten Enschede, en een pleegperiode van enkele jaren voorafgaand aan de aanhouding van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 17 mei 1999, is kenmerkend voor het [A]-onderzoek dat:

- het aantal slachtoffers aanzienlijk geringer was dan in het [A]-onderzoek;

- de plaatsen van het delict geografisch nauwkeuriger afgebakend konden worden en

- het veel minder lang geleden was dat de feiten hadden plaatsgevonden (ongeveer één tot anderhalf jaar vóór de aanhouding van de volwassen verdachten).

Daarom zou verwacht mogen worden dat opsporingstactisch en opsporingstechnisch veel geïnvesteerd zou zijn om de ware toedracht van het seksueel misbruik in en rondom de hiervoor genoemde twee woningen te achterhalen. In het dossier is daarover nauwelijks iets terug te vinden.

Vader en moeder woonden in de [c-straat] van 3 november 1997 tot 1 januari 1999. De moeder van F. deed in het [A]-onderzoek op 22 juli 1998 aangifte van een poging tot aanranding welke op of omstreeks 4 februari 1998 door [slachtoffer 2] zou zijn gepleegd (de eerste keer dat zij elkaar tegen kwamen).

De dochters waren oktober 1998 op bevel van de kinderrechter uit huis geplaatst. Daarop vooruitlopend waren ze op 25 juli 1998 bij familie ondergebracht, dit vanwege de onrust die in de buurt was ontstaan naar aanleiding van het door hen gepleegde seksueel misbruik van het meisje F. en de kleuter. Later, op 2 juni 1999, zal F. verklaren dat zij op een maandag in de winter van 1998 (dat kan in de tijd gezien niet anders dan in de eerste maanden van 1998 geweest zijn) in opdracht van vader door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van de fiets is getrokken en naar de woning van vader en moeder is gebracht en dat zij dit aan haar moeder verteld zou hebben. Moeder zegt daarover op 22 juli 1998 echter niets.

Of rondom de woning [c-straat] een buurtonderzoek heeft plaatsgevonden, heeft het driemanschap uit het onderzoeksdossier niet kunnen opmaken41. Daarover staat in ieder geval niets vermeld in het dossier dat aan de rechter is voorgelegd.

Uit de verklaringen van de slachtoffers is niet op te maken (ook niet bij benadering) op welke datum en tijd het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. Dat heeft tot gevolg dat ook niet kan worden nagegaan of vader, moeder en/of oom in de betreffende periode het hen ten laste gelegde seksuele misbruik wel gepleegd kúnnen hebben. Uit de stukken die het driemanschap ter beschikking stonden kan bijvoorbeeld worden afgeleid, dat vader in 1998 twee keer in het ziekenhuis opgenomen is geweest, één keer voor een herniaoperatie en één keer wegens het innemen van een grote hoeveelheid medicijnen (30 juli 1998).

Slachtoffer C. verklaart vanaf de [c-straat] twee keer, vastgebonden, naar de woning aan de [d-straat] vervoerd te zijn om aldaar seksueel misbruikt te worden. De woning van oom is in de periode van 11 juni tot en met 12 juli 1998 met vlaggen versierd vanwege het wereldkampioenschap voetbal42. Slachtoffer C. zegt daarover niets in zijn verklaring. Verder is uit het dossier bekend dat oom in 1998 op vakantie naar Portugal is geweest. Oom heeft in deze periode een baan. Voorts blijkt uit getuigenverklaringen dat oom in deze periode twee kostgangers in huis had, respectievelijk 25 en 22 jaar oud. De vriendin van één van deze kostgangers verblijft met zekere regelmaat ook in de woning van oom, alsook een vrouw met wie oom in die periode een korte relatie heeft gehad. Niemand heeft C. ooit in de woning van oom gezien. C. vermeldt in zijn verklaring een aantal opmerkelijke details met betrekking tot de woning van oom, onder andere over twee daar aan de muur hangende schilderijen. Uit het aan de rechter voorgelegde dossier is niet op te maken of gericht rechercheonderzoek is gedaan:

• naar een mogelijk alibi van de verdachten in de betreffende periode;

• naar details die de slachtoffers vertellen over de verschillende pleegplaatsen en/of

• naar andere aanknopingspunten die de verklaringen van de slachtoffers zouden kunnen ondersteunen dan wel de verklaringen van de verdachten zouden kunnen ontkrachten.

Zo staat niet in het aan de rechter voorgelegde dossier of bijvoorbeeld in de woning of auto van oom een uitgebreid technisch sporenonderzoek is gedaan.

De politie heeft op 21 september 1999 een onderzoek ingesteld in de woning van oom. Daarnaast heeft de politie daar in het kader van het [A]-onderzoek op 14 oktober en 10 december 1999 twee keer huiszoeking gedaan43. Bij de laatste huiszoeking heeft de technische recherche twee folies afgenomen in een bergplaats, teneinde deze folies te onderzoeken op eventuele schotresten. Dit onderzoek heeft geen resultaat opgeleverd. De politie rapporteert in het aan de rechter voorgelegde dossier niets over het eventueel in de woning van oom gezien of aangetroffen hebben van de door C. beschreven schilderijen.

40 Slachtoffer C. verklaart in de woning aan de [c-straat] seksueel misbruikt te zijn, maar of dat daadwerkelijk ook zo is, heeft het driemanschap niet kunnen nagaan. (...)

41 Kinderen uit twee nabij wonende gezinnen zijn ook slachtoffer in het [A]-onderzoek, maar de ouders van deze kinderen zijn, voor zover het driemanschap heeft kunnen nagaan, niet gehoord over andere kinderen die in deze woning seksueel misbruikt zouden zijn.

42 Verklaring afkomstig van vrienden die bij oom thuis voetbal hebben gekeken.

43 Op 25 mei 1999 is op hetzelfde adres ook al eerder huiszoeking gedaan in het kader van het [A]-onderzoek."

8.1.3.1. Volgens de raadsman is in de eerste plaats aannemelijk, althans niet onwaarschijnlijk, dat de aanvrager "ten tijde van een groot deel van de bewezenverklaarde periode fysiek niet aanwezig kan zijn geweest teneinde de beweerdelijke ontucht te plegen".

8.1.3.2. Blijkens de door de aanvrager ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2001 afgelegde verklaring alsmede het proces-verbaal betreffende de start van het onderzoek (dossier G, p. 38 e.v.) was het Hof ermee bekend dat de aanvrager in het bewezenverklaarde tijdvak van 1 april 1996 tot 18 mei 1999 gedurende enige tijd in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Wat dat betreft is geen sprake van een novum.

8.1.3.3. In de tweede plaats heeft volgens de raadsman geen gericht rechercheonderzoek plaatsgevonden naar de in het CEAS-rapport genoemde aspecten, noch naar andere aanknopingspunten die de juistheid van de verklaringen van de aangevers zouden kunnen ondersteunen. Die stelling heeft in het bijzonder betrekking op [slachtoffer 3].

8.1.3.4. Ten laste van de aanvrager is onder 3 bewezenverklaard dat hij - kort gezegd - in de periode van 1 november 1997 tot 1 september 1998 in de woning van [betrokkene 2] - de zwager van de aanvrager - aan de [d-straat] te Enschede tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 3] meermalen heeft verkracht. Geen van de verklaringen van de in dit verband gehoorde personen houdt iets in waaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer 3], zoals hij heeft verklaard, in die woning is geweest. Deze verklaringen waren het Hof echter bekend en leveren dus geen novum op. Uit de stukken kan voorts worden afgeleid dat de politie tot op zekere hoogte heeft geprobeerd de informatie die [slachtoffer 3] in zijn verklaring gaf, te verifiëren.

