Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BF0389

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
07/10313
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BF0389
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7682, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.63, lid 1, Wet IB 2001. Overdracht van een onderneming waarbij een bedrijfspand niet wordt overgedragen aan de overnemer maar aan hem wordt verhuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/117 met annotatie van R.P.C. CORNELISSE
FED 2009/42 met annotatie van M. Pot
Belastingadvies 2009/6.5
V-N 2009/10.16 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0416 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 07/10313

20 februari 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 20 juni 2007, nr. AWB 06/4371, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 19 augustus 2008 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Onder de naam E dreef belanghebbende tot eind 2002 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Tot het vermogen van de onderneming behoorde een pand gelegen aan de a-straat 1 te Q, welk pand voor de uitoefening van de onderneming werd gebruikt (hierna: het bedrijfspand).

3.1.2. Als gevolg van arbeidsongeschiktheid kon belanghebbende zijn bedrijf niet langer voortzetten. Belanghebbende heeft besloten de onderneming per 1 januari 2003 te verkopen aan zijn werknemer F (hierna: de werknemer). In de daartoe opgestelde verkoopovereenkomst kwamen partijen overeen dat belanghebbende aan de werknemer verkoopt de handelsnaam, de aan de onderneming verbonden cliëntenportefeuille en de activa van de onderneming met uitzondering van het bedrijfspand. Partijen kwamen voorts overeen dat de werknemer het personeel overneemt.

3.1.3. De werknemer bleef de koopsom van € 230.000 aan belanghebbende schuldig en verbond zich de hoofdsom en rente in maandelijkse termijnen over een periode van tien jaren te voldoen. De werknemer beschikte niet over de financiële middelen om ook het bedrijfspand aan te kopen. In de overeenkomst is om die reden opgenomen dat de werknemer het bedrijfspand voor de uitoefening van de ondernemingsactiviteiten zal huren van belanghebbende. Daarnaast verkreeg de werknemer een koopoptie op het bedrijfspand welke optie uitgeoefend kon worden gedurende de eerste zes maanden na betaling van de koopprijs van de onderneming.

3.2. Voor de Rechtbank was tussen partijen in geschil of belanghebbende een beroep kan doen op de doorschuiffaciliteit van artikel 3.63 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3.63, lid 3, van de Wet, nu bij belanghebbende na overdracht van een gedeelte van zijn onderneming aan de werknemer geen zelfstandige onderneming is achtergebleven maar een vermogensbestanddeel dat vervolgens deel is gaan uitmaken van zijn privévermogen.

3.3. Het tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel gerichte middel wordt terecht voorgesteld. Tekst noch doel en strekking van artikel 3.63 van de Wet verzetten zich tegen de toepassing van lid 1 van dat artikel op een overdracht van een onderneming aan een in lid 4 of lid 5 van dat artikel bedoelde persoon (hierna: de overnemer) indien een tot het vermogen van die onderneming behorend pand niet aan de overnemer wordt overgedragen, maar aan de overnemer ter beschikking wordt gesteld voor de uitoefening van de overgedragen onderneming.

In het licht van het hiervoor overwogene laten de hiervoor in 3.1.3 vermelde feiten geen andere gevolgtrekking toe dan dat in dit geval een overdracht van een onderneming in de zin van artikel 3.63, lid 1, van de Wet heeft plaatsgevonden.

De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 169.226,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 106, alsmede het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 38, derhalve in totaal € 144,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2009.