8.1.3.5. Ten aanzien van deze omstandigheden kan, gelet op het bovenstaande, geconstateerd worden dat het Hof daarmee bekend was. Die omstandigheden en de daarop in de aanvrage gebaseerde conclusies kunnen mitsdien geen novum opleveren.

8.2.1.1. Het tweede aspect betreft volgens de aanvrage onder 3.3.3 het ontbreken van onderzoek "ter objectieve verificatie" van de belastende verklaring van [slachtoffer 3]. Volgens de raadsman is de CEAS bij haar onderzoek naar de wijze van totstandkoming van de belastende verklaring van [slachtoffer 3] tot een aantal bevindingen gekomen die als nieuwe feiten hebben te gelden.

8.2.1.2. De eerste bevinding waarop de aanvrage doelt, is de vaststelling van de CEAS (rapport, p. 28) dat [slachtoffer 3] en zijn vader hebben verklaard dat [slachtoffer 3] in de huiskamer van de aanvrager en zijn vrouw vier uur lang op een stoel vastgebonden heeft gezeten en dat tegelijkertijd in dezelfde ruimte een meisje met lang blond haar van ongeveer twaalf jaar oud aanwezig was dat eveneens naakt op een stoel was vastgebonden en ook seksueel werd misbruikt. Volgens de aanvrage heeft de CEAS vastgesteld dat dit meisje nooit is opgespoord en geconcludeerd dat in het dossier geen aanwijzingen zijn gevonden waaruit zou kunnen blijken dat de politie daartoe pogingen heeft gedaan.

8.2.1.3. [Slachtoffer 3] en zijn vader hebben op 20 oktober 1999 verklaringen afgelegd bij de politie. In deze verklaringen komt naar voren dat [slachtoffer 3] in de woning van de aanvrager en zijn vrouw een meisje met lang blond haar van ongeveer twaalf jaar oud heeft gezien. Dit meisje werd volgens [slachtoffer 3] ook seksueel misbruikt. De verklaringen van [slachtoffer 3] en zijn vader maakten deel uit van het dossier dat aan het Hof is voorgelegd (dossier C, p. 29 respectievelijk p. 44 e.v.). Anders dan de raadsman meent, is tijdens de voorbereiding van de studioverhoren van onder anderen [slachtoffer 3] onderzoek gedaan naar mogelijke andere slachtoffers van seksueel misbruik door de aanvrager, zijn vrouw en zijn zwager, onder wie dus bedoeld meisje. Met behulp van een lijst met namen van kinderen die door [slachtoffer 1 en 2] tijdens hun verhoren waren genoemd, heeft de politie vijfentwintig kinderen in de studio verhoord. Uit de daarvan opgemaakte stukken (dossier I, p. 2-3) kan weliswaar niet volgen dat het meisje met het lange blonde haar een van deze vijfentwintig kinderen is, maar niet dat de politie geen pogingen heeft gedaan haar te horen. Deze bevinding kan mitsdien geen novum opleveren.

8.2.2.1. De tweede bevinding betreft de vaststelling van de CEAS (rapport, p. 28) dat uit de verklaring van [slachtoffer 3] niet is af te leiden wanneer bij benadering binnen een periode van ongeveer drie jaar het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden en evenmin dat het seksueel misbruik in de woning van de aanvrager en zijn vrouw aan de [b-straat] of aan de [c-straat] heeft plaatsgevonden. Voorts heeft [slachtoffer 3] bijvoorbeeld redelijk gedetailleerd verklaard over de inrichting van de woning van de zwager van de aanvrager, terwijl deze daarvan zelf een totaal andere beschrijving gaf.

8.2.2.2. [Slachtoffer 3] heeft op 20 oktober 1999 verklaard dat het seksueel misbruik ongeveer twee jaar voordien had plaatsvonden. Deze verklaring maakte deel uit van het dossier dat aan het Hof is voorgelegd (dossier C, p. 50). Diezelfde verklaring houdt in dat hij niet alleen in de woning van de zwager van de aanvrager aan de [d-straat] is misbruikt, maar ook in de woning van de aanvrager en zijn vrouw aan de [c-straat] (dossier C, p. 50 en p. 53). Daarbij kan worden aangetekend dat blijkens het door het Hof gebezigde bewijsmiddel 2 de aanvrager en zijn vrouw van 17 november 1997 tot december 1998 inderdaad aan de [c-straat] hebben gewoond. Al deze gegevens waren het Hof bekend, zodat deze bevinding geen novum kan opleveren.

8.2.2.3. Wat betreft de verschillen tussen de verklaringen van [slachtoffer 3] enerzijds en de zwager van de aanvrager - [betrokkene 2] - anderzijds over de inrichting van de woning aan de [d-straat] kan, evenals hiervoor onder 8.1.3.4 bij de bespreking van het eerste aspect van de onderhavige herzieningsgrond, worden opgemerkt dat het Hof kennis heeft kunnen nemen van het uiteenlopen van deze verklaringen. De op die verschillen gebaseerde stelling van de CEAS waarop de raadsman zich beroept, kan mitsdien evenmin een novum opleveren.

8.2.3.1. De derde bevinding die de aanvrage aan het CEAS-rapport ontleent, is de volgende. De vader van [slachtoffer 3] heeft op 18 oktober 1999 aan de politie tevergeefs om een foto gevraagd van onder anderen de aanvrager. Volgens de aanvrage heeft de CEAS aan het licht gebracht (i) dat "een zus van verzoekers zwager" op verzoek van de ouders van [slachtoffer 3] foto's van de aanvrager, zijn vrouw en zijn zwager heeft laten zien, en (ii) dat een op 25 november 1999 in de studio gehoord "zoontje van kennissen" van het gezin van de aanvrager heeft verklaard dat de moeder van [slachtoffer 3] ook daar een foto van de zwager van de aanvrager heeft opgehaald om aan [slachtoffer 3] te laten zien. Volgens de aanvrage volgt hieruit wederom dat, in veel sterkere mate dan waarvan het Hof uitging, wederzijdse beïnvloeding van getuigen heeft plaatsgevonden. Tevens zou volgens de aanvrage hieruit volgen dat desondanks geen confrontaties met de slachtoffers en de verdachten hebben plaatsgevonden.

8.2.3.2. Bij de stukken bevindt zich een op 3 januari 2000 bij de politie afgelegde verklaring van de in de aanvrage bedoelde vrouw - [betrokkene 1] - inhoudende dat zij op verzoek van de ouders van [slachtoffer 3] foto's van de aanvrager, zijn vrouw en zijn zwager heeft laten zien. De verklaring sub (i) maakt derhalve deel uit van het dossier dat aan het Hof is voorgelegd (dossier C, p. 69). Daar komt bij dat de Officier van Justitie ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2001 de aandacht heeft gevestigd op deze omstandigheid. Hetzelfde geldt voor de verklaring sub (ii) van [slachtoffer 3] (dossier I, p. 69 e.v.).

8.2.3.3. Voormelde, door de raadsman aan het CEAS-rapport ontleende omstandigheden leveren, nu zij aan het Hof bekend waren, mitsdien geen novum op. Dat geldt ook voor de stelling van de raadsman dat hieruit een sterkere mate van wederzijdse beïnvloeding kan worden afgeleid dan waarvan het Hof is uitgegaan. De door de CEAS gestelde en door de raadsman onderschreven omissie dat desondanks geen confrontatie met de slachtoffers en de verdachten heeft plaatsgevonden, kan evenmin een novum opleveren. Deze beweerde omissie is slechts gebaseerd op feitelijke omstandigheden die het Hof bekend waren.

8.2.4. De raadsman voert voorts aan dat de CEAS op grond van de hiervoor onder 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.3 genoemde aspecten tot de slotsom is gekomen dat het politieteam gerichter onderzoek had moeten doen naar de mogelijkheid dat de zwager van de aanvrager en [slachtoffer 3] elkaar niet kenden. De implicaties van deze conclusie voor het onderhavige herzieningsverzoek zijn volgens de raadsman evident. Indien [slachtoffer 3] en de zwager van de aanvrager elkaar niet hebben gekend, zouden de beschuldigingen van [slachtoffer 3] op dit punt onjuist zijn, hetgeen voor het Hof aanleiding zou kunnen zijn geweest de beschuldigingen van [slachtoffer 3] aan het adres van de aanvrager in een ander daglicht te plaatsen. Voorts kan de omstandigheid dat het Hof niet juist is geïnformeerd over de mogelijkheden tot het doen van objectieve verificatie en het nalaten daarvan volgens de raadsman een novum opleveren.

Bekendheid hiermee zou voor het Hof reden kunnen zijn geweest de verklaringen van de kinderen bewijsrechtelijk anders te waarderen, aldus de raadsman.

8.2.5. Ook deze implicaties zijn gebaseerd op feitelijke omstandigheden die de rechter bij de behandeling van de zaak reeds bekend waren en die hij mitsdien in zijn oordeel heeft kunnen betrekken en leveren dus geen novum op.

8.3.1. Het derde aspect, dat in de aanvrage onder 3.3.4 wordt genoemd, is dat het CEAS-onderzoek aan het licht heeft gebracht dat de studioverhoren niet in het teken van waarheidsvinding maar van hulpverlening stonden. Dit vormt volgens de raadsman een nieuw feitelijk gegeven dat het Hof niet bekend was. Het novum bestaat volgens aanvrage daarin dat (i) de Officier van Justitie de kinderen heeft laten horen in een verhoorstudio maar dat het niet haar intentie is geweest om studioverhoren in de zin van het daarvoor geldende protocol te laten plaatsvinden, (ii) dat de studioverhoren niet gericht waren op waarheidsvinding, maar op hulpverlening, (iii) dat de CEAS in beeld brengt dat het openbaar ministerie een onjuiste methodiek heeft toegepast bij de verhoren van de kinderen, (iv) dat "het resultaat van deze wijze van studioverhoren is geweest dat de uit die verhoren verkregen informatie door de bank genomen oppervlakkig was en als gevolg daarvan niet of nauwelijks deugdelijk geverifieerd kon worden" en (v) dat de CEAS heeft vastgesteld dat tweemaal is gehandeld in strijd met de toen geldende regel dat een strafrechtelijk studioverhoor in principe slechts éénmaal plaatsvindt.

8.3.2. Blijkens het aan het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2001 gehechte requisitoir heeft de Officier van Justitie aldaar onder meer aangevoerd dat de verhoren van de kinderen niet zonder meer voldeden aan de eisen die het Protocol Studioverhoren stelde. Er was immers nog geen sprake van (een vermoeden van) een ernstig misdrijf. De kinderen hadden tot dan toe nog geen verklaring afgelegd over mogelijk misbruik door de aanvrager, zijn vrouw of zijn zwager. Hoewel mitsdien niet voldaan was aan de voorwaarden voor een studioverhoor, heeft de Officier van Justitie, met name gelet op het hulpverleningsaspect, toch besloten tot dergelijke verhoren over te gaan. De Officier van Justitie heeft immers aangegeven zich zorgen te maken over kinderen die wellicht iets als [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] hadden meegemaakt, maar er nooit over hadden kunnen of durven praten, met alle gevolgen voor de ontwikkeling van die kinderen van dien.

Vaststaat dat er verhoren in een studio hebben plaatsgevonden maar dat die niet geheel conform het Protocol Studioverhoren zijn afgenomen. De rechter was daarvan op de hoogte. Of die verhoren nu wel of niet als studioverhoren moeten worden gekwalificeerd doet hier niet ter zake. Over de waarde van de verklaringen is de rechter voorgelicht door de psycholoog Emmelkamp. Deze heeft in maart 2000 rapporten opgemaakt over de verhoren van [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [betrokkene 18], [slachtoffer 6], [slachtoffer 5], [betrokkene 17] en [slachtoffer 7]. Deze rapporten maken deel uit van het procesdossier. Voorts is Emmelkamp ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001 als getuige-deskundige gehoord. Hij heeft zich toen kritisch uitgelaten over de verhoren. Deze kritiek was mede gebaseerd op de manier van verhoren. Het Hof heeft kennis kunnen nemen van deze kritiek en heeft een aantal verklaringen niet voor het bewijs gebruikt.

Over de stelling van de CEAS dat tweemaal is gehandeld in strijd met de toen geldende regel dat een strafrechtelijk studioverhoor in principe eenmaal plaatsvindt, kan het volgende worden opgemerkt. [Slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] zijn inderdaad tweemaal in de studio gehoord.

De processen-verbaal van deze verhoren bevinden zich in het dossier. Het Hof was hiervan mitsdien op de hoogte. Ook was het Hof ervan op de hoogte dat in het verleden de regel gold dat een kind slechts één keer in de studio mocht worden verhoord. Op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2002 is immers de orthopedagoge F. Lamers-Winkelman gehoord over deze regel. Ten overvloede zij opgemerkt dat de verklaringen van [slachtoffer 6] niet voor het bewijs zijn gebruikt.

8.3.3. Anders dan de aanvrager meent, heeft het onderzoek door de CEAS niet aan het licht gebracht dat de studio-verhoren niet in het teken van waarheidsvinding maar van hulpverlening stonden. Het Hof was immers reeds bekend met alle in dit verband in de aanvrage genoemde omstandigheden, zodat ook in zoverre geen sprake is van een novum.

8.4.1. Het vierde, in de aanvrage onder 3.3.5 genoemde, aspect betreft de rol van [betrokkene 4], de halfzuster van [slachtoffer 1 en 2], bij de totstandkoming van de belastende verklaring van [slachtoffer 1]. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het Hof niet bekend was met de prominente rol van [betrokkene 4] bij de totstandkoming van de eerste belastende verklaring van [slachtoffer 1] en evenmin met twee brieven van de maatschappelijk werkster omtrent de aard van de contacten tussen [betrokkene 4] en [slachtoffer 1] en de persoonlijkheidsstoornis van [betrokkene 4]. Ook heeft het Hof volgens de aanvrage geen kennis kunnen nemen van een brief van 1 december 2000 van [betrokkene 4] aan een van de rechercheurs en een aantal door [betrokkene 4] gevoerde telefoongesprekken. De daaruit voortvloeiende informatie heeft het Hof mitsdien niet kunnen betrekken bij zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van [betrokkene 4]. Tenslotte is - aldus de aanvrage - niet voldaan aan de Aanwijzing opsporing seksueel misbruik, nu [betrokkene 4] aanwezig was toen [slachtoffer 1] haar belastende verklaring aflegde en toen zij later, op 16 juni 1999, als getuige is gehoord.

8.4.2. De hiervoor genoemde brieven van de maatschappelijk werkster, [betrokkene 3], houden volgens het CEAS-rapport het volgende in. In een brief van 16 juli 1999 aan het opsporingsteam vermeldt [betrokkene 3] dat zij twee gesprekken heeft gehad met [betrokkene 4] en daarvan gespreksverslagen heeft gemaakt, welke zij als bijlage bij de brief heeft gevoegd. Het CEAS-rapport houdt niets in over de inhoud van deze gespreksverslagen. [Betrokkene 3] vermeldt voorts dat [betrokkene 4] een ernstig beschadigde en getraumatiseerde jonge vrouw is en naar haar mening geen adequate inschatting kan geven van tijd en plaats: ze kan niet gestructureerd vertellen en schiet in haar herinneringen van de leeftijd van zes jaar naar de leeftijd van dertien jaar. Volgens [betrokkene 3] is [betrokkene 4] iemand die pathologische situaties in haar leven verdraait om maar te kunnen overleven. In een brief van 8 november 1999 staat onder meer dat [betrokkene 3] op 30 september 1999 door één van de rechercheurs van het opsporingsteam is verzocht om een bezoek van [betrokkene 4] aan [slachtoffer 1] voor te bereiden en te begeleiden. De instelling waar [slachtoffer 1] op dat moment verbleef, achtte dit aangewezen omdat haar ouders en de zwager van de aanvrager waren aangehouden door de politie en [slachtoffer 1] daarom geen bezoek meer van hen kon krijgen. Ook was er op dat moment geen contact meer met haar jongere zusje [slachtoffer 2]. De CEAS merkt in dit kader op dat [betrokkene 4] en [slachtoffer 1] al geruime tijd geen contact meer met elkaar hadden. Het bezoek van [betrokkene 4] heeft plaatsgevonden op 3 oktober 1999 in de instelling waar [slachtoffer 1] op dat moment verbleef. Uit de brief komt volgens de CEAS naar voren dat dit bezoek goed is verlopen en dat het [slachtoffer 1] emotioneel steun heeft gegeven.

8.4.3. Bij de stukken bevindt zich een uitgebreide verklaring die [betrokkene 3] op 5 oktober 1999 bij de politie heeft afgelegd (dossier A, p. 315 e.v.).

8.4.4. De door de CEAS gereleveerde omstandigheden - zoals overgenomen in de aanvrage in hoofdstuk 3.3.5 onder 'Rol halfzus en brieven maatschappelijk werkster', 'Persoonlijkheidsstoornis halfzus' en 'Relatie halfzus en [slachtoffer 1]' - komen alle in meer of mindere mate voor in de zo-even genoemde verklaring van de maatschappelijk werkster. Deze omstandigheden kunnen dus niet worden beschouwd als omstandigheden als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2°, Sv.

8.4.5. In de aanvrage wordt vervolgens onder 'Niet slechts ondersteunende rol van Halfzus en discrepantie verhoorverslag en audioband' een beroep gedaan op het volgende gedeelte van het CEAS-rapport:

"[p. 32] Het bewuste verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999, waarbij de halfzus aanwezig is geweest, is vastgelegd op audio. Na beluistering kon vastgesteld worden dat de verbatim-uitwerking die in het hofdossier is opgenomen geen volledige weergave is van hetgeen op de audioband is opgenomen. Met name de inbreng van de halfzus tijdens dit verhoor van [slachtoffer 1] is weggelaten in de verbatim-uitwerking. In een later aan het driemanschap beschikbaar gesteld dossier, heeft het driemanschap een andere versie van de verbatim-uitwerking van dit verhoor aangetroffen, waarin de inbreng van de halfzus wel is verwoord.

Opmerkelijk hierbij is, dat in deze andere, uitgebreide versie van de verbatim-uitwerking op een bepaald moment tijdens het verhoor van [slachtoffer 1] de inbreng van [slachtoffer 3] vijf pagina's tekst beslaat. In de aan de rechter bekend zijnde versie is haar inbreng ingekort/samengevat in elf regels tekst. Op genoemde vijf pagina's praat [slachtoffer 3] op [slachtoffer 1] in om toch vooral aangifte te doen. [Slachtoffer 3] doet daarbij suggesties voor antwoorden en oefent druk uit op [slachtoffer 1]"

8.4.6. In het door de raadsman aan de Hoge Raad gezonden, hiervoor onder 2.2 genoemde rapport van Crombag en Smeets van mei 2008 is een vergelijking gemaakt tussen de inhoud van de aan Hof beschikbaar gestelde transcriptie van het verhoor van [slachtoffer 1] van 8 oktober 1999 (hierna: de dossiertranscriptie) en een uitgebreidere, door de CEAS tijdens zijn onderzoek aangetroffen transcriptie (hierna: de Twentetranscriptie).

8.4.7. De Twentetranscriptie luidt zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 75 is weergegeven.

8.4.8. De dossiertranscriptie luidt zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 76 is weergegeven.

8.4.9. Het rapport van Crombag en Smeets houdt met betrekking tot de vergelijking van de twee transcripties het volgende in:

"Ten slotte de vraag: werpen de in de dossier-transcriptie weggelaten fragmenten, in het bijzonder die waaruit de inbreng van halfzus [betrokkene 4] blijkt, een ander licht op de in het verhoor van 8 oktober 1999 uitgesproken beschuldigingen aan het adres van de ouders en oom van [slachtoffer 1] en heeft het feit dat zij uit de aan de rechter voorgelegde transcripties zijn verwijderd een evenwichtige waardering van de in dat verhoor door [slachtoffer 1] verschafte informatie mogelijk in de weg gestaan?

Het antwoord op die vraag hoeven wij niet te geven omdat dat immers de facto al gegeven is door de persoon die besloot, dat de passages waaruit in de Twente-transcriptie de inbreng van halfzus [betrokkene 4] blijkt, verwijderd moesten worden. Die persoon was kennelijk van mening dat de rechter van die inbreng maar beter niet kon weten. Wij sluiten ons bij dit oordeel aan.

Dat die passages uit de oorspronkelijke transcriptie werden geschrapt, kan naar ons oordeel onmogelijk zijn verklaring vinden in slordigheid of onoplettendheid. Daarvoor is de vervanging van de passages waaruit de inbreng van de halfzus blijkt, door de enkele aanduiding dat de halfzus bij het verhoor aanwezig is geweest, te systematisch van aard."

8.4.10. De raadsman stelt zich in zijn brief van 12 juni 2008 op het standpunt dat het onder 8.4.9 weergegevene het ernstig vermoeden wekt dat het Hof, ware het met dit bewust achterhouden van de transcriptie bekend geweest, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager ter zake van in ieder geval de jegens [slachtoffer 1] gepleegde feiten.

8.4.11. Zoals hiervoor onder 7.3 reeds is overwogen, komt de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking.

8.4.12. Uit de enkele vergelijking van de Twentetranscriptie met de dossiertranscriptie kan niet de conclusie worden getrokken dat de samensteller van de dossiertranscriptie welbewust informatie aan de rechter heeft willen onthouden. De door de raadsman aan genoemd rapport ontleende opvatting dat de samensteller van de dossiertranscriptie kennelijk van mening was dat de rechter maar beter niet kon weten van de inbreng van [betrokkene 4], vindt geen steun in de inhoud van deze transcriptie. De transcriptie houdt immers in dat [betrokkene 4] bij het verhoor aanwezig is geweest en dat zij daarin een actieve inbreng heeft gehad. De Twentetranscriptie noch voormeld rapport van Crombag en Smeets wekt mitsdien het ernstig vermoeden dat het Hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard indien het met de Twentetranscriptie bekend zou zijn geweest.

8.4.13. In de aanvrage voert de raadsman voorts aan dat de enkele omstandigheid dat het Hof niet op de hoogte was van het bestaan van de Twentetranscriptie, de conclusie wettigt dat hier sprake is van een nieuw processtuk waarmee het Hof niet bekend was en dat bij bekendheid zou hebben geleid tot een andere bewijswaardering van de verklaring van [slachtoffer 1].

8.4.14. Die opvatting van de raadsman kan niet als juist worden aanvaard. De enkele omstandigheid dat een meer uitgebreid proces-verbaal van een verhoor aanwezig is, wekt niet zonder meer het ernstig vermoeden dat de rechter de aanvrager, bij bekendheid daarmee, zou hebben vrijgesproken. Daarvoor is de inhoud van dat uitgebreidere proces-verbaal van belang.

Vergelijking van de inhoud van de dossiertranscriptie met de Twentetranscriptie leidt niet tot een ander oordeel. Reeds uit de dossiertranscriptie blijkt dat [betrokkene 4] bij het verhoor van [slachtoffer 1] aanwezig is geweest en dat zij daarbij een actieve inbreng heeft gehad, die er onder meer uit bestond dat zij [slachtoffer 1] aanspoorde aangifte te doen en de waarheid te vertellen. De inhoud van de Twentetranscriptie is niet van dien aard dat geconcludeerd dient te worden dat de inbreng van [betrokkene 4] dusdanig was dat het ernstig vermoeden rijst dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het met deze transcriptie bekend zou zijn geweest.

8.4.15.1. De aanvrage voert voorts sub 3.3.5 onder 'Betrouwbaarheid halfzus in relatie tot nieuwe stukken' aan dat het CEAS-rapport drie nieuwe feiten oplevert die het Hof niet bekend waren.

8.4.15.2. In de eerste plaats wordt gewezen op een discrepantie tussen een brief van 1 december 2000 van [betrokkene 4] aan het opsporingsteam en haar op 1 december 2000 afgelegde getuigenverklaring. Het CEAS-rapport houdt dienaangaande het volgende in:

"[p. 32] Over de rol van genoemde halfzus in het [A] onderzoek, wijst het driemanschap ten slotte nog op een voorval, zoals dat na de sluiting van het proces-verbaal op 11 april 2000 en na het horen van de halfzus als getuige door de rechtbank, heeft plaatsgevonden.

[p. 33] In zowel het politiedossier als het rechtbankdossier is door het driemanschap een brief aangetroffen, geschreven door de halfzus, gedateerd 1 december 2000 en gericht aan één van de rechercheurs van het [A]-team.

De halfzus beschrijft in deze brief een aantal voorvallen gedurende de twee periodes dat zij bij het toenmalige gezin van haar vader haar intrek had genomen.

Naar aanleiding van deze brief heeft er op dezelfde dag een getuigenverhoor plaatsgevonden van de halfzus.

Het proces-verbaal van dit getuigenverhoor verschilt op een aantal punten met de inhoud van de brief van 1 december 2000; met name daar waar de halfzus in haar brief schrijft over een voorval binnen het gezin met betrekking tot [slachtoffer 1] waar zij als halfzus wetenschap van heeft59. Uit de brief is de conclusie te trekken dat de halfzus het bewuste voorval zelf heeft gezien.

In het getuigenverhoor van 1 december 2000 komt echter naar voren dat de halfzus dit voorval niet zelf heeft gezien, maar dat [slachtoffer 1] haar dat indertijd heeft verteld.

Het driemanschap heeft geconstateerd dat het proces-verbaal van deze getuigenverklaring van de halfzus zich niet in het rechtbankdossier bevindt.

De rechter heeft van het verschil tussen brief en proces-verbaal van getuigenverhoor dus geen kennis kunnen nemen.

59 [Slachtoffer 1] zou door vader aan een radiator van de verwarming zijn vastgebonden, waarna vader haar zou hebben aangeboden aan zijn vrienden."

8.4.15.3. [Betrokkene 4] is ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 november 2000 en ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2002 als getuige gehoord.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft zij verklaard dat [slachtoffer 1] haar had verteld wat er gebeurd was en dat [slachtoffer 1] haar had verteld dat hun vader haar aan de verwarming had vastgebonden, dat hij gezegd had dat ze een goedkoop hoertje was, dat hij brandende sigaretten op haar had uitgedrukt en dat ze met een riem aan de kapstok werd opgehangen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [betrokkene 4] verklaard dat [slachtoffer 1] haar had verteld dat zij door hun vader aan de verwarming was vastgebonden en dat hij sigaretten op haar had uitgedrukt. Op beide terechtzittingen heeft zij derhalve herhaald wat zij in het verhoor als getuige op 1 december 2000 had verklaard. Anders dan de raadsman betoogt, heeft de rechter dus kennis kunnen nemen van de discrepantie tussen genoemde brief van [betrokkene 4] van 1 december 2000 en hetgeen zij nadien als getuige heeft verklaard.

8.4.15.4. In de tweede plaats wijst de aanvrage op een in het CEAS-rapport genoemd telefoongesprek tussen [betrokkene 4] en haar man. In de derde plaats wijst de aanvrage op een aantal door de CEAS genoemde telefoongesprekken van 5 november 2000. Het CEAS-rapport houdt hieromtrent het volgende in:

"Het driemanschap noemt in deze een telefoongesprek tussen [slachtoffer 3] en een man.

In dit gesprek geeft [slachtoffer 3] aan bang te zijn dat ze toch opgepakt gaat worden voor haar weedplantage op het adres L. De man wordt dan boos op [slachtoffer 3], omdat [slachtoffer 3] heeft verteld dat deze weedplantage van haar vader was. [Slachtoffer 3] geeft hierop aan dat vader dat verdiend heeft omdat hij haar wilde laten opdraaien voor iets van zes jaar geleden.

Daarnaast geeft [slachtoffer 3] op 5 november 2000 in een aantal telefoongesprekken aan dat zij zojuist een miskraam heeft gehad. Zij zegt in het ziekenhuis te zijn geweest. Tussen deze gesprekken door heeft zij echter een gesprek met bovengenoemde man waaruit valt op te maken dat zij nog steeds in verwachting is."

8.4.15.5. Wat betreft deze twee omstandigheden, die kennelijk zijn opgevoerd met de bedoeling de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 4] in twijfel te trekken, geldt dat deze, mede gezien de omstandigheid dat de overige door het Hof gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring zelfstandig kunnen dragen, niet het ernstig vermoeden opleveren dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.

8.4.16.1. Tot slot voert de aanvrage in dit kader aan dat sprake is van schending van de destijds geldende Aanwijzing bejegening slachtoffers zedendelicten, aangezien [betrokkene 4] als vertrouwenspersoon bij de aangifte van [slachtoffer 1] aanwezig is geweest en later als getuige is gehoord.

8.4.16.2. Deze omstandigheid levert geen novum op. Nu de, na de aangifte van [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen van [betrokkene 4], waaronder haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2002, deel uitmaakten van het dossier, was het Hof bekend met deze omstandigheid. Ten overvloede zij opgemerkt dat het niet-naleven van de Aanwijzing bejegening slachtoffers zedendelicten niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting (vgl. HR 17 april 2007, LJN AZ8824, NJ 2007, 253).

8.5.1. Het vijfde en laatste aspect betreft volgens de aanvrage onder 3.3.6 een aantal onderzoeken waarop de CEAS is gestuit waarvan de inhoud en resultaten niet aan het dossier zijn toegevoegd. Het gaat hier om (i) onderzoek naar de financiële situatie van de aanvrager, zijn vrouw en zijn zwager in verband mogelijke handel in kinderpornografie,

(ii) onderzoek naar het mogelijk huren van pornovideobanden door de aanvrager en zijn zwager, (iii) tapverslagen van afgeluisterde gesprekken van de aanvrager, zijn vrouw, zijn zwager, [slachtoffer 1 en 2], en (iv) een buurtonderzoek.

Met een beroep op het oordeel van de CEAS dat het voor de hand had gelegen om de niet-belastende resultaten van genoemde opsporingshandelingen ter kennis van de rechter te brengen, wordt in de aanvrage aangevoerd dat de onderzoeksresultaten ieder voor zich een novum opleveren en van belang zijn voor de bewezenverklaring, nu zij de door verschillende getuigen geuite aantijgingen nog meer onaannemelijk maken.

8.5.2. Het CEAS-rapport houdt dienaangaande het volgende in:

"§ 7.4 Informatie met betrekking tot verrichte onderzoeken met hetzij een negatief resultaat hetzij met een resultaat dat voor het onderzoek niet van belang werd geacht, maar naar de mening van het driemanschap van belang was voor de beeldvorming van de rechters die over deze zaak moesten oordelen

Het is het driemanschap gebleken dat het politieteam in de zaak [A] ook onderzoek heeft gedaan naar de financiële situatie van vader, moeder en oom.

Aanleiding hiervoor lijkt te zijn geweest dat uit het onderzoek naar voren kwam dat er van de door vader, moeder en oom gepleegde seksuele handelingen met de kinderen, video-opnamen zouden zijn gemaakt en dat deze mogelijk verkocht waren aan derden. Het onderzoeksteam wilde naar aanleiding hiervan onderzoeken of er ook sprake was geweest van handel in kinderpornografische afbeeldingen. De resultaten van deze deelonderzoeken zijn neergelegd in het politiejournaal van 25 oktober 1999. In deze journaalmutatie wordt de volgende conclusie getrokken: "Uit beide zoekingen is niet gebleken dat extreme uitgaven hebben plaatsgevonden. Uit bescheiden bij beiden blijkt niet dat er andere bankrekeningen bestaan."

Tevens blijkt uit het politiejournaal, dat er onderzoek is gedaan naar het mogelijk huren van pornovideobanden door vader en oom. Daartoe hebben rechercheurs bezoeken gebracht aan een tweetal videotheken, waar men getuigen heeft gesproken en administratieve bescheiden heeft meegekregen en/of in gezien.

Het resultaat van dit onderzoek staat vermeld in het politiejournaal op 10 november 1999. Het resultaat is negatief. Of de bestanden kennen vader, moeder en oom niet of men komt één van hen wel tegen in het bestand, maar daar zijn geen bijzonderheden te vermelden met betrekking tot het huurgedrag.

Van 21 december 1999 tot 23 februari 2000 zijn in alle instellingen waar vader, moeder, dochters en oom verbleven de door hen gevoerde telefoongesprekken afgeluisterd60. Over laatstgenoemde periode bevindt zich geen informatie in het procesdossier omdat dit 'tappen' in het kader van een separaat gevorderd gerechtelijk vooronderzoek ([A] terzake van kinderporno61) heeft plaatsgevonden.

Een aantal van deze gesprekken is schriftelijk vastgelegd (een deel daarvan bevond zich op de T-schijf van de computer van de Regiopolitie Twente en een ander deel van die gesprekken is samengevat in het politiejournaal). Van geen van de gevoerde gesprekken is in het dossier een uitwerking opgenomen. Dit omdat - volgens de geïnterviewde teamleden van de Regiopolitie Twente - de gevoerde gesprekken voor het onderzoek niet van belang zijn geacht. Het driemanschap heeft op basis van een door het Evaluatie Team gemaakte analyse achteraf kunnen vaststellen dat vader, moeder en oom in nagenoeg alle met derden gevoerde telefoongesprekken consequent hebben getuigd van hun onschuld, waarbij door in het bijzonder oom vele malen concrete voorbeelden zijn genoemd waarmee zijn onschuld aangetoond zou kunnen worden.

Op 3 en 4 februari 2000 heeft de politie de bewoners van aangrenzende woningen van de woning van oom aan de [d-straat] benaderd met de vraag om nadere informatie over het seksueel misbruik dat in de woning van oom zou hebben voorgedaan. Dat buurtonderzoek heeft geen informatie opgeleverd over het mogelijk seksueel misbruik in de woning van oom, die voor het team van belang was.

Genoemde onderzoeksresultaten zijn niet neergelegd in processen-verbaal van bevindingen en hebben daarmee geen onderdeel uitgemaakt van het aan de rechter beschikbaar gestelde dossier.

Uit het gesprek dat het driemanschap heeft gehad met de eerste administratief coördinator van het [A]-team en met de projectleider-secretariaatscoördinator van het [A]-team, is gebleken dat het in de tijd dat het [A] onderzoek speelde, niet ongebruikelijk was om onderzoeken die niets ten nadele van verdachten hadden opgeleverd aan te merken als zijnde niet van belang voor het onderzoek. De resultaten van deze onderzoeken werden wel vermeld in het politiejournaal, maar daarvan werd niet een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt62.

Hoewel het driemanschap zich realiseert dat sinds de wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de bevoegdheden tot aanwending van bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) en de invoering van de nieuwe structuur voor grootschalige politieonderzoeken, in de huidige tijd minder snel wordt aangenomen dat een onderzoeksverrichting iedere relevantie mist, had het naar het oordeel van het driemanschap in het [A]-onderzoek voor de hand gelegen ook de niet-belastende resultaten van opsporingshandelingen en activiteiten ter kennis van de rechter te brengen. Het driemanschap verwijst in dit verband kortheidshalve naar de Richtlijn schriftelijke verantwoording strafzaken d.d. 28 januari 199763.

60 Eerder in dit rapport werd al melding gemaakt van het afluisteren van telefoons in de periode voorafgaand aan de aanhouding van vader, moeder en oom.

61 Voor dit feit zijn de verdachten op 21 december 1999 na afloop van een op die dag gehouden pro-forma zitting opnieuw aangehouden.

62 Deze opvatting wordt bevestigd in het destijds op de rechercheschool verstrekte boekje "Handleiding aanpak van grote zaken", geschreven door officier van justitie mr. R.A.F. Gerding (uitgave VUGA 's-Gravenhage, 2e druk 1993). Mr. Gerding in hoofdstuk 5 op blz. 53: "Dit betekent dat het proces-verbaal een goede weergave moet bevatten van het bewijs dat tijdens het onderzoek is verzameld. Niet al het onderzoeksmateriaal hoeft in het proces-verbaal te worden opgenomen; alleen die gegevens worden vermeld die van belang zijn voor een juiste beoordeling van de in het proces-verbaal beschreven strafbare feiten."

63 Stcrt. 1997, nr. 68"

8.5.3. De enkele omstandigheid dat de CEAS bij haar onderzoek is gestuit op een aantal onderzoeken waarvan de inhoud en resultaten nimmer aan het dossier zijn toegevoegd, is niet voldoende om aan te nemen dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Deze omstandigheid wekt mitsdien niet het ernstig vermoeden dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging.

8.5.4. Ook de door de CEAS geconstateerde onderzoeksresultaten leveren geen grond voor herziening op.

(i) Het financiële onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van een onderzoek naar het vervaardigen van en de handel in kinderpornografische afbeeldingen. Deze mogelijke handel speelt in de onderhavige zaak geen rol.

(ii) Het mogelijk huren van pornovideobanden door de aanvrager en zijn zwager heeft een negatief resultaat opgeleverd. De enkele omstandigheid dat bij de twee bezochte videotheken geen belastende informatie is aangetroffen, wekt evenwel niet zonder meer het ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het hiermee destijds bekend zou zijn geweest. De aanvrager kan de videobanden immers op diverse manieren in zijn bezit hebben gekregen.

(iii) Volgens de CEAS houden de tapverslagen, die zich niet bevinden bij de processtukken, in dat de aanvrager, zijn vrouw en zijn zwager in nagenoeg alle met derden gevoerde telefoongesprekken consequent van hun onschuld getuigen. Dat geldt evenwel voor nagenoeg alle verklaringen die de aanvrager en zijn mededaders in dit onderzoek hebben afgelegd. Reeds gelet hierop kunnen bedoelde tapverslagen niet het ernstig vermoeden wekken dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het met die verslagen bekend zou zijn geweest.

(iv) Volgens de CEAS heeft de politie buurtbewoners van de zwager van de aanvrager aan de [d-straat] benaderd met betrekking tot het seksueel misbruik dat zich in diens woning zou hebben voorgedaan. De enkele omstandigheid dat die buurtbewoners daarover geen informatie konden verschaffen, levert niet het ernstig vermoeden op dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het daarmee bekend zou zijn geweest.

8.6. Ook deze grond leidt derhalve niet tot herziening.

9. Beoordeling van de zesde herzieningsgrond

9.1. In hoofdstuk IV van de aanvrage wordt gesteld dat een aanvullend schrijven van prof. dr. H.F.M. Crombag van 7 december 2005 als een novum heeft te gelden. In de aanvrage wordt een aantal omstandigheden aangevoerd die deze stelling moeten ondersteunen.

9.2.1. De beoordeling van deze herzieningsgrond moet worden bezien tegen de volgende achtergrond. Op 10 oktober 2000 is Crombag door de Rechter-Commissaris in deze zaak als deskundige benoemd. De Rechter-Commissaris heeft hem opgedragen een onderzoek in te stellen naar en een gemotiveerd oordeel te geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die [slachtoffer 1 en 2] als getuigen in de strafzaak tegen onder anderen hun vader hadden afgelegd. Voorts diende hij een aantal door de toenmalige raadsman van de aanvrager geformuleerde vragen te beantwoorden. Een van die vragen luidde:

"Kunt u de mogelijkheden van zogenaamde alternatieve scenario's beschrijven (in het dossier kan worden gelezen dat de seksuele gedragingen van de minderjarigen [slachtoffer 1 en 2] een oorzaak vinden in de seksuele gedragingen waarvan de ouders worden beschuldigd). Is dit op basis van dit dossier de enige mogelijke verklaring of zijn er ook andere scenario's mogelijk?"

Crombag heeft op 31 januari 2001 rapport uitgebracht aan de Rechter-Commissaris. Voorts is hij ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001 als getuige-deskundige gehoord.

9.2.2. Volgens genoemde brief van Crombag van 7 december 2005 heeft de raadsman van de aanvrager hem in een e-mailbericht van 8 november 2005 verzocht terug te kijken op de onderhavige zaak en zich af te vragen of hij het door hem in zijn rapport van 31 januari 2001 geschetste alternatieve scenario voor de tenlastelegging nu ziet als meer dan 'een enkele mogelijkheid'. In zijn brief heeft Crombag aan dit verzoek voldaan.

9.2.3. In de aanvrage wordt aangevoerd dat op grond van nieuwe feiten en inzichten aannemelijk is dat het oordeel van de deskundige F. Lamers-Winkelman, waarop het Hof zich heeft verlaten, onjuist althans in ieder geval onvolledig is geweest. Deze stelling baseert de raadsman op de volgende, uit de brief van Crombag af te leiden omstandigheden.

9.3.1.1. In de eerste plaats beschrijft Crombag volgens de raadsman het bestaan van nieuwe inzichten met betrekking tot het fenomeen 'collaborative storytelling'. Het alternatieve scenario dat Crombag in zijn rapport van 31 januari 2001 beschrijft, zou hiervan een product zijn. Crombag zou 'collaborative storytelling' in zijn rapport van 31 januari 2001 slechts voor een hypothese hebben gehouden. In de onderhavige brief schrijft hij, voor zover hier belang:

"Pas geruime tijd later ontdekte ik dat het verschijnsel al eerder en ook sindsdien in de onderzoeksliteratuur beschreven en experimenteel getoetst is, zij het onder een variëteit van andere namen (zoals collaborative narration, joint remembering, co-narration, conversational remembering en group remembering)."

9.3.1.2. In de tweede plaats concludeert Crombag in zijn brief dat hij ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting van het Hof niet een volledig beeld had van de onderzoeksliteratuur. Volgens de raadsman levert dit het ernstige vermoeden op "dat het Hof, ware het met het bestaan van deze wetenschappelijke inzichten omtrent de geopperde hypothese van prof. Crombag, tot een andere veroordeling zou zijn gekomen". Het Hof had dan immers meer waarde gehecht aan het scenario dat Crombag in zijn rapport naar voren brengt, aldus de raadsman.

9.3.1.3. In aanmerking genomen dat Crombag weliswaar in zijn brief aangeeft dat hij ten tijde van het opmaken van zijn rapport van 31 januari 2001 en het afleggen van zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001 niet op de hoogte was van alle relevante wetenschappelijke literatuur, maar niet dat hem dit thans tot een ander oordeel brengt, levert het aangevoerde geen novum op.

9.4.1. In de derde plaats wordt in de aanvrage aangevoerd dat de brief van Crombag een novum vormt in relatie tot zijn bevindingen omtrent de rol van de deskundige Lamers-Winkelman, op wier verklaring het Hof zich volgens de raadsman heeft gebaseerd. In de vierde plaats legt die brief volgens de raadsman bloot dat het Hof destijds door Lamers-Winkelman een onvolledig beeld van de exacte wetenschappelijke stand van zaken is voorgehouden.

9.4.2.1. De brief van Crombag houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Blijkens een zich in het dossier bevindend 'rapport' van de hand van rechercheur [betrokkene 30], gedateerd 22 juli 1999 (...) heeft het [A]-team mevrouw Lamers om advies gevraagd, over een mogelijk persoonlijkheidsonderzoek en 'de verhoren van de verdachte [slachtoffer 1]'. Gezien de datering zou dat advies gevraagd kunnen zijn in het kader van de zaak [aanvrager], waarin [slachtoffer 1] haar eigen rol bij het terroriseren van buurtkinderen echter vrijwel moeiteloos bekend had.

Het vermoeden is dan ook gerechtvaardigd dat het [A]-team advies over het verhoren van [slachtoffer 1] vooral behoefde met het oog op haar komende positie als getuige in de [aanvrager]-zaak, die kort nadien (in september) en nog voor het vonnis in de zaak [aanvrager] was gewezen (in oktober) officieel begon met het in bewaring stellen van de drie verdachten in die zaak.

Ik was dan ook niet weinig verbaasd toen ik in het arrest van het Hof in de zaak [aanvrager] mevrouw Lamers aantrof als getuige-deskundige. Haar rol als onafhankelijk getuige-deskundige verdraagt zich immers niet met die van adviseur van het [A]-team.

Nog meer verbaasd was ik toen ik in het arrest van het hof las, dat mevrouw Lamers ter zitting verklaard zou hebben 'dat de laatste wetenschappelijke onderzoeken uitwijzen dat de mate van beïnvloedbaarheid van kinderen met een intelligentieleeftijd van 6 jaar of ouder niet veel groter is dan de beïnvloedbaarheid van volwassenen (...)'. En het arrest vervolgt: 'Ook verklaarde zij dat onderzoek heeft aangetoond dat het meerdere keren horen van jonge getuigen, in tegenstelling tot hetgeen men eerder aannam, een positieve uitwerking kan hebben op de waarheidsgetrouwheid van de betreffende verklaringen'. Wat die 'laatste wetenschappelijke onderzoekingen' dan wel waren en of de resultaten daarvan in peer reviewed tijdschriften verschenen zijn, is haar vrijwel zeker niet gevraagd, al was het maar omdat het hof een deskundige nodig gehad zou moeten hebben om het antwoord op die vraag te kunnen waarderen. Die 'laatste onderzoekingen' zouden dan bovendien wel zeer kort voor de zitting gepubliceerd moeten zijn, want nog in 2000 rapporteerden onderzoeker Garven en zijn medewerkers, die zich enkele jaren lang verdiept hebben in de getuigenissen van kinderen in de beruchte Amerikaanse McMartin Preschool case, dat het met de beïnvloedbaarheid van kinderen nog steeds beroerd gesteld was (zie: S. Garven et al, Allegations of wrongdoing: The effects of reinforcement on children's mundane and fantastic claims, Journal of Applied Psychology, 2000, 85, 38-49). En bij het uitspreken van haar oordeel liet mevrouw Lamers dan ook nog buiten beschouwing, althans ongenoemd de onverantwoordelijke wijze waarop [slachtoffer 1 en 2] ieder meer dan twintig keer werden verhoord, en die ik in mijn rapport omstandig gedocumenteerd heb (...)."

9.4.2.2. Voor zover Crombag in zijn brief uitgaat van vermoedens en zich verbaast over verklaringen van een andere deskundige, leveren de desbetreffende opmerkingen niet op een omstandigheid in de zin van art. 457 Sv. Dat geldt ook voor zover zijn oordeel afwijkt van dat van de deskundige Lamers-Winkelman. Niet blijkt immers dat hij daarbij is uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard waarmee het Hof niet bekend was.

10. Beoordeling van de zevende herzieningsgrond

10.1. Bij brief van 22 augustus 2008 heeft de raadsman een zevende herzieningsgrond voorgesteld. In dat verband doet de aanvrager een beroep op:

(a) de verklaring van [slachtoffer 2] in het televisieprogramma KRO Reporter, uitgezonden op 20 augustus 2008 die volgens genoemde brief als volgt luidt:

"Het is niet gebeurd, dat weet ik heel zeker"

Vraag: waarom weet je dat heel zeker?

"Als ik bij mijn vader en moeder er tussenin lag, dan sliep ik gelijk, want meestal kwam ik alleen bij mijn vader en moeder als ik bang was, als het onweer was of zo."

Vraag: toch heb je dat gezegd destijds. Waarom?

"Ik heb geen idee, misschien dat de politie zoveel druk op ons zette"

"Ik denk nu onder druk van de politie, van de verhoren. Dat gewoon de woorden ons in de mond zijn gelegd."

Vraag: hoe bedoel je?

"Nou, zoals bijvoorbeeld dat ze zeiden, wat een vieze oom heb je toch, of, je moeder is een hoer."

(b) een brief van [slachtoffer 2], gevoegd als bijlage bij een brief van de raadsman van 15 september 2008, inhoudende:

"(...) Nu wilt u weten wat ik heb verteld in de interview met [betrokkene 25]. Wat ik allemaal heb gezegt is dat ik het zeker weet dat er niks gebeurt is. Hij vroeg van waarom denk je dat. daar heb ik op gezegt: Als een kind is verkracht dan vergeet ze dat niet en ik kan me niks meer herrineren daar over. [Betrokkene 25] vroeg aan mij waarom ik al die verklaringen heb afgelegt naar me ouders en oom. Ik had geen idee waarom, maar ik denk dat de politie zoveel druk op ons zetten en de woorden in onze mond hebben gelegt. door dat ik niet meer zoveel weet over vroeger kon ik niet veel zeggen. Ik bleef maar zeggen dat er niks is gebeurt anders zou ik het wel weten en nooit meer vergeten. Ik wist zelfs niet eens wie [...] waren.

daar heb ik over zegt: ik ken hun niet en ze zijn nooit bij ons thuis geweest. dat geld ook voor [slachtoffer 3]. Hem ken ik wel, hij heeft bij mij op school gezeten. Maar hij is nog nooit bij ons thuis geweest! Ik kon vroeger niet eens opschieten met hem. Ik ging nooit met hem om, waarom zou ik dan in godsnaam iemand mee naar huis nemen die ik niet mag. Als ik terug denk aan vroeger, dan kan ik alleen maar leuke dingen bedenken. En geen verkrachting of wat dan ook! Ik weet 100% dat er niks is gebeurt en ik zal er alles aan doen om de waarheid naar boven te brengen! (...)"

10.2. Vooropgesteld dient te worden dat een aanvrager bij een aanvrage tot herziening, indien deze is gegrond op verklaringen van een getuige die afwijken van de eerder in de strafzaak door die getuige afgelegde verklaringen, aannemelijk moet maken dat en waarom die getuige van zijn de aanvrager belastende verklaringen terugkomt.

De raadsman stelt in zijn brief van 22 augustus 2008 dat de verklaring van [slachtoffer 2] sub (a) als een nieuw feit is te beschouwen dat mede van belang is voor de beoordeling van het herzieningsverzoek. In zijn brief van 15 september 2008, met als bijlage de brief van [slachtoffer 2] sub (b), schrijft de raadsman dat de verdediging meent dat de inhoud van deze brief niet aan de Hoge Raad zou mogen worden onthouden teneinde ook de relevantie te beoordelen van de reeds eerder ingebrachte tv-documentaire over deze zaak.

De brieven van de raadsman houden echter niet in waarom [slachtoffer 2] is teruggekomen van haar verklaringen, terwijl zij evenmin inhouden waarom zij eerst nu naar voren brengt dat haar eerdere verklaringen onjuist zijn. Het enkele vermoeden van [slachtoffer 2] dat de politie haar onder druk heeft gezet en woorden in de mond heeft gelegd, is daarvoor onvoldoende.

10.3. Het aangevoerde levert dus geen grond voor herziening op.

11. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 maart 2009.